Poëzie (239)

 

Drie vrouwen in een Rode Mercedes

Als je altijd alles bewaart in zakken en dozen, komt er een moment dat je het wilt gaan ordenen.
      Je komt dan altijd iets tegen, waardoor er niets van dat ordenen komt.
Je leest, je denkt, je leest nog eens, je raakt vertederd, je begint te twijfelen, kortom ....  

Het was mei 2002. Ik had iets te vieren en huurde het etablissement in mijn gehucht af.
      Er kwamen veel mensen uit de Grote Stad naar het buurtschap op de Hoeksche Waard. 
Veel van hen waren er nog nooit geweest.

Drie vrouwelijke collega’s kwamen in een Rode Mercedes.
      Dat zorgde voor de nodige inspiratie.

Lees hier de dichterlijke eruptie van Dini, Ineke en Fieneke.

 

Hulshorst, een gepasseerd station

Wij rijden over de Veluwe en zien ineens op een bordje Hulshorst staan. Hulshorst?!
      Ach ja Hulshorst. Een dorpje, dat bekend werd door een monumentaal gedicht van Gerrit Achterberg.
Een gedicht over het treinstation daar, waar nooit iemand kwam. Hoe zou het met dat stationnetje zijn?  
      Ik geef daar direct antwoord op, meer lees eerst het gedicht, geschreven in 1936.


Hulshorst  

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat,
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte Veluwhart.


Het bos

Hulshorst heeft nog geen 2.000 inwoners en ligt vlakbij Nunspeet. Het is niet veel meer dan een verzameling huizen aan een doorgaande weg. Van rails, een overweg of een station geen spoor.  
      Wikipedia leert dat het stationnetje in 1863 geopend werd en op 31 mei 1987 gesloten.
Er kwam inderdaad bijna nooit iemand, want het ligt in de bossen een kilometer of wat buiten Hulshorst. Aan een doodlopende weg vlakbij de A-28.

Het witgepleisterde station is nu een woonhuis. De eigenaar is met een machine blaadjes aan het wegblazen. Hij kijkt niet op of om en is kennelijk gewend aan mensen, die zijn huis op de foto zetten.
      Direct naast de tuin, staat een bord met het gedicht erop.


Het Station

Het station kwam er op aandringen van een landheer, die het landgoed in die omgeving beheerde. Zo werd het in eerste instantie een soort privé-station voor een paar welgestelden, die in de buurt woonden. Verder stapte vrijwel niemand daar in of uit de trein.    
      Gerrit Achterberg wel.
Wim Hazeu schrijft in zijn biografie (1988): 'Als Bep (de toenmalige verloofde van Gerrit, onderwijzeres in Oldebroek) in de weekeinden of vakanties niet naar hem toekwam, ging hij met de trein naar haar. Hij kon tot Hulshorst met de trein komen, waar hij menigmaal op Bep wachtte, of Bep op hem, om vandaar per gehuurde fiets naar Oldebroek te gaan”.


De Locomotief



Tegenover het station is een stoomlocomotief als herinnering op een zijspoor gezet, naast een horeca-etablissement waar het in ’t seizoen wel druk zal zijn.
      Als je daar buiten zit hoor je de autoweg en hoor je af een toe een trein die voorbij raast. 


Het bord

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

De geilaard en de maagd

Gerard den Brabander (1900-1968) was een interessant dichter. Hij was belezen, maakte mooie sonnetten en vertaalde werk van ondermeer Shakespeare, Rilke, Tolstoi en Ibsen. Maar hij had een leven lang een alcoholprobleem. Volgde verscheidene malen een afkickprogramma, maar dat haalde niets uit. Hij overleed, nadat hij in de Jellinek-kliniek van de trap was gevallen. Gerard den Brabander moet vooral niet verward worden met Gerard den Braber.
      Eén van zijn meest geroemde sonnetten is Elle se couche. Het verhaal van een wat oudere geilaard, die een jong meisje wil ontmaagden, want daar droomt ze immers van. Of een dergelijk gedicht heden ten dage nog zou worden geroemd is vanwege de inhoud zeer de vraag. Lijkt mij.

Er staan een paar woorden in, die ik aanvankelijk niet kon duiden. Gewemel bijvoorbeeld. Maar als je denkt aan ‘’het wemelt hier van de mensen’’ weet je dat het staat voor gekrioel.
      Een schemel is een voetenbankje. Dat bevond zich vroeger inderdaad in een koets.
En dan kemel. Daar zijn diverse betekenissen voor. Een blunder of een flater werd vroeger het meest gebruikt, maar dat lijkt me hier niet van toepassing. Want kemel is ook een oudhollands woord voor kameel en dat klopt weer met die bult.


Van Gerard den Brabander

Elle se couche

Nu bukt en rijst uit het gewemel
van roze en wit; nu wipt dit naakt,
nog door geen ruwaard aangeraakt,
ter nachtkoets op de wankle schemel.

Eer drijft de eros bult en kemel
door ’t oog der naald dan dat verzaakt
dit maagdlijn, door geen maan bewaakt
onder de sterrenloze hemel

des beds, haar zeer verstolen droom:
wie steigert met gevierde toom
uit deze nacht de kamer binnen?

O lieflijk wezen dezer zinnen;
o glimlach, die ik móet beminnen,
maar die ik nú te kussen schroom.

Gerard den Brabander werd vaak gezien in café Eylders op het Leidseplein in Amsterdam. Hij zat daar hele dagen en dronk dan volgens de overlevering vooral moddermannetjes. Dat is jonge jenever met suiker en kaneel.
      Hij voelde het einde naderen en schreef daar het gedicht Aftands over.

En als u weet wie Katrien is laat me dat dan even weten op Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Van Gerard den Brabander

Aftands

Aftands door de perken wandlen
met de te vette hond
te denken niet en te handlen
met de verzakte mond
woorden die al verlammen
tegen de vogels zwammen
de stok en het pensioen
de late vlam der pioen
de bloedpols niet meer te vrezen
afzijdig de kranten lezen
de krijg en de vreemde ramp
zich verre verhalen maken
de poolzee het tafellaken
op de einder de lage lamp
vijandige schotsen de borden
de vorken, de vikings, de horden
overvallen het witte kamp
Nova Zembla het vreemde land
vreemd en ver de vergeelde hand
aan de dampende soepterrien….

Wie noemde dit eens Katrien?


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Joop den Uyl en zijn ceder

In april 1977 werd ik door de afdeling Oud-Beijerland van de P.v.d.A. tot afgevaardigde gekozen voor het partijcongres dat in diezelfde maand werd gehouden. Het was een beladen bijeenkomst.
      Het kabinet Den Uyl, dat in 1973 kon aantreden dankzij een paar dissidenten van de KVP en de ARP, had moeilijke tijden beleefd. De oliecrisis, een treinkaping, de Lockheed-affaire om maar wat te noemen. Er waren ook positieve punten. De AOW was verhoogd en er was een minimum-jeugdloon ingevoerd.    
      Maar nog voor het congres viel het kabinet, omdat de dissidenten onder leiding van Van Agt eruit stapten.
Op 25 mei zouden er nieuwe verkiezingen komen. Joop den Uyl hield aan het slot van het congres een fenomenale toespraak, waar hij een staande ovatie voor kreeg.  Hij eindigde met het gedicht De Ceder van Han G. Hoekstra (1906-1988).
En .....hij debiteerde uit zijn hoofd. 

      
DE CEDER

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

Het ideaal

Een ceder is een statige naaldboom, die 40 tot 50 meter hoog kan worden. De symboliek van het gedicht wordt hiermee duidelijk. Een mens moet zijn idealen nastreven en kan zelfs een mooie boom planten op een kleine binnenplaats, die vol ligt met rotzooi. En als een ander zegt dat ’t niet kan, blijf je er zelf gewoon in geloven.

Het gedicht is uit 1946 en komt uit de bundel Panopticum.
      Han G. Hoekstra was niet alleen dichter; hij was journalist bij Het Parool. Joop den Uyl was dat ook geweest, dus ze kenden elkaar goed.

De verkiezingen verliepen zeer voorspoedig voor de P.v.d.A. De partij behaalde een ongekende winst en groeide uit naar 53 zetels. De coalitiebesprekingen verliepen daarna heel moeizaam. Er volgde in oktober een nieuw congres, waar diverse partijleden -de ''Reckmannen''- vrijwel onhaalbare wensen naar voren brachten. Maar die arrogantie van vermeende macht werd gestraft nadat Van Agt en Wiegel een pact sloten, waarbij Den Uyl aan de kant werd gezet.
       Ook bij dit congres was ik aanwezig. Dit keer als eindredacteur van het VPRO-radioprogramma Embargo. De toespraak van Den Uyl was minder bevlogen. Hij was door het gedram van zijn eigen achterban en het gezeik van Van Agt kennelijk enigszins murw gebeukt. 

De ceder moest nodig water hebben.  

Het gedicht is ook opgenomen in de route van Muurgedichten te Leiden. Aan de Oude Vest.
Dat ziet er dan zo uit:

 

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

Een lief ezeltje

Ab Visser (1913-1982) was een Nederlands dichter, die op vrij jeugdige leeftijd een tijdje in Frankrijk woonde. Hij bestudeerde daar het werk van jonge Franse dichters en schreef er in 1938 een bundeltje over. Eén van die poëten was Francis Jammes. Die komen we tegen in dit gedicht.


Tourrettes


Zuid-Frankrijk

Na de overvolle straten
en het geestloos platteland
eindelijk dit brok verleden
veronachtzaamd en vermeden
door ‘t beschaafde onverstand

In de Moors gebouwde straten
zitten voor een stal, een krot
een paar oudjes, die vergaten
dood te gaan en stokkend praten
over een bankroete God.

Schimmenstad vol dode dromen
dat de walg des tijds ontkwam:
langs de groene olijvenbomen,
zien wij naar de poort toekomen
‘t Ezeltje van Francis Jammes.

Ik heb ’t gedicht gevonden. Een soort kinderversje. J’aime l’âne si doux (Ik hou van dat lieve ezeltje).
      Het tafereel in het werk van Ab Visser speelt zich af in het plaatsje Tourrettes (VAR, Zuid-Frankrijk)
Inderdaad een klein stadje met Moorse invloeden.

J'aime l'âne si doux

J'aime l'âne si doux
marchant le long des houx.

Il a peur des abeilles

et bouge ses oreilles.

Il va près des fossés

d'un petit pas cassé.

Il réfléchit toujours

ses yeux sont de velours.

Il reste à l'étable

fatigué, misérable.

Il a tant travaillé

que ça vous fait pitié.

L'âne n'a pas eu d'orge

car le maître est trop pauvre.

Il a sucé la corde

puis a dormi dans l'ombre.

Il est l'âne si doux

marchant le long des houx....

Francis Jammes

Uit: De l'Angélus de l'aube à l'Angélus du soir

 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje