Poëzie (253)

 

Twee maal Kraantje Lek

Ik lees met stijgend genoegen het dichtbundeltje ‘’Pessimisme kun je leren!”’ van Lévi Weemoedt.
     
Versjes uitgekozen door Ȏzcan Akyol. En dan stuit ik op het gedicht Kraantje Lek.
Ach. Kraantje Lek.
      Een etablissement in Overveen aan de rand van de Kennemer Duinen. Vlakbij zee en bij Haarlem waar ik ben geboren en opgegroeid.

In de Kennemer Duinen beleefden wij als scholieren allerlei avonturen en bij Kraantje Lek dronken wij daarna wat. Ik had namelijk wat geld, omdat ik op zaterdagmiddag bij de bollenboer in Velzen-Zuid werkte.
      Kraantje Lek is een uiterst plezierige uitspanning aan De Blinkert, de hoogste duintop in de omgeving.

Zou het allemaal nog bestaan? Ik besloot om er naar toe te gaan.

En jawel: Daar was het. Een witte tent met romantische luikjes.
      En in sierlijke letters: Kraantje Lek.



De Blinkert

En daar was De Blinkert.

Ging het gedicht van Lévi Weemoedt hierover? Nee!.
      Meneer Weemoedt heet officieel Izaäk Jacobus van Wijk, werd in 1948 geboren in Vlaardingen en woont in Drenthe.
Hij schrijft humoristische verzen met een pessimistische -zo u wilt- depressieve inslag.
      Kraantje Lek betekent in zijn gedicht -geloof ik- een soort vroege incontinentie.  
Je plas niet meer kunnen inhouden is net zoiets als vroegtijdig kaal worden, als kind al volwassen zijn of heel vroeg in de overgang zitten.


Van Lévi Weemoedt

Kraantje Lek  

‘k Was dertien als de eerste grijze haren
door ’t korte kuifje braken; moeder in paniek!
Wat was er in haar broekenman gevaren?
‘’Wat heb je dan gegeten? Ben je ziek?

Ach moedertje! Met vijf was ik volwassen
Zat op mijn tiende volop in de overgang
‘k Had vrouw en kind verloren, wist allang
niet meer waarop ik nog moest vlassen.

En slechts om ú en vaatje niet te schokken
bleef ik het ventje dat zo vrolijk in zijn blokken-
doos en spoortrein op kon gaan.

Maar ik proefde al de pit van het bestaan
En daarom rolde er achter moeders rokken
uit ’t pijpje van mijn broek een stille traan.


De Holle Boom

Tussen het café en het duin bevond zich eeuwenlang een holle boom. Een iep, die volgens de overlevering stamt uit 1350.
      In 1820 sloeg de bliksem in de boom en daarom zou er zo’n enorm gat in zijn geslagen.
In Haarlem immers werden de kindertjes niet door de ooievaar bezorgd, maar kwamen ze uit de holle boom.

Frederik van Eeden weidde er in in 1886 de volgende woorden aan:

Niet ver van deze plaats ligt de oude herberg ‘het Kraantje Lek’, het paradijs der Haarlemsche jeugd. Daar staat een der oudste en merkwaardigste voortbrengselen van het plantenrijk in Haarlems omstreken, een holle iep (Ulmus suberosa), wiens korte stam een verbazende omvang bezit. De boom is geheel hol, en uit zijn dikke, bouwvalachtige wanden groeijen van boven dikke takken en vormen een breede groene bladerkruin, zodat hij in de verte gaaf schijnt. Deze boom is een der dikste van Haarlems omstreken. – Te midden van het gulle zand, aan den voet van den stuivenden Blinkert, staat deze kolos daar als het prachtigste monument van het oude Haarlemsche woud.”

De boom is blijven staan tot 2007. Daarna werd een bronzen monument gemaakt door Kees Verkade.
     
Als je er oppervlakkig naar kijkt is het net een echt restant van de oude boom.  


Cobi Schreijer & Lennaert Nijgh

Cobi Schreijer, die in de jaren zestig in de Haarlemse Waag een cabaret -een troubadours- en folkclub- leidde zong een lied over de Holle Boom.
      Op een tekst van Lennaert Nijgh, die hij -ook alweer volgens de overlevering-  voor haar schreef om zijn drankrekening te kunnen betalen.


Luister HIER.


Waarom heet Kraantje Lek zo?
Ook daar zijn diverse verhalen over.
     
De leukste gaat over de Zandvoortse visvrouwen -viswijven- die met de door hun mannen gevangen vis van Zandvoort door de duinen naar de Grote Markt in Haarlem liepen om daar hun vis te verkopen. Om het zand weg te spoelen gingen ze op de heenweg langs bij café De Stinkende Emmer aan de rand van Haarlem.
      Op de terugweg gingen ze naar herberg Rockaers, zoals Kraantje Lek ooit heette.

Rock staat -volgens de overlevering- voor rook en aers voor aars, zodat Rockaers vrij vertaald een stinkgat is.
     
De viswijven dronken hier water uit een vat, dat opeens een lek vertoonde en daarna werd het Kraantje Lek.
Als ik het aan de ober vraag komt hij met een variant. De vrouwen zouden geen water hebben gedronken maar borrels. De jenever zat in een vat met een kraantje eraan. En ook dat kraantje lekte hoewel er weer andere theorieën zijn, dat de vrouwen zoveel jenever dronken dat het leek alsof de kraan lekte.  

Diezelfde route door de duinen heb ik overigens menigmaal gemaakt. Dat deed je als de Formule 1 op Zandvoort verreden werd. Je kon op die manier de kassa vermijden en al dat geronk voor niets bekijken. Eerlijk gezegd waren die races nooit zo spannend. Vaak was na een paar rondes de beslissing al gevallen en bleven ze achter elkaar rondjes draaien. Voor veel mensen restte er dan alleen nog maar de hoop op sensatie dat er ongelukken zouden gebeuren. 


Terras

Het was een zonnige dag. Het terras zat vol.
      Er werden spekpannenkoeken geserveerd en ook -beter nog- pasteitjes met kalfsragout.

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Hangend aan de spijlen van een hek

Jacob Hiegentlich schreef zijn gedicht ‘’Ballade der lantarens’’ in 1931.
      Toen was het kennelijk nog onduidelijk hoe de Franse dichter Gérard de Nerval om het leven was gekomen.  
Anno 2019 is dat bekend.
      Hij pleegde op 26 januari 1855 zelfmoord door zich op te hangen aan een spijl van een hek, dat een afscheiding vormde van een riool. Dat hek bevond zich in de Rue de la Vieille-Lanterne in Parijs. Vandaar de titel van het gedicht. De straat bestaat overigens niet meer.

      Jacob Hiegentlich was 33 jaar, toen ook hij zelfmoord pleegde.
Hij was een Joods schrijver, die na het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 een dosis vergif innam.
      Hij overleed een paar dagen later in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis.


Van Jacob Hiegentlich

Ballade der lantarens

In Amsterdam hangen ze hoog
aan sierlijk gegoten palen,
ze zien met hun geelglimmend oog
de kleine menschen dwalen,
en buigen elkaer zonderling
den langen hals toe onderling.

En in Parijs peinst men: hoe zal
aan deze lange boomen
de edele dichter De Nerval
om 't leven zijn gekomen,
't Licht steekt onbarmhartig
minachtend en hooghartig.

Een man verlaat met loome stap
de zwoelbedorven zalen
van 't volksbal in de rue Delappe,
hij wil wat ademhalen,
hij drinkt de lauwe lindelucht
en denkt „aan Amsterdam terug"

Wie stil en in zichzelven leeft,
hem tergt geen ijdel wenschen,
hij wil niets anders dan hij heeft,
verlangt ook naar geen menschen.
Hij leeft in zich geruster
van driften onbewuster.

Aan 't smal en groen verlicht hotel
van uw vermoeide lusten
zingt de valsche lantaren wel:
gij kunt hier toch niet rusten.
Zeskantig licht bloeit fletscher
en zeer veel ouderwetscher.

Wie boven 't gloeiend maangelaat
en nachtelijke rozen
de wilde gele avondstraat
schandelijk heeft verkozen,
leert dat hetgeen van vleesch is
kort duurt en tevergeefsch is.


 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Mathilde & de Ommekeer

Jacques Perk ging dood in 1881. Hij was pas 22 jaar en had al een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven. Toen hij 20 jaar was schreef hij zijn zogeheten sonnettenkrans Mathilde. Meer dan honderd sonnetten in vier boeken opgedragen aan de eveneens 20-jarige Mathilde Thomas.
      Twee jaar later volgde Iris, het grote gedicht voor zijn nieuwste inspiratiebron Joanna Blancke.
Aan haar legde hij uit hoe hij tot het schrijven van Mathilde was gekomen.
      Uit een brief:


't Was in den zomer van '79 in Laroch sur Ourthe in de Ardennen. Daar heb ik zes dagen juffrouw Mathilde Thomas gekend. Ze was blond, twintig jaar, vrij aardig en verloofd met een graaf De Block.

Die juffrouw Mathilde, als alle 'fijntjes' nog al onbeteekenend, dacht, scheen het, waarlijk, dat ik haar wou 'hebben' en sprak soms heel vriendelijk met het twintigjarig baasje, nog al vreemd voor een verloofde.

Ik heb Mathilde er maar weer eens bijgehaald. Onwaarschijnlijk dat een jongen van twintig jaar, die alleen maar wat vluchtige ‘onbeteekenende’ ontmoetingen heeft gehad zo’n indrukwekkende en omvangrijke cyclus sonnetten kan schrijven.  

Uit Boek II, sonnet XXXI

Ommekeer

Door ál wat leeft, gevoelde ik mij verlaten,
En nergens was ik, en met niets, tevreden;
Elk haatte mij, zoo meende ik, zonder reden:
Ik leed en leed, en kon den haat niet haten.

'k Verlangde, en wist niet wat; ik heb gebeden;
'k Zag al wat slecht was; vond Natuur verwaten,
En ijdel 't leven; wie een lach bezaten,
Der domheid kroost, die ketterleer beleden. -

Toen zag ik ú, en kon geen meening uiten:
'k Had vreugde, vrede, liefde weergevonden,
'k Zag, waar gij traadt, een bloem, een roze ontspruiten.

Natuur en Menschheid voelde ik mij verbonden:
In ú wilde ik 't Heelal in de armen sluiten....
Gij, engel! zijt mij tot geluk gezonden! -

En het begin van Iris

Der eerwaarde jonkvrouwe Joanna C. B.

Ik ben geboren uit zonnegloren 
En een zucht van de ziedende zee, 
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, 
Gezwollen van wanhoop en wee. 
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven 
Als dauw aan de roos, die ontlook, 
Wen de Dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat 
Een waaier van vlammen ontplook. -

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

De Houten Klaas Willem III

Er zijn mensen, die koning Willem Alexander een Houten Klaas vinden. Het gaat dan niet alleen om zijn vaak wat krampachtige manier van voortbewegen, maar vooral om de manier waarop hij zijn toespraken houdt.
     
Zouden de mensen die dit roepen of beweren onderstaand gedicht van Frederik van Eeden kennen?
Daarin wordt Willem III - betovergrootvader van Willem Alexander- ook al een Houten Klaas genoemd.

Maar ja.
      Was Willem III wel de echte betovergrootvader van W.A. of was zijn overgrootmoeder Wilhelmina een onecht kind?
Ik ga daar direct war dieper op in, maar lees eerst het gedicht.


Van Frederik van Eeden   


Het lied der arme klanten

Wij, zwervelingen, zonder land
Wij zijn maar arme klanten;
Wie meer geld hebben dan verstand,
Die mogen lanterfanten.
Wij springen hoog, wij springen laag
Wij moeten ‘t loodje leggen;
Wij dansen met een leege maag…
De centen die gezeggen.

Van oudsher was de koning baas
Vanwege onze zonden;
Nu is hij maar een houten Klaas,
En heeft hij zijn baas gevonden.
Wie er al kroon of scepter draag
En louter gouden kleren,
Al springt hij hoog, al springt hij laag
De centen, die regeren.

Voor ‘t leger staat de generaal,
En leert de mensen moorden,
De dappere helden allemaal,
Zij vliegen op zijn woorden.
Toch heeft hij met zijn gouden kraag
Geen donder te beweren;
Al springt hij hoog, al springt hij laag,
De centen kommanderen.

Waar leit ons land, waar staat ons dak?
Wij leven van de gunsten.
Voor wie maar centen heeft op zak,
Vertoonen we onze kunsten.
Maar breken we ten lest den nek,
Dan kunnen we ook wat krijgen
Een mondje vol, een lekker dek,
En ‘n hoekje voor ons eigen.

Het is duidelijk. Frederik van Eeden was niet alleen arts en psychiater; hij was ook anarchist en wereldverbeteraar.  
     
De koning over wie het hier gaat is Willem III, die regeerde van 1849 tot 1890. Zoon van Willem II, die zich erg verzette tegen de staatscommissie Thorbecke, die een Grondwetswijziging moest voorbereiden.
      Ook Willem III had hier grote bezwaren tegen. Hij zocht zelfs een onderkomen in Engeland.

Toen zijn vader overleed aanvaardde hij toch zijn ‘’roeping’’. Maar inmiddels was de grondwetswijziging erdoor.
      Met als belangrijkste statuut, dat niet de koning verantwoordelijk was maar zijn ministers.
Zo werd Willem III zeer tegen zijn zin de eerste koning in een parlementaire democratie.

Willem III trouwde met prinses Sophie van Wurtemberg. Zij kregen drie zonen: Willem, Maurits en Alexander. De koning overleefde ze alle drie.
      Later trouwde hij met Emma van Waldeck-Pyrmont.

Zij was 41 jaar jonger. Toen de koning 63 was, werd dochter Wilhelmina geboren. Er zijn allerlei geruchten dat hij niet de echte vader was.
      Hij zou niet alleen te oud zijn, maar ook syphilis hebben.   

In de veel geprezen biografie van Dik van der Meulen wordt echter gesteld, dat er voor dit gerucht geen bewijs is.

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Een balletje opgooien


Van Hans Faverey

Een mug

Een mug (de mug)

beklimt, desnoods:
bestijgt een olifant
(de olifant).

Zo gooide iemand eens een bal op.
Deze stuiterde nog enige malen.

Bleef toen zo goed als stil liggen.


Wat doet Klaas Dijkhoff hier?:

1. Hij gooit weer eens een balletje op
2. Hij maakt van een mug een olifant
3. Hij maakt carrière achter een muggerug om
4. Hij gedraagt zich als een stuiterbal
5. Hij voelt zich geen Haarlemse mug
6. Hij toont aan een olifantshuid te hebben
7. Hij vergooit muggeziftend zijn carrière

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie



Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje