Te gast

 
Van Maassluis tot Cooch Behar



Een hemels lustoord vol soevereine waanzin

In Bangladesh liggen 102 lapjes grond van India. Net over de grens in India zijn weer 71 enclaves van Bangladesh. Hier is iets fout gegaan zestig jaar geleden vlak voor de onafhankelijkheid van Pakistan en India. Maandenlang kon advocaat Radcliffe in Cooch Behar zijn pen niet stilhouden en hij trok de grilligste grens ter wereld. De man dronk tot diep in de nacht vooral whisky, 's ochtends trilden zijn handen na op de verse landkaart.

Onder op deze kaart Bangladesh; boven India. Een deel van de zeer gecompliceerde situatie daar. Nummer 51 is Dahala Khagrabari. In rood zijn de enclaves -zo u wilt exclaves- getekend. Groen zijn sub-enclaves; ook wel binnen-enclaves genoemd. 

BLOODY IDIOTS

Nog een paar meter, dan moeten we India toch uit zijn. Op deze vlakke akkers van Cooch Behar ontbreken grenspalen. Hier en daar kleine piramidevormige stenen met getallen en een pijltje erop geschilderd. December 1986.
      Mijn vader sjokt achter me aan. Hij vindt dit geen goed plan, we hebben immers geen visum voor Bangladesh en de grote rollen prikkeldraad links en rechts zijn niet bepaald een teken van welkom in deze grensstreek. Ik moet en zal verder want daar, verderop in het uiterste noordwesten van Bangladesh, wachten de meer dan honderd enclaves van India.

      `Need help?' fluistert een jochie met hoofddoek vanachter een boom.
      `My name Abdul. I help...'

De kleine Bangladeshi pakt onze rugzakken en sleept ons voort naar een pension in Chilahati, een gehucht twee kilometer verderop. Even later wijst-ie naar een dun fietsspoor dat de weg kruist.

      `Look there, border India again. Bloody idiots...'

Ik stop even bij deze zes centimeter bandenstrook, een rubberen Dunlopgrens die verder kronkelt door blubberige akkers.

      `Weet je het zeker?' vraag ik.

      `Sure,' reageert Abdul geprikkeld.
      `This tree India, and that one, cross the road, bananatree is Bangladesh. Idiots.'

                                                                                    
MANNEN & BLAFFENDE HONDEN

Vier uur later hebben we nog geen onderkomen. Tientallen mensen lopen achter ons aan. Blaffende honden en kauwende geiten. Iedereen wil helpen, maar er is geen bed.

      `No sleep. Bloody idiots!' mompelt Abdul. Ik wil 'm graag ontlasten, maar wat ik ook zeg, onze kleine moslim op blote voeten blijft de rugzakken dragen, ook al zakt hij bijna door zijn knieën.

Vlak voor ons staan smalle betonnen grenspalen, zo'n anderhalve meter hoog. Ieder huisje, iedere akker houd ik in de gaten want hier, in Bangladesh liggen 102 Indische enclaves met daarbinnen weer 21 Bangladeshi sub-enclaves. En dan nog die ene Indische sub-sub-enclave binnen een van die 21 Bangladeshi sub-enclaves, de enige sub-sub-enclave ter wereld, een juteveld van 38 bij 180 meter, de Dahala Khagrabari chhit. Een lapje India in een lapje Bangladesh, dat weer in een lapje India in Bangladesh ligt. Zoiets.
      De Bangladeshi grenswacht vanochtend wilde dit niet geloven. `Most probably a stubborn Indian who doesn't wanna move.'

      `Nee, het is echt Indisch, deze sub-sub-enclave,' stelde ik nogmaals.
      `De enige in de wereld.'
     `Not possible, sir, no such land. Sub-sub nonsense.'

We mochten eigenlijk niet verder. De man staat niet voor niets met een karabijn naast een wachttoren. Een handjevol rupees bleek voldoende om hem een kwartier een andere kant op te laten kijken. We liepen rustig door naar het zuiden.

      `Waarom loopt de grens zo raar?' vraag ik Abdul.
      `He was drunk, Radcliffe, basterd drank all night... Bloody idiot.'

                                                                                                   
 SIR CYRIL RADCLIFFE  

Het was in de zomer van 1947. Sir Cyril Radcliffe, een advocaat uit Londen moest onder supervisie van Lord Mountbatten de grenzen trekken tussen het te vormen India en Pakistan, de moslims en niet-moslims uit elkaar houden, dus ook hier in het gebied van West-Bengalen en het voormalige Oost-Pakistan, dat later Bangladesh (1971) zou worden. Daar begon het probleem, groepjes Hindoes woonden te midden van de moslims en andersom.

In 1947 bezaten 565 maharadja's nog eenderde Indiaas grondgebied. Ze hadden nooit onder Britse heerschappij gestaan. Tijdens de onafhankelijkheidbesprekingen besliste de maharadja van Cooch Behar dat zijn stukjes grond onafhankelijk zouden blijven, met als resultaat dat de naar schatting 28.000 tot 56.000 bewoners (laatste telling: 1941) van de kleine enclaves, de chhitmahals, in Bangladesh kwamen te liggen, een versnipperd gebied zo groot als Noord-Beveland. In het Bengali betekent chhit fragment, een deel van een geheel, maar daarin niet geïntegreerd. Mahal betekent land.

                                                                                                    
 LORD MOUNTBATTEN  

Lord Mountbatten, de laatste onderkoning van India, had haast. Hij had tot juli 1948 kunnen blijven, maar wilde terug naar Windsor Castle en duwde de grenzen er in vijf maanden doorheen.

      'Finish the job by 15 August,' stelde Mountbatten.

Er kwam druk op de ketel bij Sir Radcliffe, die doodnerveus werd en glas na glas achteroversloeg. Whisky. 's Ochtends pakte hij zijn pen weer op en bibberde wat lijnen, ook de kleine rondjes en rechthoekjes van de Cooch Behari-Indiërs in Bangladesh, de chhitmahals. Het was een vorm van vivisectie, deze verdeling van West-Bengalen. Radcliffe gebruikte een slagersbijl.
      In augustus 1947 had Radcliffe de landkaart getekend, een grote verdeelblunder volgens India en Pakistan, met name in de heuvels van Chittagong, waar de vervolging en genocide van de Jummastammen al jaren voortduurt.
      De maharadja van Cooch Behar besloot in 1950 dat zijn gebied toch bij India kwam, ook de strookjes grond die in Bangladesh lagen. Deze voormalige Hindoe-Cooch Behari waren op slag Indisch, omsingeld door de moslim-Bangladeshi.

Voor mij, als enclavezuchtige is dit gebied romantiek, een hemels lustoord vol soevereine waanzin. Deze talloze lapjes India tussen de Bangladeshi rijstvelden overtreffen Baarle-Nassau en Baarle-Hertog in het Brabantse Marialand tot in de vijfde macht.

                                                                                                        
NIEMANDSMENSEN  

Maar dit is geen toerisme, geen VVV-propaganda, want voor de bevolking hier is deze grens een hersenschim, de hel, een jurisdictionele ramp. Ze leven te midden van terreur, moord, diefstal en verkrachtingen. Er is geen politiepost, dus ook geen aanklacht mogelijk, want stel dat een vrouw vanuit haar enclave via Bangladesh de grens oversteekt en in India naar de politie stapt, hoe kan die dan stappen ondernemen in Bangladesh? Ook een ziekenboeg ontbreekt, en het ziekenhuis buiten de enclave heeft een wachtlijst tot in het oneindige voor de niet-bewoner van Bangladesh.
      De bewoners van de Indische chhitmahals bestaan statistisch niet. Ze hebben geen paspoort, het zijn niemandsmensen in nergensland. Ze kunnen geen paspoort krijgen zonder de wet te overtreden, immers men moet eerst illegaal Bangladesh door om India te bereiken, waar men niet in komt omdat men geen paspoort heeft. Er is geen stemrecht; sterker, men heeft geen looprecht, want om boodschappen te doen moddert men van de ene enclave naar de andere via gammele loopbruggen en schommelende plankjes, alsof de lucht niet soeverein is en de grond waarop de loopplank schuift Bangladesh niet raakt.
      Hier heeft Lord Mountbatten, prins van Battenberg, als verdeler van Brits India en grensbepalervan Pakistan en India zestig jaar geleden de plank volledig misgeslagen.

Dit grensgebied spatte uiteen in 198 lappen soevereine twijfel. Soms is een beeld, een vergelijking een vorm van rechtvaardigheid, want in augustus 1979 dobberde Lord Mountbatten rond op de Ierse Zee en binnen een seconde spatte ook hij uiteen. Zijn vissersbootje ontplofte, een bom, een terroristenprotest dat knalde als de Kanonensong van Bertold Brecht. `Soldaten wohnen. Auf den Kanonen. Vom Cap bis Cooch Behar. Wenn es mal regnete. Und es begegnete. Ihnen 'ne neue Rasse 'ne braune oder blasse. Da machen sie vielleicht daraus ihr Beefsteak Tartar.'

                                                                                                             
24 HOURS LATE

Abdul blijft zoeken en vragen naar een slaapplaats in Chilahati. We geven het op. Vanmiddag gaat er een trein naar het zuiden, maar we hoeven ons niet te haasten, want de treinen in deze streken hebben altijd uren vertraging, geen rondje om de moskee helpt daaraan. Je raakt eraan gewend, meestal ga je zo'n drie uur na de geplande vertrektijd pas naar het kaartloket. Alles op zijn tijd. Zo ook vandaag voor de trein van 3 p.m. naar Saidpur.
      Precies als we weglopen, op zoek naar een kop thee ergens in de stad, stroomt de stationshal van Chilihati vol. Honderden mensen, geiten en kippen. Er staat zelfs een koe bij de slagboom. Op het perron stapels dozen vol koopwaar. Abdul trekt ons mee, we moeten opschieten. Opschieten? Hoe kan dat nou? Het is 2.58 p.m. Traag trekt een locomotief treinstellen het station binnen.

     `Too late,' mompelt Abdul, `this the 3.00 p.m. train from yesterday, Saidpur Express. 
      'Too late, 24 hours late... Bloody idiots.'


Klik HIER voor foto's

 

 

 

Brievenbus: Brugstraat 1 Stampersgat


 

Op de pedagogische academie wilde Louis Bovée (Stampersgat 1950) één ding: journalist worden.
      Tijdens zijn onderwijzersopleiding in Oudenbosch werd hij door Dagblad De Stem gevraagd voor het (sport)correspondentschap van West-Brabant.
      Ik was daar toen -jong- redacteur, maar Louis beschouwt mij altijd nog als één van zijn leermeesters.
Halverwege de jaren zeventig trad hij in vaste dienst van Brabants Nieuwsblad. Daarna werkte hij enige tijd op de binnenlandredactie van het Algemeen Dagblad.
      Sinds 1981 staat Louis op de loonlijst van tijdschriftenuitgeverij Audax.
Hij mocht van dat bedrijf deze zomer, in eigen beheer, het magazine Tour Express maken.
      Die uitgave (nog te koop in kantoorboekhandels) kreeg een vleiende recensie van bladendokter Rob van Vuure in de Volkskrant.
Vijf jaar geleden schreef Louis, in samenwerking met de volkszanger, de biografie over Frans Bauer.

 

 

Zeven foto’s, zeven herinneringen

 

Vanaf mijn tiende jaar benaderde ik bekende Nederlandse wielrenners met een op een schrijfmachine getikte brief voor een foto; het liefst gesigneerd.
      Een postzegel voor ’retourpost’ voegde ik toe.
Vrijwel elke coureur reageerde.
      Hierbij: 7 foto’s uit de jaren zestig en 7 persoonlijke herinneringen.

 

GERBEN KARSTENS

 

                       

 

De Leidse notariszoon, zoals hij in de media werd genoemd, koerste zestien jaar op het allerhoogste niveau.
      Tien keer startte hij in de Tour, zes keer boekte hij een ritzege.
De Karst was een markante persoonlijkheid, iemand die journalisten om zijn vingers wond door ’zaken’ wat uit te vergroten.
      Ik heb Gerben (inmiddels 70 jaar) enkele keren geïnterviewd. Dat was in de tijd dat sporters verhalen van tevoren niet hoefden te lezen.
Hij vond het allemaal best wat ik schreef, onder meer dat ik zijn uitspraak afdrukte dat ”bijna alle toprenners vreemd gingen.”
      Zorgde voor wat ophef, tweede helft jaren zeventig. Karstens haalde er lachend de schouders over op.

 


JOS VAN DER VLEUTEN

 

                     

 

 

Ik weet nog hoe ik schrok toen ik dinsdag 6 december 2011 op Teletekst las dat Jos van der Vleuten (68) in zijn vakantiehuis in de Dominicaanse Republiek aan een hersenbloeding was overleden.
      Twee maanden daarvoor sprak ik De Vleut voor het laatst, bij de Tourtocht Francinus De Wind, een actie voor het Goede Doel in Waalwijk.
Jos startte zes keer in de Tour. In 1965 en 1966 gebeurde dat in het shirt van Televizier.
Ploegleider Kees Pellenaars legde hem strikte stalorders op.
      Hij moest zich wegcijferen voor Jo de Roo en Henk Nijdam, de kopmannen, en als hij zich een dag ’topscherp’ voelde, mocht hij voor eigen kans rijden. Later maakte hij naam als meesterknecht van Jan Janssen.

 


HENK NIJDAM

 

                   

 

Vader van Jelle. Henk won drie Tourritten, zijn zoon - tegenwoordig brandweerman te Doetinchem - het dubbele aantal.
      Henk was een bescheiden man. Gek op wielrennen, niet gek op de schijnwerpers.
Pijpje Drop, luidde zijn bijnaam. Zijn hart lag op de baan. Begrijpelijk, want in de jaren zestig was hij een topper op het onderdeel achtervolging.
      Toen ik voor het Brabants Nieuwsblad werkte, interviewde ik de in grensplaats Zundert woonachtige Henk in totaal twee keer. Henk gaf korte antwoorden, zijn vrouw zorgde voor aanvullingen.
      Ik mocht Henk, die op Koninginnedag 2009 overleed na een langdurig ziekbed, erg graag.
Mede doordat hij als coureur eigenlijk niet de erkenning kreeg die hij verdiende.

 


GERARD KOEL

 

                 

Koeltje startte 33 keer en haalde 33 keer Parijs. Nee, niet als renner; als chauffeur van de NOS-equipe.
      Hij vervoerde onder anderen Theo Koomen, Jean Nelissen en Mart Smeets dwars door het land van Marianne.
Gerard (71) fietste negen seizoenen in het profpeloton. Op de baan zegevierde hij in de Zesdaagsen van Madrid en Amsterdam.
      Wielrenner Gerard herinner ik me van de criteriums, de rondjes langs kerk en kroeg.
Hij droeg het shirt van sponsor Caballero, een legendarisch sigarettenmerk.
      Gerard en zijn vrouw Tineke ontmoet ik regelmatig. Hij verzorgt de public relations van de Grote Prijs Adrie van der Poel in Hoogerheide, Nederlands’ grootste veldrit.
      Aan te melden, hoef ik me nooit. Als ik de accreditatieruimte binnenstap, schuift hij het VIP-bandje om m’n onderarm. 

 


CEES HAAST

 

                       


Ik heb een Televizier-foto van Ceesje met handtekening van de kleine berggeit uit Rijsbergen, eveneens de geboorteplaats van Johan van der Velde - derde in de Tour de France 1980.
      De door zijn sponsor BIC in 1968 toegestuurde foto, zónder handtekening, heeft mijn voorkeur.
Cees is zelfbewust, hij lacht vastberaden. De nummer 14 van de Tour 1967 heeft er het volste vertrouwen in.
      Waarschijnlijk begrijpt hij niet goed dat de balpennenfabrikant hem heeft aantrokken om de Nederlandse Televizier-equipe te verzwakken.
De Franse firma hield hem een zak geld voor en Ceesje ging direct overstag. In sportief opzicht werd het een drama, want géén Tourdeelname.
      Anno 2012 is Haast in zijn geboortedorp nog steeds een local hero. Van die status geniet hij.
Kom ik hem tegen, zoals bij de Acht van Chaam, dan begint hij ongevraagd over waarom hij destijds nooit voor BIC had moeten tekenen.
      Vandaar de keuze voor deze foto.

 

 

PIET VAN EST

 

                   

 

Deze foto ontroert me bijzonder.
      Eén van de eerste gesigneerde wielerfoto’s in de brievenbus van Brugstraat 1, Stampersgat. Mijn geboortehuis.
Van wie? Poststempel Fijnaart, een dorpje vijf kilometer verderop.
      Van Piet van Est, de broer van roemruchte Wim, misschien. Het was juni 1961. Ik had Piets adres via het telefoonboek achterhaald.
De reden van mijn verzoek: de magistrale etappezege van mijn buurtgenoot in de Giro.
      In de gang ritste ik de enveloppe open. ”Een foto van Piet van Est,” jubelde ik tegen mijn ouders die in de keuken zaten te eten.
”Zo, zo,” reageerde mijn vader, een man van weinig woorden. ”Piet heeft teruggeschreven.”
      Toch maakte een lichte teleurstelling zich van mij meester. Een foto van Van Est in het Wolber-shirt, terwijl hij zijn Italiaans succes in het tricot van Faema had gerealiseerd.
      Piet van Est (1934-1991) deed zeven keer aan de Tour de France mee.

 

 

JO DE ROO

 

                 

 

Zeeuw in hart en nieren. Iemand met charisma, nog steeds trouwens.
      Omdat hij regelmatig van sponsor wisselde, heb ik een aantal verschillende foto’s van hem. Déze springt eruit.
Jo in de finale van (waarschijnlijk) de klassieker Parijs-Tours, supergeconcentreerd, tong uit de mond.
      Hij bouwde een prachtige erelijst op, met eerste plaatsen in de Ronde van Vlaanderen, de Ronde van Lombardije (twee keer), Parijs-Tours (twee keer) en Bordeaux-Parijs, een niet meer bestaande monsterrit over 600 kilometer.

Een keer of drie per jaar lopen we elkaar tegen het lijf op een wielerfeestje. Hoe is het met die? En met die? Dat soort gesprekken.
      Geen enkele Nederlander kan zo boeiend vertellen over Jacques Anquetil, vijfvoudig Tourwinnaar.
Ik hang dan aan zijn lippen, want Jo behoorde tot de knechten van de Fransman.
      Ook tijdens de Tour zat Anquetil regelmatig tot ver na middernacht te kaarten en champagne te drinken, om veertien uur later iedereen zijn achterwiel te laten zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ontslagen bij de NCRV; waardering bij de VPRO-Radio 


Theo Uittenbogaard (Amstelveen/Nieuwer-Amstel, 10 april 1946) is een Nederlands programmamaker voor radio en televisie. Hij werkt sinds 1965 voor bijna alle grote publieke Nederlandse omroeporganisaties (NCRV, AVRO, VARA, KRO, VPRO, NOS, RVU, Teleac, NPS). Van 1962 tot 1964 levert hij bijdragen aan AVRO's jeugdomroep Minjon, met onder andere een verslag van een optreden in een Haagse voetbalkantine van de totaal onbekende Engelse band The Who. Op 16 juni 1964 presenteert hij eenmalig het televisieprogramma Rooster van de AVRO, waarin de introductie in Nederland van de nieuwe dans 'Ploem Ploem Jenka'.

Na het maken van vele reportages en -documentaires voor de VPRO-televisie, en de regie te hebben gedaan van discussieprogramma's en van muziek- en theatervoorstellingen, zoals het Holland Festival, stapt Uittenbogaard, na knetterende ruzie met Roelof -"jij kan het niet"- Kiers, in 1987 over naar de VPRO-radio, waar hij in 'Het Gebouw' twee jaar bijdragen levert aan de buitenlandrubriek 'NL', één zomer een 'VPRO-radioreis' leidt naar Oost-Duitsland en Polen, en als correspondent tijdens de serie 'Standplaats Lima' in Peru werkt.


In dit hilarische stukje legt hij uit, waarom hij na een bezoek aan Gerard (van het) Reve in oktober 1966 ontslagen werd bij de NCRV.

 

 

Hoc Est Corpus                  

                                                                                                                                                    Voor VPRO’s Diogenes in Genève (1976)


Bovenin het grauw verlichte trappenhuis van een tragisch flatgebouw in een westelijke tuinstad wacht de Volksschrijver mij op. Ik mag hem voor de radio interviewen naar aanleiding van het feit dat hij ontslagen is van rechtsvervolging in een proces, tegen hem aangespannen op instigatie van de fractievoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij ir. C.N.van Dis, wegens 'smalende godslastering op een voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze', alleen omdat hij zich God had voorgesteld als een lief grijs ezeltje, dat hij, voorzichtig, van achteren zou willen bezitten. De Officier van Justitie mr. J.J. Abspoel had daar begrip voor.
       De flat is spartaans ingericht, in de keuken beweegt een leptosome jongeman. Een lichte teleurstelling; ik had mij Teigetje altijd wat meer des tijgers voorgesteld.
       De band loopt.
Het interview verloopt zoals verhoopt. Desgevraagd: "Als Moeder van God, kan Maria -in mythische zin- niets anders zijn dan de Heilige Maagd", allitereert de schrijver, "Maar natuurlijk heeft Zij zich als mens, misdragen met de melkboer. Daar heb ik helemaal geen moeite mee".
      Ik vermoed dat ook deze zin zal sneuvelen in de montage, daar mijn opdrachtgever de Nederlands Christelijke Radio Vereniging is, die ik al met moeite had overtuigd van het historische karakter van een proces-wegens-godslastering en dat de NCRV dat, en de aanstichter ervan -hoewel een Neo-katholiek-, niet kon en mocht negeren in zijn uitzendingen.
      Na het interview nodigt de schrijver mij spontaan uit voor de maaltijd. Het gebodene reflecteert zowel zijn notoire gierigheid, als zijn culinaire kwaliteit; glazige aardappelen, andijvie, waarin zand knarst, en zure rode wijn.
 Op mijn verzoek declameert de schrijver na afloop van de maaltijd sonoor zijn Gedicht voor dokter Trimbos : "'Goedkope wijn, masturbatie, bioscoop', schrijft Céline. De wijn is op, en bioscopen zijn hier niet. Het bestaan wordt wel eenzijdig".
      Ik neem mij voor hierachter een Toccata van Bach te laten losbarsten, in een uitvoering van de organist Feike Asma, om het nog erger te maken.
 Na nog meer wijn, die steeds lekkerder begint te smaken, buigt de schrijver vertrouwelijk over tafel en vertelt: " Nu ging ik afgelopen zondag naar de Heilige Mis in zo'n lelijke katholieke kerk hier in de buurt. En ik dring me zo'n beetje naar voren bij de Heilige Communie. Ik kniel. Ik steek m'n tong uit en ik krijg zo'n ouweltje in m'n mond. Ik sla een kruis. Scharrel snel naar buiten. In de auto. Ik hol de trap hier op. Naar de badkamer. Vul een glas water en schraap die ouwel van m'n gehemelte. Ik laat de hostie in het glas water zakken. -Net een kwakje in het bad.- En zeg tegen Teigetje: "Kijk es: Dit nu, is het Lichaam van Christus ''!


Klik HIER voor alle bijdrages van Theo

 

 

 

 

 

Hollandse jongens in de zandbak

 

 

Rolf Weijburg (Eindhoven, 1952) is etser, kaartenmaker en illustrator.
     
Zijn vele projecten vinden bijna altijd hun oorsprong in de talrijke reizen die hij maakt. Zo resulteerden diverse reizen per auto door de Sahara in het in 1985 bij Ploegsma, Amsterdam uitgegeven boek “Dwars door de Sahara” en werden 15 jaar reizen langs alle eilanden rond Afrika verbeeld in bijna honderd kleuretsen, met het boek “L’Afrique Périphérique” (Petit, Amsterdam 2000) waarin etsen en reisverhalen zijn samengevoegd, als uiteindelijke afronding.
     
Het postproject “Inviting the World at Home” is in 1977 ontstaan vanuit de visie:”Waar Weijburg niet kan komen, komt de post wél.”
In 2009 is het project uitgegroeid tot een (bijna) complete inventarisatie van alle internationale postale links met Nederland en gebundeld in het bij Atlas, Amsterdam uitgegeven 450 pagina’s dikke boek “Inviting the World at Home”. Kaarten, foto’s en teksten: de hele wereld in postaal perspectief.

Sinds 2000 werkt Rolf Weijburg aan een nieuw project: “Atlas of the World’s Smallest Countries” waarvoor hij de wereld afreist en er thuis in Utrecht in zijn atelier een nieuwe serie grote kleuretsen ontstaat.
     
Weijburgs etsen bevinden zich in vele grote museale en bedrijfscollecties en worden veelvuldig geëxposeerd in binnen en buitenland.
Op dit moment tot 19 mei bij Galerie Inkt in de Choorstraat in Delft.

 


Met een 404 pick-up door de Sahara

 

 

In de jaren 80 van de vorige eeuw reed ik enkele winters met een aantal vrienden oude auto’s dwars door de Sahara naar Niger, Benin en Opper Volta (nu Burkina Faso).
      De auto’s waren meestal Peugeots van de types 404 en 504 omdat die toen veruit de meest populaire auto’s in Afrika waren en goed konden worden verkocht.
      De opbrengst was meestal voldoende om de hele reis en de terugvlucht te betalen.
     
Prachtige tochten waren het die vele weken duurden.

In de winter van 1983 kochten we voor dit doel onder andere een mooie 404 Pick-up, een afdankertje van de Firma Verhoeven Centrale Verwarming uit Leende. Op hun website, want Verhoeven CV bestaat nog steeds, staat een oude foto waarop de pick-up nog te zien is.

“Centrale Verwarming” stond ook op de zijkant van de pick-up geschilderd.
     
Mooi gezicht in de Sahara.

 

 

Zuidwaarts naar Niger 


 

Met vijf auto’s reden we naar Napels, namen daar de boot naar Tunis en reden door Tunesië en Algerije dwars door de Sahara zuidwaarts naar Niger.


Temperatuurverschillen

 

 

 Eerst was er nog goed begaanbaar asfalt, maar al gauw was het asfalt door de grote temperatuurverschillen dusdanig kapot dat het makkelijker was om náást het asfalt te rijden.

 

Asfalt

 

 

 

Zigzaggen

 

 

Niet vlak er naast vanwege de vorming van onbegaanbaar “wasbord”, of omdat anderen daar het zand zo diep hadden uitgeploegd dat je er met de lage Peugeots niet meer overheen kon.
      Hoe verder je van het asfalt weg reed, hoe beter begaanbaar het zand was.
Zo zigzagde je naar links en rechts telkens weer even terug naar het asfalt om te kijken hoe de staat van de weg intussen was.
      Niet vergeten of je links of rechts het asfalt had verlaten, want dan zou je zo maar de weg nooit meer terug kunnen vinden…

 

Geen kompas!

 

 


Ploeteren 

 

 

 

 Na Tamanrasset in het hart van de Sahara was er helemaal geen asfalt meer en moest je de weg vinden aan de hand van sporen en balises, herkenningspunten gemaakt van olietonnen of stapels keien.
     
Niemand had eraan gedacht om een kompas mee te nemen.
De landschappen waren altijd spectaculair.
      Eindeloze zandvlaktes, hoge zandduinen, uitgestrekte keienvlaktes en indrukwekkende zwarte bergen.
Vaak was het dagenlang ploeteren in rul diep zand voor een paar kilometer voortgang, of waren er kilometers “wasbord”, keiharde richels zand die dwars op de rijrichting lagen en je het idee gaven dat alles van de auto uit elkaar trilde.

 

Rul diep zand

 

 


Richels

 

 

 

Maar soms ook kon je wel met 120 over harde zandvlaktes scheuren.

 

Scheuren

 

 

 

Duwen

 

 


Bobo-Dioulasso 

 

De 404 pick-up deed het allemaal en kwam na zes weken en bijna 7000 kilometer min of meer ongeschonden tot stilstand tegenover het lommerrijke terras van een populaire kroeg op het postkantoorplein in Bobo-Dioulasso in het westen van Opper Volta.
     
We waren nog met twee auto’s, de J7 bus en de 404 pick-up. De andere wagens waren ergens afgeslagen of onderweg verkocht.
Voor mij was het het einde van de reis. Een Gambiaanse kennis zou het stuur van me overnemen en zou samen met de J7-bus door Mali en Senegal naar Gambia rijden.
     
Warm, bezweet en hunkerend naar een koud Sovobra- biertje stapte ik uit de auto.
Op datzelfde moment kwam vanaf de overkant van het plein een oudere blanke heer op me af gelopen.
      Met grote ogen van verbazing stond hij voor de pick-up stil, spreidde in opperste verbouwereerdheid de armen en sprak met een onmiskenbaar Brabants accent de inmiddels legendarische woorden:

“Godverdomme, bendegij d’r ene van Verhoeven Centraole Verwaoreming!!??”


Hij was een paar dagen geleden aangekomen om zijn zoon op te bezoeken die hier ontwikkelingswerk deed en had zijn hele leven voor Verhoeven Centrale Verwarming gewerkt…
     
De pick-up heeft het uiteindelijk zonder kleerscheuren tot Gambia gehaald. Daar zijn houten bankjes in de achterbak gebouwd en deed hij nog enkele jaren dienst als taxi-brousse, rijdend tussen Banjul, Serekunda en Bakau, waarna hij aan een combinatie van ouderdom en afzien is bezweken.
     
De J7 heeft, ook in Banjul, nog even dienst gedaan als biertransport, maar omdat hij op de piste tussen Kayes en Tambacounda min of meer door midden was gescheurd, heeft-ie dat niet zo lang volgehouden.

 

 

Kinderboek

 

 

In 1985 verscheen bij uitgeverij Ploegsma, Amsterdam een door mijn vrouw Catherine geschreven en door mij geïllustreerd kinderboek “Dwars door de Sahara” waarin deze Sahara tocht uitvoerig wordt beschreven.

 

Het is tweede hands op internet nog te vinden.