Reizen (158)

CARIBEN 

   


Redonda: Een Micro-Natie 

             


(Door Rolf Weijburg)

Redonda (linksonder), het derde eiland van het op 13 na kleinste land ter wereld, het Caribische Antigua & Barbuda, is niet veel meer dan een flinke klomp vulkanisch gesteente in de Caribische zee, amper een vierkante kilometer in oppervlak, desolaat, onbewoond, onbebouwd en nagenoeg ontoegankelijk.
      Toch wordt het eiland door sommigen gezien als een onafhankelijk koninkrijk en betwisten meerdere koningen elkaar op internet de troon.

You can’t be a real country unless you have a beer and an airline. It helps if you have some kind of a football team, or some nuclear weapon, but at the very least you need a beer.”  zei Frank Zappa ooit en als hij gelijk heeft valt Redonda dus af, dat is duidelijk.

Maar wat moet een land nou wél hebben om onafhankelijk te zijn?
      Een gebied met grenzen eromheen is niet genoeg, ook niet als er een soort overheid is, of een eigen bevolking, of een leger. Nationale paspoorten dan, postzegels, kentekenplaten, vlaggen? Ook niet genoeg, net zo min als een luchtvaartmaatschappij, een voetbalteam, een kernbom of een bierbrouwerij.

Lidmaatschap van de VN? Alleen onafhankelijke landen zijn lid, dat klopt, maar dat betekent niet dat niet-leden niet onafhankelijk zijn. Zwitserland werd pas in 2002 lid bijvoorbeeld terwijl het voor die tijd toch echt ook al onafhankelijk was.
      Het is eigenlijk heel eenvoudig: een land is onafhankelijk als het door alle andere onafhankelijke landen als dusdanig wordt erkend.

Zo zijn er tussen de 191 en 195 onafhankelijke landen in de wereld. Afhankelijk van aan wie je het vraagt, omdat er vier landen zijn die niet door alle VN lidstaten worden erkend: Kosovo, Palestina, Taiwan en West Sahara.
      Behalve die 195 zijn er nog landen die slechts door enkele VN Lidstaten worden erkend: Abchazië, Zuid-Ossetië en Noord-Cyprus zijn de facto onafhankelijk. Deze landen erkennen op hun beurt weer landen die niemand anders erkent zoals Transnistria en Nagorno Karabakh. Dan hebben we nog Somaliland, dat alleen door een aantal internationale organisaties wordt erkend.

Scrollen we verder naar beneden dan wordt het vaag en mistig en komen we in de buurt van de zogenaamde micro-naties waaronder ook Redonda valt.        .


How to start

Micro-naties hebben zich eenzijdig onafhankelijk verklaard maar worden door geen enkel ander land of internationale organisatie erkend. Het zijn vaak ludieke creaties ontsproten uit hardnekkige jongensdromen waarin de wens om vorst te zijn, heerser over een eigen land, despoot of weldoener verwezenlijkt kan worden.
      De territoria waar de heersers over regeren variëren van obscure achterkamertjes tot abstracte en virtuele werelden, van een hutje in de woestijn, een vergeten eiland, tot een stukje van het zonnestelsel, of een internetsite. Allemaal met veel bravoure en gevoel voor vorstelijk of militair theater onafhankelijk verklaard en voorzien van “nationale” parafernalia als vlaggen, paspoorten, eigen geld en postzegels. Vaak zijn het meer conceptuele kunstprojecten  dan politieke entiteiten.

De Rotterdamse Kunststichting organiseerde in 1983 een mooie tentoonstelling  “Imaginaire Landen” waar een flink aantal van deze “landen” acte de présence gaven, en vorig jaar nog was er nog een Micronations fotoreportage tijdens BredaPhoto.

Lonely Planet bracht in 2006 zelfs een eigen reisgids uit over deze micro-naties.


Prinsdom PRP

Jarenlang was ikzelf ook heerser over mijn eigen land, het Prinsdom PRP - naar mijn “bedrijfsnaam” Prodotti-Rodolpho-Productions -,  dat niet meer dan mijn eigen lichaam omvatte.
      Handig, want daardoor was ik, waar ik ook ging, altijd thuis.

 

Ik verstuurde post met mijn eigen PRP-postzegels en iedere keer als ik weer een nieuw tweedehands autootje had gekocht plakte ik daar een zelfgemaakte landensticker op : PRP in plaats van NL.
      Ik reed heel Europa door en nooit gebeurde er wat, maar toen ik in 1981 mijn Fiat 127 fout parkeerde aan de Boulevard Sébastopol in Parijs en een bekeuring kreeg waarop stond dat de auto een buitenlands, een PRP- kenteken had, bereikte de internationale erkenning van mijn Prinsdom een hoogtepunt.

   

De meeste micro-naties worden eerlijk gezegd niet erg serieus genomen. Ze komen en gaan en zijn te ludiek om een wezenlijke bedreiging voor andere staten te vormen en worden daarom gedoogd of gewoon genegeerd. Toch zijn er een aantal waar je in de loop der jaren niet meer omheen kunt doordat ze net iets verder gaan en hun aanwezigheid irriteert of jeukt als een wondje in de huid van een onafhankelijke staat.
       De Minerva Republic waarover ik eerder in deze blog schreef, was een serieuze doorn in het oog van Tonga en werd min of meer in de kiem gesmoord. Maar er zijn er meer.

SEALAND

Een voormalig militair platform voor de Engelse kust nabij Harwich, VK


SEBORGA
.



Een Prinsdom in de Ligurische Alpen boven San Remo, Italië.


HUTT RIVER PROVINCE

   

Het op één na grootste land van het Australische continent, in de outback van west Australië.

Het gaat te ver om deze micronaties hier nu te bespreken. Google ze, en een intrigerende wereld van jongensboekenromantiek, heldhaftig-  en halsstarrigheid doordrenkt met een gezonde dosis grootheidswaanzin, gaat voor u open.

De postzegels die deze drie micro-naties uitgeven worden niet door de UPU erkend, maar toch is het gelukt om van ieder van hen een postkaartje toegestuurd te krijgen.
Ik bezit ook een postkaartje met postzegels én een poststempel uit Redonda. Geheel en al UPU ondersteund verstuurd en afgeleverd.  Antigua & Barbuda Post gaf namelijk enige tijd postzegels uit van Redonda. Ik had ze ooit wel eens gezien en vroeg me af of deze zegels ook echt te gebruiken waren.

   

En ja, hoewel er geen postkantoor is op Redonda, geen brievenbus en geen postbeambte, geen inwoner zelfs, kon je vanuit overal in Antigua & Barbuda post versturen met Redonda postzegels.

Behalve vanuit Redonda dus.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1998

‘Weet u dat er nog maar één ander land in de wereld double landlocked is?'

Londen-Tasjkent

"Het eten wordt ieder jaar beter’, zegt de man naast mij vergenoegd. ‘Vindt u ook niet?’
      Even wilde ik zeggen: ’dan moet het de vorige keren wel erg slecht zijn geweest’.
Maar dat zou niet beleefd zijn. Dus ik zeg: ’Ik zou het niet weten, want dit is de eerste keer dat ik met Uzbekistan Airways vlieg‘.
      De jongeman naast me is een jaar of 25. Hij is mager, pikzwart haar, een gebruind gezicht en donkere spleetogen. Hij draagt modieuze kleren en reist kennelijk regelmatig met deze maatschappij. Dit moet een geslaagde Oezbeek zijn.

      We zijn op weg van Londen naar Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan in Centraal Azië .
      Hij heet Jevgeni. 
     ‘Maar dat is toch een Russische naam?’
Hij legt het me allemaal uit. Zijn ouders zijn Oezbeken. Ze gingen in 1966 naar Moskou nadat hun huis bij de aardbeving in Tasjkent instortte. Alles verwoest. Alles kwijt. Ze moesten wel. ‘Ik ben in Moskou geboren. Ze gaven mij een Russische naam, omdat Oezbeken in Moskou gediscrimineerd worden. Ik ben vernoemd naar Jevgeni Onegin, u weet wel uit die roman van Alexander Poesjkin. Heeft Tsjaikovski nog een opera van gemaakt'.

GEORGIA STATE UNIVERSITY

Jevgeni studeert al vier jaar economie aan de Georgia State University in Atlanta USA. ‘Ze noemen me daar Jef ’. Hij is wel eens naar een honkbalwedstrijd van de Braves geweest, maar begrijpt de spelregels niet. Basketbal vindt hij leuker. En ja; het kan heel warm worden in Atlanta.
      Zijn ouders wonen weer in Oezbekistan. Het werd na het uiteenvallen van de Sovjet Unie steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Zijn vader -een taxi-chauffeur- kreeg steeds minder werk, omdat de Russen elkaar de mooiste klussen toeschoven. En zijn moeder werkte als schoonmaakster in zo’n groot staatshotel. Maar daar was steeds minder werk omdat de toeristen liever naar moderne hotels gingen of een huisje in het centrum van Moskou huurden.

Zij gingen terug naar Tasjkent en Jevgeni, die een uitstekend student was, kreeg een beurs van de Oezbeekse overheid. Hij moet het geld wel terugbetalen en heeft een soort morele verplichting om terug te gaan als hij afgestudeerd is. 
      ‘Maar ik weet niet of ik dat doe. Amerika bevalt me namelijk uitstekend. En ik heb een vriendin. Ze komt uit Puerto Rico. Wat moet zij daar? En als ik in Amerika een baan heb kan ik die lening ook veel sneller terugbetalen. Bovendien: ik spreek geen Oezbeeks. Mijn ouders hebben mij in het Russisch opgevoed. Ze spraken zelden Oezbeeks met elkaar. Durfden ze niet‘.
      Hij tast in zijn tas en haalt een scriptie te voorschijn. Een verhandeling over de huidige stand van de economie in Oezbekistan.
En dan: ’Wilt u dit hoofdstuk eens lezen. En er een mening over geven’. 
      Ik kijk hem aan. ’Dat wil ik wel doen, maar ik ben geen econoom en ik ga voor ’t eerst naar Oezbekistan’. 
      ‘Daar gaat het niet om. Het gaat om ‘t principe’.
Ik lees het hoofdstuk en denk:‘ Waarschijnlijk heeft hij gelijk’.

DOUBLE LANDLOCKED  

De theorie van Jevgeni is de volgende: Oezbekistan is -in zijn termen- een double landlocked country. Je moet altijd door minstens twee landen om bij een zeehaven te komen. ( De Kaspische Zee is een groot soort binnenmeer en telt niet mee).
      Dat is slecht voor de exportpositie. Oezbekistan is in potentie een rijk land. Olie en vooral gas is er volop. Maar olie of gas per tankauto door twee andere landen naar een zeehaven brengen is verschrikkelijk duur. De aanleg van pijpleidingen evenzo. Bovendien moet je dan toestemming van die andere landen krijgen. Turkmenistan bijvoorbeeld. 
      “Weet u wel wat voor achterlijk land dat is? 
      Als die toestemming geven moet je kapitalen betalen. En dan nog worden vrachtwagenchauffeurs slachtoffer van corruptie. Overheid, politie, iedereen is daar corrupt‘.
      ‘Landbouwproducten hebben we ook. Katoen. Graan. Maar ook daarvoor geldt dat het allemaal zeer duur wordt als het geëxporteerd moet worden. 
      Weet u dat wij prachtige juwelen hebben. Kleding. 
      We zouden zoveel meer kunnen als we maar niet double landlocked waren.’

   

Als we nog zo’n uurtje moeten vliegen zegt hij:
      ‘Weet u dat er nog maar één ander land in de wereld is dat double landlocked is? 
      ‘Nee Jef, dat weet ik niet’.
      ‘Welk land denkt u?’
Dat moet ik kunnen bedenken want ik kijk al mijn leven lang op kaarten en in atlassen. 
      ‘Geef me even‘, zeg ik en ga de continenten langs. 
      Noord, midden en Zuid Amerika. Paraquay? Nee natuurlijk niet. 
      Afrika dan. Centraal Afrikaanse republiek? Rwanda? Oeganda? Nee. Nee. Nee. 
      Azie: Bhutan? Nee. Grenst aan China. Tadjikistan ook. 
      Europa. Tsjechië ? Hongarije? Luxemburg? Nee. Nee. Nee.

      ‘Weet je ‘t zeker Jef?’ 
      ‘Ja’ zegt hij. 'Ik heb het precies nagegaan‘. 
      ‘Nou ik ben benieuwd‘.

Dan komt het antwoord:

            LIECHTENSTEIN.

 

(Eerder geplaatst  28-03-'07)

 


CARIBEN

      


Het Eiland van Te Veel Koningen


Linksonder: Redonda    

(Door Rolf Weijburg)

Enkele fregatvogels vlogen met ons mee terwijl het lage Barbuda rap achter de golven verdween. Antigua, het veel hogere hoofdeiland van het op 13 na kleinste land ter wereld Antigua & Barbuda, presenteerde zich al wat wazig aan de einder. De zee was rustig, de wind was goed, de catamaran was in zijn element. De dag zeilde voorbij.  Af en toe jaagde een roofvis een school vliegende vissen uit het water en vlogen tientallen zilveren vliegtuigjes over de golven  – de vissen doen me altijd denken aan die kleine plastic vliegtuigjes die je vroeger had, met twee opwindbare vleugeltjes – en soms kwamen ze op het dek terecht.

We naderden Antigua. In het zuidwesten zagen we de rokende kegel van Montserrat, een Brits Overzees Gebied dat al sinds 1995 leidt onder vernietigende vulkaanuitbarstingen. Maar iets ten noorden daarvan zagen we nóg een eiland. Veel kleiner dan de andere eilanden in de omgeving.


“Redonda”, kleurets van Rolf Weijburg

   

Daar lag Redonda.
      Hoewel het eiland vlak bij Montserrat ligt en dicht bij Nevis, werd Redonda in 1967 het derde eiland (als we de satellieteilandjes rondom Antigua niet meerekenen) van de staat Antigua & Barbuda. Onbewoond maar met “historie”.
      Het eiland meet amper twee kilometer bij vijfhonderd meter en reikt op het hoogste punt net onder de driehonderd meter. Er is weinig vegetatie. Er wonen niet zo veel vogels meer, er zijn ratten en een bijzondere hagedis. En er zijn geiten. Mensen zijn er niet. Het eiland is bijzonder steil en rotsig en er aan land gaan kan alleen met grote moeite en bij uiterst kalm weer.

   

 

King Felipe

Toch was Matthew Dowdy Shiell, een handelaar en prediker uit het naburige eiland Montserrat, er aan het einde van de 19e eeuw ooit eens aan land geweest en had zich bij die gelegenheid tot Koning van Redonda uitgeroepen. Het eiland werd in die tijd bewoond door maar liefst honderdtwintig arbeiders die er de stinkende guano, fosfaatrijke vogelpoep, zeg maar kunstmest, van de rotsen schraapten.
      Een onmogelijke plek om te wonen en werken gezien het feit dat er nauwelijks een stukje vlak land te vinden is. Er was een steiger aangelegd via welke de guano verscheept kon worden. De lucratieve guanowinning duurde voort tot aan het begin van de Eerste Wereld Oorlog. Toen werden de activiteiten gestaakt en vertrokken de arbeiders.

Daarna heeft eigenlijk niemand zich meer om Redonda bekommerd. Ook Matthew Phipps Shiell, na acht dochters de eerste en enige zoon van Matthew Dowdy, die op vijftienjarige leeftijd tot King Felipe, King of Redonda was gekroond, niet echt.
      Matthew Phipps Shiell verhuisde in 1885 naar Engeland en werd als M.P. Shiel (de tweede L verdween ergens onderweg) een bekend auteur van fantasy en science fiction boeken.

                       

 

King Juan I

Bij zijn dood in 1947 ging zijn literaire nalatenschap over naar zijn Londense uitgever, de dichter John Gawsworth die ook, als King Juan I, de titel Koning van Redonda erfde.
      De nieuwe koning was bijzonder verguld met zijn titel en vertelde iedereen die het maar horen wilde over zijn nieuwe positie. Hij zette Redonda’s hoogste punt als King Juan’s Peak op de kaart en op zijn schoorsteenmantel  bewaarde hij een koekjestrommel met wat as van M.P.Shiel  waarvan hij bij gewaardeerde gasten een klein schepje door de thee roerde.

Maar Koning Juan I was ook een fervent drinker, en dan heb ik het niet over thee. In zijn stampub “The Alms” in Londen sloeg hij menige pint achterover. Zoveel zelfs dat hij aan lager wal raakte en met titels begon te strooien: in ruil voor een avondje doordrinken in de Pub, kon je zodoende al gauw een Redondaanse adellijke of prinselijke titel van hem krijgen.
      Hij zette advertenties in de krant waarbij hij het hele Koninkrijk te koop aanbood, inclusief de titel Koning van Redonda  en zo kon het gebeuren dat er eind jaren negentig wel tien Koningen van Redonda waren (en een Koningin) die allemaal aanspraak maakten op de troon. King Juan II, King Bob the Bald, King Leo, Queen Maggie, King Xavier, om er maar een paar te noemen.  Op internet vind je nogal wat sites waar de diverse koningen elkaars titels betwisten. Bedriegers en charlatans zijn het!

King Bob the Bald

Sommigen bleven op de achtergrond, anderen waren actief en gedecideerd om het Koninkrijk op de wereldkaart te zetten. King Bob the Bald bezocht het eiland en plantte er de nieuwe Redondaanse vlag.

Bij die gelegenheid verklaarde hij:

“… Thus a new Kingdom, friendly to all, especially Cuba, Bhutan, and the islands of Antigua and Barbuda, has appeared in the Caribbean. We intend to be an easy-going, benevolent monarch, strict but fair. For a modest fee not even approaching princely prices We will be available to launch boats, nudist beach clubs, and bar mitzvahs...”

Daar is allemaal vooralsnog weinig van gekomen.

 

Consulaat

Koning Bob zette zich in 2007 samen met kroegbaas Robert Beech, die hij voor de gelegenheid tot consul had benoemd, in om zijn stamkroeg The Wellington Arms in Southampton tot Consulaat van Redonda om te dopen.
      Een prettige bijkomstigheid was dan dat een consulaat geen kroeg was en ook geen openbare gelegenheid, maar een plek met diplomatieke buitenlandse status die buiten de lokale wetten valt waardoor het nationale rookverbod in Engelse pubs en restaurants mooi omzeild zou kunnen worden.

Maar de verzoeken werden afgewezen. 

 

King Michael the Grey

Bij zijn dood in 2009, liet Koning Bob de koninklijke titel na aan King Michael the Grey, die zijn vlag plantte op Redonda en op Antigua werd gekroond, bij welke gelegenheid hij de Gouden Bol (een goud geverfde ananas) en de Scepter van Dienst (een goud geverfde suikerrietstengel) ontving.

Toch niet niks zou je zeggen, maar het geruzie over wie er nou écht de Koning van Redonda is, gaat gewoon door.

 

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 


Een kolonie Fregatvogels

   


(Door Rolf Weijburg)

Codrington is maar een klein plaatsje.
      Bijna de voltallige Barbudaanse bevolking woont er, zo’n 1600 mensen in 2005.

   

Zandstraatjes en lage huizen.
      Een postkantoor en een brandweerauto, een ziekenhuisje, een kerk en een kapper.

Kapper

   

Auto’s waren er natuurlijk ook, veel four wheel drives, maar nogal wat mensen verplaatsten zich per paard of ezel.

Boys & donkeys

   

Afgezien van een klein guesthouse waren er geen hotels in Codrington in 2005. Het hele eiland telde slechts twee hotels, allebei in het zuiden en allebei sjiek en exclusief.
      De gasten werden er binnengevlogen via een privé airstripje en kwamen zelden of nooit verder dan het strand.
Toch biedt Barbuda meer dan zijn superbe stranden: het is de thuisbasis van de grootste fregatvogelkolonie op het westelijk halfrond.


Barbuda Stamps Fregatvogel

   

Fregatvogels zijn grote vogels. Meer dan een meter lang, een lange snavel met een vervaarlijke haak, gevorkte staart en lange, smalle puntige vleugels met een hoekige knik die een spanwijdte van ruim twee meter kunnen bereiken. In de vlucht doen ze wat denken aan de prehistorische pterodactylus.

Het zijn fantastische vliegers. De fregatvogels uit het Indische en Stille oceaangebied kunnen wekenlang in de lucht blijven, maar de soort die hier en op de Galápagos voorkomt, de Magnificent Frigate, keert over het algemeen ’s avonds weer terug naar land.
      In de tussentijd kunnen ze afstanden van ruim 300 kilometer afleggen speurend naar prooi, (vliegende) vissen en weekdieren, die ze van het wateroppervlak oppikken.
      Fregatvogels kunnen niet duiken of zwemmen omdat hun veren niet waterafstotend zijn, dus hebben ze zich ontwikkeld tot kleptoparasieten: liever dan zelf vis te vangen en het risico te lopen dat ze in zee terechtkomen en verdrinken, jatten ze vis van anderen. Vooral sterns, jagers en genten zijn de klos. De fregatvogels gaan er achteraan in spectaculaire achtervolgingen, net zo lang tot de slachtoffers uit pure wanhoop hun net gevangen vis laten vallen en de agressor in acrobatische duikvluchten de lekkernij handig opvangt voordat die in zee valt.

Mooi zijn ze, fascinerend en majestueus, maar met zijn kleptoparasietale karakter kan je je toch afvragen of het wel zo verstandig was om de vogel tot National Bird of Antigua & Barbuda te maken.


Aaron

   

Aaron liet zijn buitenboordmotor eens flink brullen en draaide zijn boot met veel bravoure richting Codrington Jetty om ons op te pikken.
      Hij was één van de jongens die ons op straat in Codrington aanklampten met het voorstel om ons naar de fregatvogelkolonie te varen.

Fregatvogel excursies waren handel op Barbuda.

De kolonie die uit meer dan vijfduizend vogels zou bestaan, bevond zich op de met mangrove begroeide oevers en eilandjes in het noorden van de grote lagune, in het Codrington Lagoon National Park, waar behalve de fregatvogels ook nog een grote hoeveelheid andere vogelsoorten leefde.
      We stoven noordwaarts over het brakke water van de grote lagune.

Magnificent Frigate Birds
   

Het was niet moeilijk om de kolonie te vinden. Van veraf al werd boven de lage horizon van de noordelijke oevers van de lagune een enorme wolk vliegende vogels zichtbaar. Toen we dichterbij kwamen en de met mangrove begroeide oeverlijn openbrak in inhammen en eilandjes, konden we de kolonie ook ruiken: een soort gaslucht, een beetje zwavel met een volle vissige touch vulde de lucht, de lucht die vol was met vliegende, zwevende, cirkelende en duikende fregatvogels.
      Aaron schakelde de buitenboordmotor uit en het derde zintuig vulde zich met de kolonie. Gekras, geklepper en gepiep, anders kan ik het eigenlijk niet omschrijven. Het lawaai voegde zich bij de stank en het sierlijke schouwspel van de majestueuze vliegende vogels.


Magnificent Frigate

    

 

Frigate Colony

We peddelden dichterbij en nu werd ook het sedentaire deel van de kolonie goed zichtbaar:  werkelijk overal waar je keek scharrelden vogels tussen het groene loof. De jonge vogels met hun witte koppen nieuwsgierig uit het mangrovegebladerte koekeloerend, de vrouwtjes op hun hoede en een enkel mannetje dat, nu aan het eind van het seizoen nog, met zijn knalrode opgeblazen keelzak op de valreep een overvliegend vrouwtje probeerde te versieren.

“How many frigate birds are living here, Aaron?”

“Ah, many many more than Barbudans in Codrington, Sir.”  

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 


Omstreden zandwinning op arm eiland

   

 

(Door Rolf Weijburg)

Vanaf zee is Codrington, de “hoofdstad” en enige nederzetting van Barbuda, onderdeel van de Caribische natie Antigua & Barbuda, per boot eigenlijk niet te bereiken. Kijk maar op de kaart. Het plaatsje ligt aan de binnenkant van Barbuda’s grote lagune en de enige doorgang van die lagune naar open zee in het noorden, is een gevaarlijke route vol ondiepten, koraalbanken en mangrovewouden en wordt derhalve alleen gebruikt door Barbudanen met kleine motorbootjes, die de weg kennen.
      We lagen voor anker midden voor het prachtige bijna 20 kilometer lange Palm Beach en besloten de dinghy naar het strand te varen en het vaartuigje over het zand van de hier nog geen honderd meter brede landstrook te trekken en dan de lagune over te steken naar Codrington.

Dinghy

   

Het strand was maagdelijk onberoerd zover het oog reikte. Zo’n 10 kilometer naar het zuiden echter, buiten het zicht van dit kleine gezelschap met hun dinghy, was datzelfde strandzand al jarenlang onderwerp van ergernis, vijandigheid, ongerustheid, rechtszaken, politieke intriges en grove verrijking.


Zandafgravingen

   

Bij Palmetto Point is al sinds eind jaren zeventig van de vorige eeuw een grootscheepse zandafgraving aan de gang. Het is de grootste industrie op Barbuda en het zand wordt gebruikt voor allerlei bouwprojecten op Antigua, voor het ophogen en perfectioneren van zijn door toeristen zo gekoesterde stranden en voor de export naar andere Caribische eilanden. Er wordt enorm veel geld mee verdiend, dat in de zakken van Antiguaanse en Amerikaanse ministers, bedrijfsbonzen en bankiers verdwijnt.

Geen Barbudaan die er rijk van is geworden.

De Barbuda Council heeft bij diverse gelegenheden haar ongenoegen uitgesproken, resoluties opgesteld, protest aangetekend en geprocedeerd, maar het afgraven ging gewoon door. Een tien jaar durende rechtszaak zette uiteindelijk weliswaar een drietal grote jongens van het Amerikaans-Antiguaans zandwinningbedrijf achter de tralies, maar die kwamen na een maand weer vrij en het afgraven ging gewoon door.
      Barbuda ontving nauwelijks geld en het eiland bleef een onderontwikkeld backwater, zonder bijvoorbeeld verharde wegen terwijl er wél een asfaltweg werd aangelegd speciaal voor de vrachtwagens die het gewonnen zand vanaf Palmetto Point naar het haventje bij Martello Tower moesten vervoeren.
      Ondertussen hadden allerlei onderzoeken aan het licht gebracht dat de zandwinning na al die jaren nogal wat gevolgen had voor het ecologisch evenwicht in het gebied. Stromingen veranderden en het fragiele Barbuda, één van de laagste eilanden in de Oostelijke Cariben, kalft af op plekken en met een snelheid die vroeger ondenkbaar was. Voeg daar de klimaatverandering aan toe en allerlei worst case scenarios bieden zich aan. Toch blijft de zandwinning, ook vandaag nog, onverminderd doorgaan.

De macht van het geld, de wereld in een notendop.

   


De Oversteek

Ondertussen sleepten we met z’n vijven als Caribische Fitzcarraldo’s de dinghy in de schaduwloze hitte over het zand naar de top van het lage duin, tussen de dorre struiken door en weer naar beneden tot aan de rand van de lagune. Het was gelukt. We duwden het bootje het water in, gingen aan boord, startten de buitenboordmotor en zetten koers naar de jetty van Codrington, een kilometer of twee verderop aan de overkant van de lagune.

Er stond een flinke wind die de lagune vulde met korte steile golfjes die algauw over de randen van de laag in het water liggende dinghy begonnen te slaan. We moesten vaart minderen, maar tegelijkertijd begon het opeens nóg harder te waaien en stortte een plotselinge heftige regenbui zich precies over de lagune van Barbuda uit.
      De overkant was door de regen nog maar nauwelijks zichtbaar. Het bootje liep vol. We waren nu midden op de lagune en moesten uit alle macht hozen om te voorkomen dat het bootje zich geheel met regen- en lagunewater zou vullen en ten onder ging.
      Ik denk niet dat iemand ons gezien heeft, maar het moet er toch wel interessant hebben uitgezien: een dinghy met een vijftal heftig hozende figuren, die in de stromende regen midden op een soort meer in een eiland in de Caribische zee, langzaam en steeds dieper in het water voortvoer.


Arawak Indianen

   

Absolute amateurs, mietjes, waren we natuurlijk vergeleken met de Arawak indianen die rond het begin van onze jaartelling in hun kano’s helemaal vanuit Zuid-Amerika de Caribische eilanden koloniseerden en zich ook op Barbuda settelden. Ze werden rond 1200 verdreven door krijgslustige Carib indianen uit Dominica en Saint Kitts. Toen in 1666 de eerste Britse kolonisten een nederzetting stichtten op het eiland werden die dan ook regelmatig door Carib indianen aangevallen.
      Honderd jaar later waren de meeste indianen vermoord (tegenwoordig wonen er alleen op Dominica nog een paar duizend Caribs in armoede in een reservaat) en was Barbuda door een lease van de Britse Kroon een soort privé eigendom van de rijke van oorsprong Britse Codrington familie geworden. U begrijpt nu ook de naam van de ”hoofdstad”.


"Slavenkwekerij''

De Codringtons bezaten grote suikerrietplantages op Antigua en op Barbados. Barbuda werd gebruikt als bevoorradingsstation waar cassave en maïs verbouwd werd en vee gehouden, katoen geteeld en gereedschap gefabriceerd. Rond 1780 graasde er 400 stuks vee, waren er 8000 schapen, 2000 geiten, honderden paarden, ezels en muilezels en was er veertig hectare landbouwgrond. 
      Barbuda was een groot bedrijf waar alle arbeid werd verricht door een paar honderd slaven die de Codringtons uit West-Afrika importeerden. Of het slechts plannen waren of de macabere realiteit was, is niet helemaal duidelijk maar hardnekkige geruchten houden vol dat de familie er op Barbuda een soort “slavenkwekerij” op na hield waar slaven werden “gekweekt” voor de export naar Antigua en Barbados …

De Codringtons leasden het eiland tot 1870, ver na de afschaffing van de slavernij, waarna Barbuda een dependency van Antigua werd.


Gered

Het kleine gezelschap dat vanaf Palm Beach met de bijna zinkende dinghy de regen en golven van de lagune trotseerde, ploeterde al hozend tergend langzaam voort.
      Maar ze redden het.

Eenmaal bij Codrington jetty aangekomen, hield de regen abrupt op en was er niets anders dan strak blauwe lucht boven Barbuda alsof er nooit iets was gebeurd.
      Als verzopen katten klauterden we aan wal.

   

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh