Reizen (140)

 

             


Exorbitante schoonheid

    


(door Rolf Weijburg)

Ik denk niet dat het heel veel met mij te maken heeft, maar sinds mijn verblijf in Palau in 2007 is het toerisme er explosief toegenomen. Chinezen hebben Filipino arbeiders grote hotels laten bouwen waar sindsdien heel veel Chinezen zijn komen logeren die door Filipino personeel bediend werden. Chinezen, Zuid-Koreanen, Taiwanezen, Japanners en Amerikanen, allemaal komen ze voor óf de tastbare overblijfselen van de oorlogsellende, óf de exorbitante schoonheid van Palau’s eilanden. Het intens groene oerwoud, het kristalheldere water, de stranden, de spectaculaire snorkel- en dive-sites, of het Jellyfish Lake.
      Het wordt druk in Palau.

  

Maar ook om andere redenen brokkelt het paradijs een beetje af.


Jellyfish Lake

  

Palau’s grootste trekpleister, het Jellyfish Lake, een bijna geheel met kwallen verzadigd zoutwatermeer waar je in kunt zwemmen, sterft af. Waren er in november 2015 nog ruim 8 miljoen kwallen, eind vorig jaar waren het er nog hooguit 600.000. Meest jonge kwallen, de grote, oudere exemplaren bleken te zijn verdwenen. Enkele touroperators hebben hun bezoeken aan het meer onlangs gestaakt, omdat toeristen steeds vaker niet één kwal meer tegenkwamen.
      De oorzaak wordt in de schoenen van El Niño geschoven, het periodiek terugkerend fenomeen van opwarming van bepaalde delen van de Stille Oceaan dat wereldwijde klimaatveranderingen teweeg brengt. In Palau is het de afgelopen jaren warmer dan ooit en heeft het nog nooit in het 65 jarig bestaan van haar meteorologische dienst, zó weinig geregend.

Het Jellyfishmeer is daardoor zouter dan ooit geworden.

Over het algemeen zorgt Palau goed voor het milieu. Het land wordt gezien als een leider in de strijd tegen milieuvervuiling en klimaatverandering in de regio. Stemmen gaan nu op om het Jellyfishmeer voor alle publiek te sluiten om zo de kwallen de kans te geven deze moeilijke periode te boven te komen. Een gevoelige beslissing omdat deze zeker weerslag zal hebben op ’s lands grootste kostwinner: het toerisme. Ook het feit dat er eind vorig jaar algemene verkiezingen waren heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen, dat het nemen van die beslissing werd uitgesteld. Hoewel er niet zo veel meer te zien is, blijft het meer dan ook vooralsnog voor het publiek toegankelijk.


Politiek

In de presidentsverkiezingen won de zittende president Tommy Remengesau van zijn rivaal en zwager Surangel Whipps. Het verschil in stemmen was maar 255, zelfs met de slechts 16000 stemgerechtigden van het land nog een nipte overwinning.
      Naast de president werden ook een vicepresident, 13 nieuwe senatoren en 16 nieuwe leden voor het Huis van Afgevaardigden gekozen. Die 16 zetels in het Huis van Afgevaardigden zijn voor vertegenwoordigers uit ieder van de 16 federale staten van het land.

  

Het zijn allemaal staten met heel weinig inwoners. Om een idee te geven: de hele staat Melekeok op het grote eiland Babeldaob waar het gehucht Ngerelmud is uitgeroepen tot nieuwe hoofdstad met een kopie van het Amerikaanse Capitool als regeringszetel, heeft slechts 300 inwoners.
      Alleen in de staten Airai in het zuidoosten van Babeldaob en in Koror waar de gelijknamige, vroegere hoofdstad ligt, wonen meer dan duizend inwoners (respectievelijk 2500 en 11500).

  

 

Tobi

Op de dag van mijn vertrek uit dit op 15 na kleinste land ter wereld toen ik buiten het vliegveldgebouw op een houten bankje in de schaduw zat te wachten op mijn vlucht, kwam een man van typisch Palauaans postuur naast me zitten. We raakten aan de praat.
      Hij kwam van het eilandje Tobi, vertelde hij trots en liet me de tekst zien die achter op zijn T-shirt was geprint. TOBI stond er in dikke donkerrode blokletters, als ware het een bedrijfsnaam.

                       

“Where is Tobi?”, vroeg ik en pakte mijn kaart erbij.
      De man twijfelde geen moment en wees naar het aller zuidelijkste eilandje helemaal aan de onderkant van de kaart.


Eenzaam lag het daar, samen met het naburige onbewoonde Helen Reef, slechts drie vierkante kilometer groot en achthonderd bijna lege oceaankilometers verwijderd van de rest van het land.
      “Dat is heel ver weg!”zei ik. “Hoe kom je daar?”
      “Dat moet je regelen”, zei hij mysterieus.
      “Maar wie woont daar nou? En hoeveel mensen dan?”
      “They’re all my brothers and sisters.”
Ik weet niet of hij het letterlijk of overdrachtelijk bedoelde maar in totaal waren het er 23 die overigens ook nog n’s een eigen taal spraken, het Ramarih Hatohobei, een taal die niemand anders in Palau verstond.

Er was geen haven, alleen een strand. Een vliegveld was er ook niet, daar was het eiland te klein voor. Maar toch was Tobi op een bepaalde manier ook weer groot.


 Het kleine eiland Tobi vormde namelijk, samen met het onbewoonde Helen Reef, één van de zestien federale staten van Palau. The State of Hatohobei. Het had, net als de andere staten, een gekozen vertegenwoordiger op een zetel in het Huis van Afgevaardigden daar in dat Palauaanse Capitool midden in de jungle van Babeldaob.
      Een staat waar één op de 23 inwoners volksvertegenwoordiger was.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

De slag om PELELIU

           


(Door Rolf Weijburg)

Auntie Margaret pruimde een betelnoot. Samen met haar vriendin Evelyn zat ze in kleermakerszit in de schaduw van het met palmbladeren beklede puntdak van een grote Abai. De noten bewaarde ze samen met een klein sierlijk bakje fijngemalen koraal en een zakje met wat tabak (de ideale mix voor puur betelgenot) in een elegant handtasje van gevlochten riet dat naast haar lag. Terwijl Diane een omeletje voor me maakte, vroeg Auntie Margaret me de oren van het hoofd.
      Margaret was een nieuwsgierige vrouw. Ze was ook grappig, praatte voortdurend en had slimme heen en weer schietende ogen. Al die dingen contrasteerden eigenlijk een beetje met haar mollig Micronesische relaxedheid. Ze was dertig jaar lang stewardess voor Continental Airways geweest, runde op het eiland nog een winkeltje, maar was eigenlijk met pensioen. Ze had van haar salaris een groot huis van twee verdiepingen kunnen bouwen, één van de weinige op Peleliu. Het stond achter ons aan de rand van het strand op een terrein vol bloemen en palmen. Aan de zijkant van het huis vond ik een aantal in karton en plastic verpakte grote pakketten. Er stond een plaatje van een jacuzzi op.

“Jazeker”, zei Diane, “dat is een echte jacuzzi. Helemaal compleet en gloednieuw. Nooit gebruikt. Er zit ook een hele sauna bij. Ligt hier al een jaar of vijf, schat ik.”

Een jaar of vijf terug zag een Filipijns bedrijf in sauna’s, jacuzzi’s en sjieke badkamers een gat in de markt in Palau. Het bedrijf vloog wat mooie voorbeelden van zijn handel naar Koror, waar het een tijdelijke verkooptentoonstelling inrichtte. Maar de handel viel tegen en na een maand was er niet één product verkocht. Vervelend, mede omdat er daardoor onvoldoende geld was om de uitgestalde sauna’s e.d. terug te vliegen naar de Filipijnen.
      Auntie Margaret was er als de kippen bij en kocht een sauna en jacuzzi voor een spotprijs. De grote pakketten werden een paar dagen later in haar tuin gedumpt, maar de installateur was inmiddels naar de Filipijnen teruggevlogen. Op Palau zijn helaas geen jacuzzi-installateurs en Auntie Margaret eiste dat de man terugkeerde om de boel te komen installeren. Maar die wilde dat ze eerst zijn retourticket betaalde en, tja, dát weigerde Auntie Margaret …

And so it is that Palau’s only jacuzzi and sauna remain unpacked …”

Diane schudde afkeurend haar hoofd.

  

Auntie Margaret (links) en haar vriendin Evelyne

We gingen op pad. In Margaret’s Toyota pick-up reden we het eiland in. Margaret achter het stuur, Evelyne er naast en Diane en ik in de achterbak. Lekker uitwaaien, want God wat was het heet.
      Peleliu, zo mooi en vredig als het er nu uitziet, was ooit het toneel van één van de meest bloedige en gruwelijke slagen uit de Tweede Wereldoorlog. De Slag om Peleliu werd aan het einde van de oorlog, najaar 1944, uitgevochten en duurde twee en een halve lange, vreselijke maanden.
      We stopten bij een klein museum dat was ingericht in een enorme bunker die tijdens de oorlog het Japanse commando huisvestte.
Het museum lag vol met verroest oorlogsmateriaal: mitrailleurs, helmen, bajonetten, geweren.

  

Er waren foto’s en artikelen uit Japanse en Amerikaanse kranten en reproducties van schilderijen vol gruwelijke taferelen van een Amerikaanse kunstenaar. Ook zag ik bebloede hoofddoeken met Japanse teksten, die de soldaten meekregen van thuis voordat ze zich ten strijde begaven. Alles lag en hing er een beetje verwaarloosd bij, iets wat alleen maar bijdroeg aan het gevoel van zinloosheid.

      We reden verder over dit prachtige eiland. Door een dichte jungle met hier en daar kleine taro- of bananenplantages.

“Weet je eigenlijk hoe het komt dat de meeste eilandbewoners hier in redelijk luxe huizen wonen en het over het algemeen financieel best wel goed hebben?” vroeg Diane.

Ik had er niet zo over nagedacht, maar nu ze het me zo vroeg, nee, ik had geen idee.

“De meeste mensen hier hebben, verstopt in de jungle, kleine veldjes waar ze marihuana verbouwen. Niemand weet waar ze liggen, zelfs onder elkaar vertellen de eilanders niet waar hun planten groeien. Maar eens in de zoveel tijd wordt er geoogst en wordt de wiet vervoerd naar Guam waar het clandestien aan de Amerikanen wordt verkocht. Het is dé bron van de relatieve welvaart van Peleliu. Een publiek geheim in Palau, maar nog nooit is er onderzoek naar geweest.”

De wegen waren in redelijke staat en dateerden nog uit de oorlogstijd toen ze door de Japanners waren aangelegd. Het waren er veel, kriskras over het eiland. Het eiland lag er vol mee. Ook het flinke en vooral brede vliegveld stamde nog uit de Japanse tijd. Overal groeide onkruid en ik kon me nauwelijks voorstellen dat er hier nog vliegtuigen landden. Maar dat was wel degelijk zo: Palau Air onderhield een paar keer per week een vlucht op het eiland. Tegenwoordig wordt die service aangeboden door Pacific Mission Airways dat als slogan “Serving Jesus Christ” heeft.

“Op woensdag komt het vliegtuig uit Koror hier aan het begin van de avond. Dan branden er lampjes tussen het gras langs de landingsbaan.”
      Even dacht ik dat Diane er romantisch van werd.

  

Misschien was dit vliegveld wel één van de oorzaken van de Slag om Peleliu. In een in 1944 nieuw ontwikkelde Amerikaanse strategie zou het eiland een belangrijk bruggenhoofd moeten worden voor de opmars naar Japan. Eerst Peleliu, dan de Filipijnen, vervolgens via Taiwan op naar Japan, was het plan. Peleliu, met zijn vliegveld, moest als eerste worden veroverd.
      Het begon met bombardementen. Duizenden bommen wierpen de Amerikanen af over het eiland. Het vliegveld werd verwoest, de jungle brandde af en de huizen werden platgebombardeerd. In een vlaag van barmhartigheid hadden de Japanners de lokale bevolking gelukkig overgebracht naar de noordelijke eilanden Koror en Babeldaob. Toen de Amerikanen de bombardementen na enkele dagen staakten verschenen schepen langs de kust van waaruit een paar duizend man de ooit paradijselijke stranden van Peleliu bestormden. Het eiland was letterlijk platgebombardeerd, er was geen tegenvuur geweest en de Amerikanen verwachtten weinig weerstand.

Maar de Japanners waren van tactiek veranderd. Ze hadden zich ingegraven in een gigantisch complex van tunnels en schuilkelders die ze hadden uitgegraven in het relatief zachte kalksteen van de met jungle overgroeide bergen en heuvels. Het hele eiland was ondergraven. 11000 man, nauwelijks aangetast door de zware douche van bommen van de afgelopen dagen, had zich stil gehouden en wachtte verscholen in hun tunnels de Amerikanen op.
      Het werd een strijd van apocalyptische proporties. In de twee en een halve maand die de gevechten duurden kwamen 11.000 Japanners en bijna 2.000 Amerikanen om het leven. Nog eens 8.000 Amerikanen raakten gewond of vermist.
      En om het allemaal nog zinlozer te maken dan oorlog sowieso al is, gaven de Amerikanen later toe dat de hele slag om Peleliu van geen enkel belang is geweest voor de laatste fase van de oorlog …

  

Op het aller-zuidelijkste puntje van het eiland kwamen we bij het Peace Memorial Park waar een groot monument was gebouwd ter nagedachtenis aan de gevallenen. Het stond op een prachtige plek met in de verte zicht op het eiland Angauer. Dit kleine eiland ligt net buiten de gigantische lus van koraal waarbinnen bijna alle Palauaanse eilanden liggen, zodat je sterke stromingen moet trotseren om er te komen.

It looks close by, but it takes ages to get there!”, zei Diane. “De 250 inwoners van het eiland zijn er in een lange strijd verwikkeld met groepen apen, afstammelingen van twee makaken die ooit door Duitse kolonisten aan land waren gebracht. Het zijn de enige apen in heel Micronesië. Ze eten krabben. De eilanders ook. Van daar.”

  

Margaret draaide de auto en we reden weer noordwaarts, langs Orange en White Beach waar de Amerikanen destijds aan land waren gekomen, het binnenland in tot aan een klein parkeerterrein waar een tank lag weg te roesten in het gras.
      Wat verderop stak de loop van een mitrailleur dreigend uit de jungle.

  

Een in de aarde uitgegraven trap leidde tegen de berg op. Dit was Bloody Nose Ridge, de bergrug waar na zware gevechten de Japanse kolonel Nakagawa op 24 november 1944 na twee en een halve maand weerstand de Japanse vlag verbrandde en harakiri pleegde. Zich overgaf, kortom.
      Er stonden Amerikaanse en Japanse monumenten en het uitzicht was fenomenaal.

Ongelofelijk wat een ellende zich hier toen moet hebben afgespeeld.
      Hier op deze plek, waar nu het woord “liefelijk” het enige was dat me te binnen schoot.

  

In het eindeloze gangenstelsel binnen in de berg onder ons hebben 34 Japanse soldaten zich, angstig om door de vijand te worden ontdekt en onbewust van het feit dat hun kolonel zich had overgegeven of zelfs dat een paar maanden later de hele oorlog was afgelopen, nog twee jaar - tot april 1947- schuilgehouden …

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

De dag van het Israëlische bombardement

Het gezelschap praat even niet over de komende verkiezingen. Maar over Feyenoord, dat het toch niet gaat redden en Mosul dat weer in handen komt van het Irakese leger.
      Mosul dus.
Ik laat vallen dat ik er wel eens geweest ben. Lang geleden alweer. We waren anderhalve dag in Irak en toen werd het 7 juni 1981. Eén van de meest beladen dagen in de geschiedenis van het land. Op die dag namelijk werd een kerncentrale bij Osirak in de omgeving van Bagdad gebombardeerd door Israël. Het land verkeerde in een enorme chaos.

Ik was daar met Roel van Broekhoven. Wij gingen voor de VPRO-Radio de wereld rond zonder geld. Wij waren het team donker & interessant en namen het op tegen het team jong & blond bestaande uit Ton van der Graaf en Jan-Willem Dolk. Het werden gedenkwaardige en populaire radioprogramma's met ongekend hoge luistercijfers. Af en toe word ik er zelfs ruim 35 jaar later nog over aangesproken.


Mijn gedachten dwalen af. Ik zie Willem weer voor me daar in Istanbul. Een Nederlandse vrachtwagenchauffeur.

      Hij vervoert 36 ton elektronische apparatuur voor een bedrijf in Mosul in het noorden van Irak.
      ‘Ga mee’, zegt hij, ‘ga gerust mee’.
Willem heeft blikjes Nederlands voedsel bij zich en draait onafgebroken het Nederlandse levenslied. We slapen in de auto en doen in Ankara onze ambassade aan, waar de ambassadeur persoonlijk in één dag een visum voor Irak regelt.
      ‘Ik heb ze laatst nog enorm uit de brand geholpen’, zegt hij in keurig diplomatenjargon.
      ‘Kwestie met een paar Koerdische boys. Hoogste tijd dat ze iets terugdoen. Hoogste tijd’.

Op het lege platteland van Anatolië zingen we liederen.’Met de vlam in de pijp’. En: ‘Hou je echt nog van mij Rocking Billy?’ Voor de grens Turkije-Irak staat een rij vrachtauto’s van ongeveer twee kilometer.
      ‘Wacht maar’, zegt Willem; ‘ik regel dit wel even’.

Wij lopen langs de rij. Hij stapt op een douanier af en we verdwijnen in een hokje. Hij geeft hem een fles whisky, een slof sigaretten en een stapel pornoboekjes.
      ‘Harde porno willen ze tegenwoordig hebben. In kleur’.
Wij lopen terug en kunnen de rij met voornamelijk vrachtauto’s uit het Oostblok ongehinderd passeren.

Wij rijden door Mosul. Een bouwput aan de rand van de stad. Willem levert zijn spullen af. Hij gaat weer naar huis, maar wil wel helpen. want we willen door naar Bagdad. Hij stapt op een Roemeense vrachtwagenchauffeur af.
      ‘Hé colleague. How are you man? You want a drink?’
Hij reikt hem een fles water aan, waarin hij citroensap spuit. Laat hem ook nog een fles whisky zien.
      ‘Ga je naar Bagdad? Wil je mijn vrienden naar Bagdad brengen’?


Bloedhitte aan de Tigris

Het heet Tikrit. Geboorteplek van Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met Saladin, de moslim-leider die Jeruzalem veroverde op de kruisvaarders en er ook vandaan kwam. Een stadje aan de lieflijke licht groene Tigris. Het trilt en schittert in de bloedhitte.
      Twee mannen in uniform gewapend met machinegeweren stormen op de vrachtwagen af. We moeten mee. Dreigementen. Gebaren met handboeien. Paspoort in beslag genomen. Ze zien daar Isra
ël staan.
      ‘’Ben jij een Jood?’’, vragen ze.

Ik begrijp niet waarom ze dat vragen dus zeg ik “’Hoezo’’.
       Ze vragen het nog een keer. ‘’Nee. Ik ben geen Jood’’.
De sfeer is uiterst gespannen. Vijandig. En het wordt nog erger als ze in het paspoort van collega Roel een visum voor Iran vinden. Irak is immers op dat moment in oorlog met dat land!

     
Ze kijken weer naar onze paspoorten. We worden in een soort celletje gezet. Af en toe komt er iemand langs.
Het is intimiderend en angstig.
      Even zijn we bang dat onze wereldreis een heel somber eind gaat krijgen.

Maar na een uur of drie geven ze onze paspoorten terug, nemen ons mee naar buiten en houden een personenauto aan.

     


In de auto zitten twee Fransen die voor Total werken.

     

      ‘Heeft u het al gehoord?’
     
      ‘Nee!
      'Wat zouden we gehoord moeten hebben?’
     
      ‘Israël heeft die kernreactor bij Bagdad gebombardeerd!’
     
      ‘Israel?’ 
      ‘Iran zult u bedoelen’. 
     
      ‘Non. Les Juifs.
      'Israël is met straaljagers binnengekomen en heeft bommen gegooid’.

Een paar uur later bereiken we Bagdad. Alom controles. Schreeuwende mensen. Chaos. Het is pikdonker. Geen elektriciteit. Overal in de lucht hangen ballonnen. Dat is -verzekert men mij- tegen een nieuwe aanval. 
     
De volgende ochtend word ik gebeld door een collega van mijn omroep. Ze zijn door de ambassade op de hoogte gesteld. Hij vindt dat ik zo snel mogelijk voor ‘onze radio’ het verhaal van die gebombardeerde kernreactor moet vertellen,

      ‘Jullie zijn waarschijnlijk de enige buitenlandse journalisten in Bagdad. Iedereen wil jullie in de uitzending. De televisie ook. BRT, BBC noem maar op. Ze hebben daar niemand’. 
      ‘Tja! Ik ben hier net. Die reactor ligt hier zestig kilometer vandaan. Overal zijn versperringen. Ik kan daar nooit in de buurt komen. Jullie weten waarschijnlijk meer dan ik’.
      ‘Dat geeft niet. Jullie zijn daar en kunnen een ooggetuigenverslag geven. Beschrijf gewoon de sfeer’.
      ‘Oké. Ik zal een ooggetuigenverslag geven’.

Tien minuten later al komt het onvermijdelijke cliché:
      ‘Hoe is daar in Bagdad op gereageerd?’

Ik hoor mezelf weer in staccato praten.
      Dat de situatie in Bagdad uiterst gespannen is.
      Dat er chaos heerst.
      Dat er ter afschrikking ballonnen in de lucht hangen
      Dat men roept om wraak.
      Dat de officiële lezing is, dat het niet ging om een kernreactor maar een speelgoedfabriek.
      Dat die ochtend in een krant een foto staat van ernstig gewonde kindertjes en dat ''de Joden'' daar              verantwoordelijk voor zijn.

Mosul dus. We zijn er doorheen gereden.
      Zelfs op de dag dat het land gebombardeerd werd door een vijandige mogendheid kon dat.
Nu is dit volkomen uitgesloten. Sinds oktober vorig jaar zijn 200.000 mensen gevlucht.
      Anderen leven ondergronds en hebben een tekort aan alles. Er heerst hongersnood.
Gevangengenomen burgers dienen als menselijk schild.

 

Ga voor foto's , beschrijvingen, krantenartikelen, reacties en de uitzendingen van de wereldreis naar

                                  deze site van het VPRO-Radioarchief

 

 

 


                

 

Een avond in Kloulklubed


(Door Rolf Weijburg)

De boot vertrok. Op het dek bijna uitsluitend vrouwen, kletsend of verdiept in de krant en betelnoot kauwend.
      De zee was prachtig, de eilanden, de lucht, wat was alles mooi.

  

We voeren zuidwaarts vanuit de haven van Malakal in Koror, langs de Rock Islands naar Peleliu.
      In grootte het derde eiland van Palau en één van de zestien staten van dit op 15 na kleinste land ter wereld.

       

De tocht aan boord van dit vrachtschip, de “Odesangel-dil”, dat eigendom was van de staat Peleliu, duurde zo’n drie uur.

  

We voeren langzaam want het was laag water aan het worden en de kapitein moest voorzichtig door de gebakende kanalen tussen de vele ondieptes door manoeuvreren.
      Grote vlaktes fel wit koraalzand kwamen droog te liggen.
Ik zag reigerachtigen op het drooggevallen koraal, aalscholvers op boomtakken, pelikanen traag vliegend nét boven het water.

  

 

MAYUMI

We voeren het kleine haventje in. Ik stapte van boord en ontmoette onder het op palen gebouwde havengebouwtje Mayumi, de rijkste man van Peleliu. Een wat slonzige man met een paar overgebleven stompjes tand in zijn mond, die vrolijk heen en weer leken te dansen. Knalrood van het vele betelnoot kauwen.
     
We stapten in zijn pick-up en reden over een betonnen weg het eiland op. Al snel werden we omgeven door het intense groen van dicht oerwoud. Enorme bomen, palmen, struiken vol bloemen en hier en daar een veldje waar de grote puntige bladeren van de taro plant uit de rode aarde staken. We reden langs de elementary school en het graf van een president die tijdens de jarenlange onderhandelingen met de USA zijn ideeën over het Compact-verdrag met de dood moest bekopen.
      Al snel kwamen we bij een langgerekte verzameling redelijk goed onderhouden en ruime huizen. Dit was Kloulklubed, de hoofdstad van Peleliu, een dorp met 800 inwoners. Aan de rand van het dorp had Mayumi een supermarkt met een klein guesthouse erbij. De kamers waren wat benauwd, maar geen nood, Mayumi had nog een andere overnachtingsmogelijkheid een eindje terug het dorp in.

      “Wait for Anna, she has the keys.”

Anna was een aardige Filippijnse vrouw die na een uurtje kwam aanfietsen. Als galante Hollander nam ik haar achterop en samen fietsten we het dorp weer in tot aan een winkeltje dat ook eigendom van Mayumi was. Een houten trap leidde langs de buitenkant van het gebouwtje naar een verdieping met een balkon rondom een prachtige kamer. Met badkamer, een klein keukentje en een traag draaiende ventilator. Een waar appartement. Voor 22 dollar per dag huurde ik de plek voor een aantal dagen.
      Beneden in het winkeltje zat Aktar achter de toonbank, een Bangladeshi nota bene, een moslim, die zich hier ongelofelijk verveelde. Eén andere Bangladeshi woonde er nog op het eiland, vertelde hij, en samen telden ze hun geld op en de dagen af tot op het moment dat ze genoeg verdiend hadden, het nieuwe huis in Bangladesh af was, de kinderen naar school waren geweest en ze de lange terugweg naar huis konden betalen. Hoe hij hier ooit verzeild raakte was een lang verhaal, zei hij, maar “when I finally got here, I looked and looked and looked and in the evenings I cried and cried and cried.


HEREMIETKREEFT

  

De dag was bijna voorbij en ik liep terug naar het guesthouse. Er sprongen enorme padden de betonnen weg over en grote landkrabben kropen in de vallende duisternis richting zee. Bij gebrek aan een passende schelp had een heremietkreeft een glazen jampotje geadopteerd en ook hij kroop zeewaarts. Grote vleermuizen landden onhandig met veel kabaal in de bomen.
      Anna had een mooie maaltijd voor me klaar staan in een eetzaaltje met aan de wanden halfvergane foto’s van Japanse vissers met hun buit. De tafels, een stuk of zes, waren allemaal aan elkaar geschoven. Ik was de enige gast.

Toen ik later weer terugliep naar mijn kamer boven de winkel was het donker. Nog steeds schoven de grote krabben en padden over de weg maar nu lagen er ook overal honden op het warme wegdek. Dikke mensen hingen languit op de “abai’s” - van bamboe of takken gemaakte plateaus op palen met een afdakje erboven- voor hun huizen. Iedereen groette vriendelijk.


AKTAR
   

Toen ik bij mijn winkeltje aankwam, zat Aktar achter de toonbank onder een enkel peertje naar de TV te kijken. Achterin het winkeltje zat Mayumi aan een tafeltje bankbiljetten te tellen. Op de onderste treden van de buitentrap die naar mijn kamer leidde hing een groepje mannen. Ze hadden ieder een aangebroken sixpack Asahi, Japans bier, bij zich en zagen eruit alsof ze voorlopig niet zouden vertrekken. Lege blikjes en chipszakjes lagen her en der in het gras. Ik kreeg direct een blikje aangeboden, de mannen schikten zich een beetje en maakten een plaatsje voor me vrij op de trap.

      De dikste van mijn nieuwe vrienden was Wil, een goedlachse jongen van in de twintig met een perfect rond hoofd. Dan was er Wiseman, een stille veertiger met tatoeages en een haarband als een zeerover en Simo die in Japan had gewerkt en aan één stuk door praatte en dronk. Charlie, ook al van omvangrijk formaat en met een torenhoog kroeskapsel, was niet helemaal goed, of misschien wel dronken en stoned tegelijk. Hij reed af en toe op een oranje kinderfietsje een rondje rond het winkeltje. En dan was er nog Old John, een oude dikkerd zonder tanden die zonder iets te zeggen op de grond tegen de muur zat en alleen maar dronk.

      Ik kocht een sixpack bij Aktar (voor wie het allemaal bijdroeg aan zijn ellende: als moslim veel te veel bier verkopen aan veel te dronken mensen.) en toen ik weer buiten kwam had zich een magere vrouw, pakweg 35, opgestoken zwart haar, grote donkere zonnebril op en een joggingpak aan, bij de mannen gevoegd. Ik bood haar ook een blikje bier aan, maar ze zei: “Thanks, but I only drink coffee and Diët Coke.” Dat laatste verkocht Aktar ook.


DIANE

Ze stelde zich voor als Diane. Ze was Palauaanse met een Amerikaanse vader en een Palauaanse moeder, maar was geboren op Guam en had op Saipan op school gezeten, in Amerika gestudeerd, ontmoette daar een Noor en verhuisde naar Noorwegen. Naar Stavanger. Haar ouders scheidden, zij kreeg een zoon en scheidde ook. Vertrok met haar zoon naar Hawaï waar haar moeder inmiddels woonde, maar het boterde niet en twee jaar geleden was ze, zonder zoon, naar Palau teruggekeerd. Nu werkte ze hier als Ranger, op zee rondom de zuidelijke Palauaanse eilanden op zoek naar illegale visserij - vooral Taiwanese schepen kwamen hier nogal eens illegaal haaien vangen - en vervuilers.

      Op de trap was Wiseman inmiddels voorover over Simo heen gezakt en beide mannen probeerden hun zware lichamen weer met veel gevloek enigszins overeind te zetten.

        Diane had veel familie op het eiland. Neven en nichten, halfbroers en -zussen, achterooms en tantes, maar ze hield zich liever afzijdig. Ze voelde zich anders na dat leven ver weg en sprak de moeilijke lokale taal niet helemaal perfect. Er was maar één iemand op Peleliu die ze echt kon vertrouwen. Dat was haar grootste vriendin, Auntie Margaret, bij wie ze was ingetrokken.

“Waarom kom je morgenochtend niet even bij haar op het ontbijt, ze woont vlak naast de supermarkt. She’ll be glad to meet you!” Ze stond op, gaf me een hand en trok in het voorbijgaan een plastic fles met oranje spul uit de zak van Old John, die onderuitgezakt tegen de muur in slaap was gevallen. “Hier, moet je ruiken. This is what he drinks: pure alcohol! Tot twee keer toe hebben we deze man al eens met spoed naar Koror moeten varen omdat hij zich in zware dronkenschap ernstig verwond had!” Ze gooide de fles weg en liep vloekend de duisternis in.

      Mijn vrienden hadden inmiddels gewoon door gedronken, maar het gebral was voorbij en had plaatsgemaakt voor de berustende en onvoorwaardelijke overgave aan de dronkenschap. Ik wenste iedereen goodnight en baande me een weg tussen de ingezakte lichamen door naar boven, naar mijn kamer.

      Toen ik midden in de nacht opstond om te gaan pissen, keek ik even vanaf het balkon naar beneden. De trap was leeg maar in het zwakke schijnsel van een enkele lantarenpaal zag ik het oranje kinderfietsje van Charlie midden op de weg liggen. Zijn enorme lichaam lag ernaast. Ik hoopte maar dat hij slechts in slaap was gevallen.

  

De volgende ochtend waren Charlie en zijn fietsje verdwenen. Er lag geen grote rode vlek op het wegdek, dus ik denk dat alles goed is afgelopen. Aktar had zijn winkeltje allang weer open. Hij had menig inwoner van Kloulklubed al diverse gezinszakken chips kunnen verkopen, standaard ontbijt voor velen in Peleliu en één van de redenen waarom Palau in de lijst van obesitas-landen steevast in de top tien staat.
      De ochtend was alweer ver op weg, de zware hitte had iedereen naar de schaduw teruggedrongen.

Ik liep de trap af de zon in en ging op zoek naar Auntie Margaret.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1993

Het verdriet van Jolande

Wij zijn nog geen tien minuten in de lucht, de gordels zijn net los en de eerste consumptie moet nog komen. De mevrouw naast me is bleek. Ze is ook nerveus. Laat de tas vallen als ze die in het bagagedepot wil leggen. ‘’Sorry’’, zeg ze.
      Het KLM-toestel zit vol. We zitten in het middendeel van de Economy-Class. Vijf stoelen. Zij zit aan het gangpad, ik ernaast. Collega Klaas Vos zit in het midden. We gaan naar Larnaca Cyprus, maar maken een tussenstop in Athene.

‘’Sorry’’, zegt ze nog een keer. ‘’Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’.

Zo. Dat heb ik weer. Altijd in vliegtuigen.
       Ik kijk haar aan. Een jaar of 45/50. Vrij lang. Volslank. Verzorgd gekleed.
‘’Ik ga naar mijn zuster’’, vervolgt ze. ‘’Zij heeft me uitgenodigd om bij te komen. Ze woont al heel lang in Athene. Ik kan goed met haar opschieten. Daar kan ik uithuilen’’.

      ‘’Ik zal me even voorstellen’’, zegt ze. ‘’Jolande. Niet Jolanda. En mijn psychiater heeft me aangeraden om er vooral niet over te zwijgen. Praat er maar over, zei hij. Als je een willig oor vindt, kan dat geen kwaad’’.

‘’Ik ben een willig oor, Jolande. Wat is er gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’’.

      ‘’Het begon zes jaar geleden. We waren nog niet eens zo lang samen. Hevige buikpijn. Krampen. Niets meer binnen kunnen houden. En het ergste: bloed in de ontlasting’’.

Ze praat monotoon. Legt vrijwel nergens klemtonen. Kijkt mij ook nauwelijks aan, maar staart voor zich uit.

‘’De huisarts verwees hem nadat hij zijn klachten had verteld direct naar de maag-darmspecialist. Er volgde een darmonderzoek, waarbij ze weefsel wegnamen. En toen ging het snel, want hij had kanker. Dikkedarmkanker’’.

Ze wendt zich even terzijde. Neemt mij op en lijkt zich af te vragen hoe ver ze kan gaan.

‘’Wil je iets drinken Jolande? Ik haal wel even wat’’.

“Nee’’, zegt ze. ‘’Hij moest geopereerd worden. Ze moesten de buik openen en de tumor weghalen. Lymfeklieren en bloedvaten in die buurt moesten ook weg. De specialist legde het goed uit. Ik was erbij. Dat was in zekere zin wel prettig. Maar mijn vriend had 't er moeilijk mee. Hij was zijn hele leven al een hypochonder. En nu was het echt zo ver. Eigenlijk nog in de bloei van zijn leven. 45 jaar. Hij vroeg zich direct af of hij dit allemaal zou overleven. Maar daar kon die dokter natuurlijk ook geen uitspraak over doen. We zijn er redelijk vroeg bij, zei hij. Dat scheelt. Maar nogmaals; een voorspelling kan ik niet doen’’.

‘’En?’’, vraag ik. ‘’Hoe ging die operatie?’’

‘’Goed’’, zegt ze. ‘’Heel goed. Na een tijdje ging hij weer werken en werd een beetje vrolijker. We hadden veel aandacht voor elkaar, want kinderen hebben we niet. Eigenlijk hadden we een hele mooie tijd’’.

Ze zegt het met enige reserve. En ik weet dat er meer komt. Veel meer en nog veel meer ellende.

‘’Ik ga even een drankje halen’’.

We vliegen al zo’n twee uur. Nog anderhalf uur. Zij gaat daar de tijd mee volmaken. Ach, als het haar helpt wil ik daar graag aan meewerken. Zij heeft intussen bedacht dat ze mij ook maar eens wat moet vragen dus: ‘’Je gaat naar Cyprus. Wat gaan jullie daar doen? Vakantie?’’

‘’Nee. We gaan naar Nicosia en gaan ook naar Noord-Cyprus. Een radioprogramma maken over de laatste Muur in Europa’’.

Maar ze luistert nauwelijks en gaat direct weer door. Dreunend. Repeterend. Alsof ze in een soort trance is.

      ’Na twee jaar kreeg hij weer klachten. Het was teruggekeerd. Hij werd opnieuw geopereerd. Maar nu waren er complicaties. Een stoma. En die moest blijven. Verder kon hij nauwelijks eten. En toen kreeg hij na een tijdje ook nog een longontsteking. Het was vreselijk allemaal. Hij zag het niet meer. Wilde het liefst dat er maar een eind aan kwam. En ja. Wat moet je dan?’’

      ‘’En?’’, zeg ik. ‘’Wat moest je?’’

‘’We gingen weer naar die specialist. Om te informeren of er nog iets te redden viel. Hij zei dat chemotherapie nog een mogelijkheid was. Niet om te genezen, maar om het hele proces te verlichten. Een soort palliatieve behandeling. Maar dat zou ook bijwerkingen kunnen geven”.

Ze kijkt naar buiten. Merkt dat het toestel aan het dalen is. En zegt

‘’Enfin. Hij heeft dat laten doen. Maar er waren bijwerkingen. Veel bijwerkingen. Geen kwaliteit van leven meer. En zo hebben we er op ’t laatst een eind aan laten maken. Iedereen zegt altijd dat zoiets wel mooi is. Nou, Ik vond er geen moer aan. Geen rooie rotmoer’’.

     

    Uit: Stranger than paradise

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh