Reizen (140)

 

Hilarische verwikkelingen in Turkije

Mijn oud VPRO-collega Dini Bangma maakte met haar Engelse vriendin Joan en twee net getrouwde Franse mannen een all-inclusive reis naar Turkije. Het werd een bijzonder uitstapje met curieuze verwikkelingen. Hieronder haar verslag.


All-inclusive met Imca Marina


(Door Dini Bangma)

In het blad Groei en Bloei zat een envelop met een aanbieding voor een tweeweekse vakantie naar Turkije, helemaal persoonlijk aan mij gericht! Een brief met veel kleurige foto’s en heel veel verbijsterende berekeningen waaruit bleek dat mijn reis maar 500 euro zou kosten en ik wel 1300 euro zou besparen! Week 1 een rondreis door het ‘betoverende’ Cappadocië, week 2, all-inclusive verwennerij in een 5 sterren hotel in Antalya.

Ik belde mijn Engelse vriendin Joan, die in Frankrijk woont. Wij gaan al 10 jaar samen rond 4 april op vakantie omdat ik dan jarig ben. Binnen een week hadden we deze reis ‘die u zichzelf niet wilt ontzeggen’ geboekt en ook haar twee vrienden Patrick en Denis (twee Franse mannen, net getrouwd) zouden meegaan.

OP 31 maart vertrokken we vanaf Schiphol richting Antalya, ‘s Avonds sliepen we in een enorm hotel waarbij het zwembad al begon bij de eetzaal en via allerlei kronkelwegen uitmondde op het strand. Een kolos, dat hotel, maar dat zwembad en de bijbehorende enorme tuin, prachtig! En de zee zo blauw als een schitterende edelsteen. Dat beloofde wat voor week 2!

Week 1 was prachtig, ongelofelijk mooi landschap, compleet met ballonvaart (niet in de all-inclusive inbegrepen), dansende Derwishen (wel inbegrepen en 2 uur lang knikkebollen), een excursie naar een tapijtfabriek (jawel, 2 tapijten gekocht), sieraden- en leerfabriek, nee dank u, wij gaan niet mee naar binnen. Heel veel hele aardige Turken en iedere avond een buffet met wel 100 gerechten! Ongelofelijk hoe zoveel eten naar zo weinig kan smaken.

Teruggekomen in Antalya na een rondreis van 7 dagen werden we vervoerd naar onze eindbestemming, 45 km buiten Antalya….. We kwamen op een compound waar nog meer hotels stonden, eentje in de vorm van het schip The Queen Elizabeth, een soort kopie van het Chrysler Building, eentje met gouden torens en nog veel meer architectonische uitspattingen. Dit was niet het hotel van de eerste avond.

De helft van de hotels stond leeg en zou ook leeg blijven, wegens de ingestorte toeristenindustrie, geen Russen, angst voor aanslagen. De ontvangst in het hotel bestond uit een lezing van een onverstaanbare gids en we moesten nog een uur wachten op onze sleutels. We gingen buiten het hotel kijken, we moesten onze polsbandjes laten zien om van het terrein af te mogen. De uitbaters van de winkeltjes in slippers en souvenirs en nagemaakte tassen “Real Genuin Fake’ hingen voor hun winkeltjes, restaurants waren gesloten, toen we eindelijk een restaurantje hadden gevonden en we om Doner vroegen zei de restauranthouder ‘no tourists, no Doner’. Dat werd sla en brood. Zelf eten kopen (en vooral drinken zoals wijn) en meenemen in het hotel mocht niet, je tassen werden gecontroleerd door voornoemde bewaker. Bij het zwembad moesten 220 mensen een plekje vinden op de 80 stoelen waarvan er maar 20 in de schaduw waren, de tuin bevatte geen zitjes onder de net aangeplante bomen. Het strand was nog niet open, dus geen bedjes met parasols en mannen met dienbladen vol cocktails. De bus kwam 1x per uur om naar Antalya te gaan, buiten de compound zou geen dorpje zijn om te gaan eten. Kortom, je bent veroordeeld tot de all-inclusive en na week 1 konden we geen buffet meer zien en Joan zei : This is my idea of hell.

Zij ging zich verdrinken in de Hammam, ik ging op mijn kamer op het bed liggen met uitzicht op het parkeerterrein en bedacht 7 boeken te gaan lezen in 7 dagen. Patrick en Denis dropen af naar hun kamer. Na een uur kwamen ze met Het Grote Ontsnappingsplan: een romantisch pension huren in het oude Antalya, met een prachtige tuin, zelf kunnen kiezen waar je kunt eten. De kamers waren al gereserveerd, de taxi om ons terug te brengen naar de Echte Wereld stond al klaar! 2 uur resort was meer dan genoeg!

Wij vervoegden ons bij de receptie om onze sleutels terug te geven en te zeggen dat we niet terug zouden komen. De hotelmanager werd erbij geroepen; U heeft alles al betaald, u kunt helemaal niet weg!

Wij: we hoeven ons geld ook niet terug, wij willen hier gewoon weg, het is hier te druk! Hij: maar in Antalya wonen 1,5 miljoen mensen, daar is het pas druk. U kunt hier helemaal niet weg, uw groepsbus is hier niet meer? Wij: wij kunnen zeker weg, met een taxi!
      Hij: hoe kunt u hier weg willen? Het is hier een paradijs! 5 sterren all-inclusive ! U hoeft nergens over na te denken!
    
Joan: This is exactly what I mean, it’s my idea of Hell!
     
Hij: waar gaat u dan eten? Gaat u dan Turks eten? Wij: precies! dat is wat wij willen, echt Turks eten!

Hij stond er verbijsterd bij met onze sleutelkaarten in zijn hand. Onze nieuwe vriend, de taxichauffeur redde ons door te vragen waar we bleven!

En daar kwamen we aan in ons droompension! In een prachtige oude stadswijk, Kaleici, waar auto’s niet in mogen, met uitzicht op de oude huizen, de bergen en de zee, met romantische kamertjes en een dakterras, ontzettend aardig personeel, 7 schildpadden in de tuin vol bomen en zitjes en een zwembad voor onszelf en we mochten onze eigen wijn in de koelkast zetten, zelf de keuken en servies gebruiken, Antalya lachte ons toe! De ontspanning kon beginnen!

Eindelijk in de tuin een boek lezen, in de zon, in mijn nieuwe badpak! Ik kreeg het een beetje warm, ik kreeg een beetje pijn op mijn borst, alsof ik een enorme steen had ingeslikt, ik kreeg nog meer pijn op mijn borst, het voelde of iemand een band aandraaide. 10 minuten later zat ik in een taxi met de vrienden naar een ‘private hospital’ (much better!) Ik dacht, ik krijg een hartaanval, dit is het dan, net 58, ouder geworden dan mijn moeder en dan sterven in Antalya.
De misstappen uit mijn leven flitsten voorbij, ik kreeg enorme spijt van veel. In het ziekenhuis aan de monitor, bloeddruk 2x te hoog, infuus in de arm, prikken in de andere arm, de cardioloog aan het bed. Een Duitse tolk die niet van mijn zijde week, en niet terug naar mijn romantische kamertje. De nacht in een privé-suite met een dakterras dat groter was dan het hele pension, uitzicht vanaf de 8e etage over Antalya, het vieste eten dat ik ooit at, een allerliefst meisje dat ieder uur naar me kwam kijken. De ANWB- alarmcentrale aan de lijn, ik stamelde; maar ik ben helemaal niet met de auto, de stem aan de andere kant zei, blijft u vooral in het ziekenhuis, u krijgt daar een behandeling waar u in Nederland 3 maanden op moet wachten. De volgende ochtend een inspanningstest, voor de 2e keer naar de cardioloog, niet goed, hartkatheterisatie! Terwijl ik op tafel lag en de draad al in mijn lies naar boven schoof riep iemand, ‘don’t worry, I did Imca Marina two years ago!’. Dat leidde goed af, leefde ze nog; ja toch? Voor de 3e keer de cardioloog aan het bed met de zin: ‘you have a good heart and you have a good heart’. Godzijdank, terug naar mijn pension voor nog 6 romantische Turkse nachten!

Dat wordt dus bedoeld met een all-inclusive vakantie!

 

 

 

Van Wadi Halfa naar Aswan

Vorige week schreef ik een stukje over een reis van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Een reis met veel ongemak, onverwachte wendingen, bizarre taferelen en -lichte- corruptie alom. Titel: De Sudanfactor.
Etser en atlassenmaker Rolf Weijburg maakte in janauri 1979 deze reis in omgekeerde richting. Hij stuurde mij dit ‘contra’-verhaal onder de titel: De Egyptefactor.


De Egyptefactor


(Door Rolf Weijburg)

In het sjieke Oberoi Hotel op Elephantine Island, net stroomafwaarts van de Grote Aswan Dam in de Nijl in Egypte, was alles rustig. Het hotel zat voor een groot deel vol. Veel Amerikanen en Britten, maar ook Canadezen, Duitsers, Fransen en Italianen. Toeristen en een enkele zakenman. De meeste gasten lagen al op bed in de comfortabele kamers. Hier en daar brandde nog licht en in de stemmig verlichte bar zat nog een enkeling te genieten van een peperduur drankje. Het was bijna middernacht.

Telefoontjes verstoorden plotseling de rust, geroezemoes weerklonk, gedonder in de glazen. Mannen in donkere pakken kwamen de lobby ingerend. Egyptian Secret Police. De bar moest worden gesloten. Hotelpersoneel, maar ook politieagenten renden door de gangen. Op alle kamerdeuren werd hardhandig geklopt. Het hotel moest worden ontruimd. Nu. Onmiddellijk. Orders van hogerhand. De hotelgasten en het meeste personeel werden in bootjes gepropt en naar Aswan op de oostelijke Nijloever gebracht. Daar waren in allerijl in andere hotels kamers geregeld voor de nacht. Dat wel, maar toch.

Diezelfde nacht sneed een merkwaardig drijvend object door het strakke nachtelijke water van het Nassermeer. Het waren een drietal aan elkaar gebonden schepen, ieder met één verdieping. Het middelste schip was de motor en ploegde door middel van een groot rad aan de achterkant het hele handeltje noordwaarts richting Aswan. Dit was de Lake Nasser Ferry die twee dagen geleden uit het Soedanese Wadi Halfa, vijfhonderd kilometer naar het zuiden, was vertrokken. Het miezerige plaatsje is het eindstation van de lange spoorlijn die vanuit Khartoem dwars door de Nubische woestijn loopt en de vertrekhaven van de ferry die een paar keer per maand over het Nassermeer naar Aswan vaart. Aankomen en zo snel mogelijk weer vertrekken dat is wat bijna iedereen in Wadi Halfa deed.

Aan boord was het een stuk minder rustig dan in het Oberoi Hotel. De dekken lagen overvol met mensen, bagage, geiten, kippen en kamelen, heel veel kamelen. Soedanese kamelen die op de grootste kamelenmarkt in Egypte, de Daraw-markt, iets ten noorden van Aswan, verhandeld zouden worden om waarschijnlijk in de slachthuizen van Cairo te eindigen. De ferry had ook een paar auto’s aan boord waaronder een kleine vrachtwagen. Tussen alles en iedereen in lag het dek bezaaid met butagasflessen waarvan onduidelijk was of ze vol of leeg waren. Iedereen rookte gewoon door dus ik hoopte maar dat ze leeg waren. Ondanks dat er luid gepraat werd en flink gerocheld, waren her en der passagiers, soms in de meest onmogelijke posities, vredig in slaap gevallen.

Twee dagen dobberden we zo al voort over dit merkwaardige meer dat is ontstaan door de bouw van de gigantische Aswan Dam. Een enorm smaragdblauw meer met oevers als maanlandschappen zonder ook maar het minste stukje groen.

Tomorrow Egypt! Tomorrow Aswan!” De stuurman die boven het grote schoepenrad op de brug zat was er absoluut zeker van. Morgen zouden we er zijn. Maar voor de zekerheid voegde hij er, terwijl hij zijn ogen ten hemel sloeg “Inch Allah” aan toe. Als God het wil.

God leek het werkelijk te willen: de volgende dag zagen we het meer zich vernauwen. De oevers kregen weer detail en aan de horizon recht voor ons verscheen in de middag de vage rechte lijn van de Aswan Dam. Rechts op de oever vlekjes, vierkantjes, kubussen, huizen. Bomen. Een haven tekende zich af. Steigers, vrachtauto’s, ezelkarren en mensen met steekwagentjes. Drukte. Lawaai. Getoeter. Dit was Sad-el-Ali, eindpunt van de tocht. Op de ferry stond iedereen al te dringen. De tassen waren dichtgeritst. Kleedjes opgerold. De kamelen werden van hun kniehalsters ontdaan en de geiten losgemaakt van de relingen.

Een touw werd uitgegooid. Iemand ving het op, trok, hield de lijn strak, maar maakte het touw niet vast. Hij schrok van een politie-auto die met piepende banden langs de kade aan kwam rijden en waarvan de deuren openzwaaiden nog voordat de wagen goed en wel stil stond. Vier geüniformeerde mannen stapten uit en begonnen te schreeuwen naar de kapitein en zijn kornuiten. Er werd heftig gediscussieerd. Andere geüniformeerden arriveerden. Twee bootofficials sprongen van boord om druk gebarend de uniformen te woord te staan.

Het leek een opstootje. Niemand wist wat er aan de hand was.

Maar net zo snel als ze verschenen vertrokken ze weer, de uniformen in hun auto. De auto reed het haventerrein af. De bootjongens klommen weer aan boord. De man liet het touw in het water vallen zodat het kon worden teruggetrokken, de al wegvarende ferry op.

Niemand mocht van boord. Niemand mocht Egypte in. God had het toch niet gewild. We voeren terug het meer op.

Er was consternatie alom aan boord. Waarom legden we niet aan? Waarom mochten we niet van boord? Wat was er aan de hand?

De kapitein spreidde zijn armen, haalde de schouders op en zei:“We stay on the lake tonight. Die mensen in de haven, dat was de Egyptian Secret Police. Onze president Anwar Sadat heeft een aantal hooggeplaatste gasten op bezoek en gaat met hen een tochtje maken over het meer en langs de dam. Daarom hebben ze de hele haven verboden terrein verklaard en de grens gesloten. We mogen niet aanleggen en moeten nog een nacht doorbrengen op het meer. Morgen zullen we aanleggen in Sad-el-Ali. Morgen kunnen we Egypte in, Inch Allah.”

Mopperend namen de passagiers hun plekken weer in en na enig schikken en schuiven maakte de boosheid plaats voor berusting. De ferry had inmiddels het anker uitgegooid bij wat rotsige eilandjes. Als een stateloos vluchtelingenkamp dobberden we op het water. Soedan verlaten, maar nooit in Egypte aangekomen.

Later in de middag kwam de oorzaak van al dit oponthoud langsvaren. Omringd door een aantal politiebootjes gleed een luxe motorjacht over het water. Mannetjes in glimmende uniformen en in pak stonden aan dek. Ze zwaaiden naar ons. Op de ferry zei iedereen “Sadat! Sadat!” Maar slechts weinigen zwaaiden terug.

De volgende ochtend was het dan zo ver. De ferry legde aan in de haven en de passagiers stormden de loopplank af. Chaos. Kruiers boden zich aan. Vrachtwagens verdrongen zich om zo dicht mogelijk bij de boot te komen. Kamelen. Mannen hadden fantastische hotels in de aanbieding. Of taxi’s. Of de beste koersen voor het Egyptische pond. Havenpersoneel stuurde iedere passagier die de loopplank afkwam naar een barak waar tientallen mensen al met hun paspoorten stonden te zwaaien. De douaniers stempelden er flink op los en het lukte me vrij snel ook mijn paspoort onder de ritmisch doorstempelende douanehand te schuiven. Ik betwijfel of de man ook maar iets van mijn visum heeft kunnen lezen, maar ik was nu officieel gearriveerd en kon het haventerrein verlaten.

Ik was in Egypte. Vanaf het station van Sad-el-Ali nam ik een boemeltje naar Aswan Centraal. Daar ging ik in het vroege ochtendzonnetje op een terras zitten voor een uitgebreid ontbijt.

Er zat een Canadees echtpaar naast me en we raakten in gesprek. “Nee, dat waren niet zomaar hooggeplaatste mensen op dat motorjacht. Dat was Sadat, samen met de Shah van Perzië en de Amerikaanse ex-president Gerald Ford! Er is revolutie in Iran en de Shah is eergisteren zijn land ontvlucht. Hij is op het vliegtuig gestapt en naar Aswan gevlogen, naar zijn goede vriend Anwar Sadat. Ford, die toevallig in Caïro was, werd gevraagd om voor overleg ook naar Aswan te komen. Er werd een impromptu meeting georganiseerd in het Oberoi Hotel en uit veiligheidsoverwegingen werd besloten om het complete hotel te ontruimen. Rond middernacht werden we van ons bed gelicht en moesten we verhuizen naar een kamertje hier in de stad. Daar hebben we twee nachten geslapen en vanmiddag pas mogen we weer terug naar het Oberoi. Isn’t it un-be-lie-vable?”


Pokkenbriefje

Uw bloghouder tekent hierbij aan:

Toen ik in 1984 die reis maakte, moest je bij terugkeer in Egypte aantonen, dat je alle mogelijke vaccins ontvangen had. Het wantrouwen jegens Sudan was namelijk groot.
Het verhaal ging bijvoorbeeld ook, dat je een bewijs moest hebben dat je tegen pokken was ingeënt. Als je dat niet kon, werd je in quarantaine genomen en zou je ter plekke gevaccineerd worden. Met alle risico's van vuile naalden etc.

Toen ik dat tegen mijn moeder vertelde, zei ze: ''Wacht maar even''.
      Zij deed een la open, haalde daar een envelop uit en liet mij dit pokkenbriefje zien. Ik wist toen niet eens dat die dingen nog bestonden:

        

 

 

Januari 1984

 

De Sudanfactor


De Sudanfactor. Het bestaat echt. In januari 1984 willen we van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Dat is vrij lastig. Er ligt een groot stuwmeer ten zuiden van de Aswandam en als je dat gehad hebt moet je door de Nubische woestijn.
      De eerste etappe kan per boot. Naar Wadi Halfa in het uiterste noorden van Sudan. Het tweede deel naar Khartoum met de trein. Maar er valt hier niets te plannen. Ter plekke moet alles geregeld worden en ben je afhankelijk van mensen, die op allerlei manieren aan je willen verdienen.
      En dan is er die Sudanfactor. Er is veel kapot, alles duurt langer, over alles moet onderhandeld worden en als je denkt dat alles geregeld is, blijkt bijna alles toch weer anders.

 
De Ferry

   

Er ligt een wat gammele boot bij de grote Aswandam. Dat wil zeggen: Een boot met twee bijboten. De hoofdboot vervoert passagiers eerste klas, rechts is de tweede klas en links de derde. Veel verschil is er overigens niet. Hier en daar is een hut, maar daarin zijn spullen opgeslagen. En ook op het dek en in de gangen liggen spullen. Zakken en dozen. Teilen, tapijten, doeken, meubilair, kleren, kooien met beesten erin etc.

  

Op die zakken en dozen zitten, hangen en liggen mensen. En hoewel dat verboden is, heeft een enkeling een soort brandertje bij zich om eten warm te maken. Officials die dit verbieden zijn er niet, maar er is sociale controle. Andere passagiers maken duidelijk, dat vuurtjes maken hier levensgevaarlijk is. In het verleden is het al meermalen gebeurd, dat er brand uitbrak waarbij tientallen slachtoffers vielen.
      Hoewel het januari is, is het warm. Natuurlijk is nergens een airco. De mensen zijn geïnstalleerd, het water ziet er kalm uit en het uitzicht op de dam is rustgevend. Maar niemand weet wanneer de boot vertrekt. Niemand lijkt zich daar ook over op te winden. Dat is de Sudanfactor. De boot vertrekt als dat zo uitkomt. Vandaag is dat zo’n tien uur na het officiële vertrekuur. Mensen die vaker deze boot nemen vinden dat een zeer acceptabele vertraging. “Hoewel’’, zeggen ze dan,’’ hoewel je nooit weet hoe de tocht verder verloopt’’.
      Als alles normaal gaat moeten we over twee dagen in Wadi Halfa aankomen. Een stad, die verlegd werd toen het Nasser-meer werd aangelegd. Maar natuurlijk gaat het niet normaal. Na een paar uur varen, wordt de boot ergens aangemeerd. Waarom? Niemand weet het. Vragen aan bemanningsleden blijven schouderophalend onbeantwoord. Mensen slapen op zakken en dozen. De nacht gaat voorbij. En pas als het licht wordt, gaan we verder. Mensen kruipen nu over zakken en dozen. Drinken iets en eten wat. Handelaars doen goede zaken, want niet iedereen heeft proviand bij zich. De sfeer is eigenlijk wel goed. Hier en daar klinkt muziek. De oevers aan beide kanten van het meer zijn zichtbaar. Alles is kaal, alles is leeg. Nergens begroeiing. Maar daar in de verte ligt ineens de tempel van Abu Simbel.

Wadi Halfa

En dan is daar eindelijk Wadi Halfa. Het is elf uur in de ochtend. Volgens een schema vertrekt er een trein om vier uur diezelfde middag. Tijd dus om wat zaken te regelen, iets te eten, ergens een douche te nemen en geld te wisselen. Wadi Halfa blijkt niets meer dan een droge vlakte met voornamelijk lemen hutten. Er is een marktje met een paar stalletjes, waar blikjes met voedsel te koop zijn.
      En dan is er de Bank. In Egypte hebben we geleerd dat je voor bepaalde transacties een bewijs moet tonen, dat je officieel geld gewisseld hebt. Op de zwarte markt kreeg je namelijk tienmaal zo veel. In Sudan zou dat ook zo zijn. Maar dan treedt de Sudanfactor weer in werking, want als ik daar naar vraag zegt de bankbediende:” Ga maar even mee’’. Hij gaat naar een andere balie en zegt dat er drie mogelijkheden zijn.

1. Officieel wisselen. ‘’Maar dat zou ik u niet aanraden Sir!’’.

2. Zwart wisselen met een bewijs, dat ik officieel gewisseld heb. Maar voor dat bewijs moet dan extra betaald worden.
3. ‘’Gewoon’’ zwart wisselen. ‘’En dat zou ik doen Sir. Maar omdat u op de bank wisselt, komen er wel wat kosten bij’’.

Het station Wadi Halfa Centraal ligt een paar kilometer buiten het stadje. Slaapwagens zijn uitverkocht net als de eerste klas. En aangezien er maar eenmaal per week een trein gaat, nemen we genoegen met kaartjes tweede klas. Het is dringen om de trein in te komen. Sommige mensen proberen door de ramen naar binnen te klimmen.

Zandstorm

In de coupé is het stoffig. We zitten op elkaar gepakt. Stoelen waaruit de veren spiraalsgewijs omhoogsteken. Hoe moet hier geslapen worden?
      De trein komt ’s avonds laat op gang. We proberen wat te slapen, maar na een aantal uur als het alweer licht wordt, begint het. De Haboob. Een zandstorm. Gebulder buiten de trein. We sukkelen door; buiten is geen meter zicht. Zand komt door alle kieren en gaten. Binnen een minuut of tien ligt er overal zo’n twee millimeter zand. Neus- en oorgaten lopen vol. Gesprekken zijn niet meer mogelijk. Ook fluisteren niet, want dan kolkt het zand naar binnen. Na een uur wordt het minder en na twee uur is de storm uitgeraasd en wordt ’t windstil. Uitzicht op oneindige zandvlaktes en -heuvels. Af en toe een nederzetting met hutjes. Het is zeven uur in de ochtend.

  

En dan mindert de trein ineens vaart en komt tot stilstand. Tot nu toe was het enkelspoor, maar hier vlakbij een dorpje is het dubbelspoor. Een stationnetje zeker, denk je. Er is zelfs een boom.
      Het oponthoud duurt lang. Een uur, twee uur. Mensen uit het dorpje komen langs met drinken en etenswaren. Passagiers stappen uit. Speculaties wat er aan de hand kan zijn. En dan wordt het bekend. Een machinist heeft het verteld. De diesellocomotief is dermate door het zand aangetast dat hij niet verder kan. De Sudanfactor heeft opnieuw toegeslagen.

  

Er moet een nieuwe locomotief komen. Uit Khartoum. Dat zal een uur of zes duren, wordt geschat. De drukte rond de trein wordt groter. Passagiers gaan een partijtje voetballen tegen de jeugd uit het dorp. De prijs van water en spijzen gaat omhoog. En dan zien we in de verte een felle lamp. Daar komt de locomotief. Maar hoe kan die locomotief aangekoppeld worden? Niet dus. De reserve-locomotief moet door naar Wadi Halfa en daar keren. Een reis van zo’n zes uur. En dan terug naar ons dorp. Nog eens zes uur. En dan via het tweede spoor naar het eerste spoor en dan achteruit terug om voor de kapotte locomotief te komen.

Berusting slaat toe. Zeker nog twaalf uur wachten. Mensen leggen buiten slaapzakken op de grond en proberen wat te slapen. Hier en daar worden spelletjes gedaan. Weddenschappen worden afgesloten hoe lang dit allemaal nog gaat duren. Doemdenkers voorspellen dat de Haboob weer zal opsteken. Mensen vertellen elkaar verhalen over andere ellende die ze al meegemaakt hebben. De crisis brengt ook verbroedering. Samen gaan we dit overwinnen. Zoiets.

En dan is daar de locomotief. Het is alweer donker. Zonder noemenswaardige problemen rijden we naar Khartoum, waar we ’s nachts om half drie aankomen. We gaan naar hotel Acropole. Eerst onder de douche om al het zand weg te spoelen. Maar… er komt geen water uit de kraan.
Sudanfactor weet je wel.

 

 

Voorjaar 2003

Hooligans & Gentlemen uit Samoa (een drieluik 3)

Er is een gevleugeld gezegde over Rugby: De spelers zien eruit als hooligans maar spelen als gentlemen.

 

In maart 2003 zat ik in het vliegtuig op weg van Wellington in Nieuw Zeeland naar Hong Kong in China. We maakten een tussenlanding in Auckland en daar stapte een zeer donker gezelschap keurig uniform geklede mannen in. Ze waren bijna allemaal heel groot en stevig gebouwd.
      Er ging er één naast me zitten. Een prachtig atleet. Mooie man. Gebeeldhouwd gezicht. Gentleman en absoluut geen hooligan. De stewardess van New Zealand Airlines kende hem. Zij gaf hem een knipoog en een glaasje Jus d’Orange, dat hij in heel kleine teugjes op dronk.

      ‘Joe’, zei hij. ‘Ik ben Joe’.
      Wie zij waren, vroeg ik maar eens.

Zij waren het nationale Rugbyteam van Samoa, een eilandje in de Stille Zuidzee, zo‘n 3.000 kilometer boven Nieuw Zeeland. Zij gingen via Hong Kong naar Engeland, waar ze een paar oefenwedstrijden zouden spelen ter voorbereiding op het wereldkampioenschap dat een paar maanden later in Australië zou worden gehouden.

‘SAMOA!’.
      Wat wist ik van Samoa?
Eerlijk gezegd wist ik heel weinig van Samoa. Jawel een eiland in de Stille Zuidzee. En ooit had ik een recept uit Samoa gevonden voor geflambeerde vleermuizen, die ik uit Singapore mee naar huis had genomen, omdat ik dacht dat het om paddenstoelen ging. (Reizen 103)

Het leek me niet zo gepast om direct over die vleermuizen te beginnen, dus suggereerde ik dat Samoa wel een oude Engelse kolonie zou zijn, omdat zij kennelijk heel goed waren in rugby.
      Joe moest daar een beetje om lachen.
      ‘Nee’ zei hij. ’Wij zijn in een ver verleden Duits geweest’.

      ‘Waarom is rugby dan zo populair?'
      ‘Heel eenvoudig’, zei Joe. ‘Na de eerste wereldoorlog zijn wij een tijd bezet geweest door Nieuw-Zeeland. Zij hebben die sport bij ons geïntroduceerd. En wij bleken er goed in. Zelf ging ik bijvoorbeeld al in Nieuw-Zeeland spelen toen ik twaalf jaar was. Die competitie daar is erg sterk. Maar de competitie in Engeland is nog sterker. En daar speel ik al drie jaar. Het bevalt me goed. Ik heb nu een Engelse vrouw en een dochtertje. Ook het leven in Engeland -vooral Londen- is goed en afwisselend. Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘. Hij keek naar de stewardess, die alweer vroeg of hij iets nodig had.

Of ze een kans zouden maken daar op dat kampioenschap in Australië?
      ‘Nee’, zei Joe.
      ‘Nieuw-Zeeland gaat waarschijnlijk winnen. En weet je waarom? Er doen diverse spelers uit Samoa mee. Die hebben zich laten naturaliseren. Mij hebben ze dat ook gevraagd, maar ik heb het geweigerd. ’Andersom spelen er bij ons een paar Nieuw-Zeelanders mee, maar ja dat zijn niet de besten.’

In het vliegtuig zaten zo’n twintig passagiers met mondkapjes voor. Ruim een week eerder was de SARS-epidemie in Hong Kong uitgebroken en op dat moment was nog absoluut niet duidelijk hoe erg het zou worden. Een uur voordat we zouden landen kregen ook alle spelers en begeleiders van het rugbyteam een mondkapje uitgereikt.

      ‘Sorry’, zei Joe glimlachend.
      ‘Succes’, zei ik.
Over vleermuizen hebben we het niet meer gehad.


P.S.

Samoa eindigde in 2003 op het wereldkampioenschap als derde in zijn poule en werd daarmee in de eerste ronde uitgeschakeld. Het verloor toen van Engeland en Zuid- Afrika en won van Uruquay en Georgië .
      Nieuw-Zeeland werd derde en Engeland wereldkampioen.


Niet welkom

En ik was een week lang niet welkom bij mijn werkgever VPRO, omdat men bang was dat ik 't SARS-VIRUS zou kunnen verspreiden.
Zelden zoveel panische mensen om mij heen gezien als ik ergens verscheen in die tijd. Zelfs weken later!

 

 

 

Zomer 1986.

Geflambeerde vleermuis (een drieluik 2)

We zijn op de weg terug van Indonesië naar Nederland en hebben besloten een dagje in Singapore te blijven. Dat is een drukke keurig aangeharkte stad, waar je geweldig boodschappen kunt doen. Dan moet je naar Orchard Road. Veel kleine winkeltjes waar je interessante dingen kunt kopen als scharen voor linkshandigen, kunstogen, condooms met voelsprieten, looprobotjes en boekjes over de techniek van het touwtrekken.
      Maar er zijn aan die weg ook gigantische warenhuizen.
      We kopen een grote zak gedroogde paddestoelen.
Een week later laat ik thuis de paddestoelen wellen en wat blijkt: de dingen die daar in de pan alsmaar groter worden, lijken verdacht veel op vleermuizen.

  

Hoe bereidt men vleermuizen?

In China, Maleisië en Indonesië staat het regelmatig op het menu en wordt het op diverse manieren bereid. Zo ook op een aantal eilanden in de Stille Zuidzee.
      Het volgende recept komt uit Samoa.
      De vleermuizen worden geflambeerd zodat de haren geschroeid worden. De ingewanden eruit halen en de beestjes in stukjes snijden.
      Olijfolie en een scheutje walnotenolie in een wok verhitten en daarin uitjes, knoflook en gemberwortel fruiten.
      De stukjes vleermuis in de wok aan alle kanten dichtschroeien, nog wat vocht erbij, geplette korianderzaadjes, zwarte peper en een paar kruidnageltjes. Dit alles nog even laten sudderen en de vleermuis Samoa is klaar.

Volgens culinair deskundige Johannes van Dam die ik daar toen voor de radio over raadpleegde, zijn vooral de zogeheten fruitbats -de vruchtenetende vleermuizen dus- een delicatesse.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh