Reizen (207)


 Voorjaar 1988

'‘Past u op voor reëen en herten, want die zitten daar volop’.


Hidden Valley Ranch;
 een privé gevangenis

 

Meneer T. F. Keohane Jr. legde het enthousiast en uitvoerig uit. Je neemt in San Francisco de uitvalsweg naar het zuiden richting Mateo County. 
      Je rijdt langs de kust via Pacifica en Half Moon Bay naar San Gregorio. Sla linksaf en ongeveer een kilometer voor het plaatsje La Honda ga je rechtsaf een onverharde weg op. 
      Na een paar honderd meter staat er een klein bordje met ‘Hidden Valley ranch’. Midden in het bos op een inderdaad verborgen plek. ‘Past u op voor reëen en herten, want die zitten daar volop’.

      Ik ben hier met Lida Iburg voor een radioprogramma van de VPRO. De Hidden Valley Ranch is een privé-gevangenis. In Nederland is -1988- een plan gepresenteerd om te gaan onderzoeken of het gevangeniswezen -deels- geprivatiseerd kan worden.    
      Nu zijn die plannen er weer. De VVD begon er mee, maar ook bij de P.v.d.A. en een paar andere partijen is het niet onbespreekbaar. Volgens voorzichtige ramingen zou er zo’n 200 tot 400 miljoen  mee bespaard kunnen worden.

     

Meneer T.F. Keohane Jr. ziet er uit zoals hij door de telefoon klonk. Fris, opgewekt, enthousiast. Sterke after-shave. Hij zal ons rondleiden en vertellen wat de voordelen van privatisering zijn. We kunnen met gedetineerden spreken en mogen een counseling meemaken.

‘U treft het’, zegt hij. ’Dat doen we één maal per week. Onder mijn leiding. Goede resultaten behalen we hier. Absoluut goede resultaten’.

      In de gevangenis zitten 112 gedetineerden. Vrijwel allemaal zijn het drugsverslaafden, die ‘gewone’ misdaden hebben gepleegd. Overvallen, inbraken, geweld.

      Ze hebben een cel voor zichzelf en kunnen in de inrichting simpele klusjes doen. Daarnaast hebben ze een enkelband om zodat de leiding voortdurend op de hoogte is waar ze zijn. (Dat bespaart personeel). Ze kunnen bovendien ieder moment te horen krijgen dat ze onverwacht gecontroleerd kunnen worden. Controles op bezit en gebruik van drugs. 
      Als ze eenmaal gepakt worden krijgen ze een waarschuwing; na een tweede keer worden ze onherroepelijk teruggestuurd naar een staatsgevangenis.

En dat laatste willen ze in geen geval. Ze gaan dan meestal naar de St. Quentin gevangenis bij San Francisco. En het kan wel dat Johnny Cash daar zijn bekende lied heeft opgenomen, maar de regel ‘St, Quentin I hate every inch of you’ gaat voor deze gevangenen echt op. In de Hidden Valley hebben ze een eigen cel en redelijke bewegingsvrijheid; in St. Quentin zitten ze met zes op cel, hebben ze weinig bewegingsvrijheid en er is hiërarchie, corruptie, uitbuiting, seksuele intimidatie en seksueel misbruik.

      Dat horen we van alle gevangenen die we spreken. Alles, echt alles liever dan terug te moeten keren naar St. Quentin of -als ze bijvoorbeeld HIV besmet zijn- naar de California Medical Facility in Vacaville, waar plaats is voor 4.730 inmates, maar waar er op dat moment 8.035 zitten.

     

Bij de counseling is het druk. Lida is een aantrekkelijke vrouw en dat heeft zich snel rondgepraat. Zo’n 60 gevangenen zitten in een cirkel rond een tafel waar mister Keohane -''Het is hier nog nooit zo druk geweest'-' heeft plaatsgenomen. Wij moeten er gewoon tussen zitten en dan wordt Frank naar voren geroepen. Een man van een jaar of vijftig, die zijn hele leven al crimineel is. Alles bij elkaar heeft hij ruim twintig jaar gevangen gezeten.

      Frank moet zijn verhaal vertellen, Hoe het allemaal zo gekomen is en wat hij eraan denkt te doen om een 'normaal' burger te worden. Frank kan dat goed. Hij heeft ’t kennelijk al vaker gedaan. Hij schetst een ontroerend beeld van zijn jeugd, compleet met een dronken vader, die er op los ramde, een moeder die de hoer speelde, een jeugd van miskenning, misbruik, armoede en ellende. Iedere keer probeerde Frank er bovenop te komen, maar altijd gebeurde er weer wat, zodat hij terugviel.

      Het is een clichéverhaal, dat aanslaat vanwege de manier waarop hij het vertelt. Gedragen met beheerste pathos, stemverheffing hier en daar en soms bijna een traan.

      Als hij klaar is moeten alle inmates hun indruk geven. Eerst de negatieve indrukken, dan de positieve. Lida en ik moeten ook meedoen. Dat vinden de gevangenen prachtig. Als ik zeg dat hij een geboren loser lijkt, volgt er een beleefd applaus, maar als Lida ferm te kennen geeft dat zij hem ’een push’ wil geven -onderstreept met een vuist naar boven- , volgt hard instemmend gebrul.

      Na afloop als we weer terugrijden naar San Francisco bespreken we natuurlijk ons bezoek. Nederland is ver weg. 
        Bovendien is de situatie in de V.S. totaal niet te vergelijken met Nederland. 
En Teeven was in 1988 nog veel te jong.

 

 


(Eerder geplaatst 07-04-'13)

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr. Een Yank

 

 


Valletta, een prachtige hoofdstad


(Door Rolf Weijburg)

In de late middag verscheen Malta aan de horizon. De enorme koepel van de Carmelite Church stak als een baken overal bovenuit. Langzaam gleed de ferry Valletta’s Grand Harbour binnen. Indrukwekkende bastions en hoge fortificaties schoven voorbij. Met erkers behangen huizen, kerktorens en -koepels en grote monumentale gebouwen staken boven de muren uit.
      Hier en daar kon je, terwijl we langzaam landinwaarts voeren, vanaf het bovenste dek de nauwe rechte straten van Valletta in kijken. Aan de oostkant staken drie lange landtongen, volgebouwd met huizen allemaal in dezelfde gelige kleur, als vingers het water in. The Three Cities. Er tussenin havens met grote zeeschepen. Kranen en nog meer kerken. Het was een indrukwekkend gezicht.

Niets mooiers dan in Malta aankomen per schip.

De ferry legde aan. Vrachtwagens en personenauto’s startten hun motoren. De meeste hadden Maltezer kentekens. Het schip zat aardig vol, maar in Italië, of in heel Europa for that matter, had ik nog nooit een Maltezer auto zien rijden. De wagens hobbelden de laadklep af en reden aan de linker kant van de weg langs de hoge gelige verdedigingsmuren naar huis.

Ik liep de boot af, Malta in.

STEMPEL

      In het douanekantoor kreeg ik een stempel met de poëtische vermelding “By Sea” in mijn paspoort.

      Gezien mijn onverwachte investering in Schotse stof in Catania, moest ik op Malta een zo goedkoop mogelijke overnachtingplaats vinden. Ik liep het douanekantoor uit en zag een eindje verderop een jongeman op een muurtje zitten. Ik sprak hem aan, legde hem min of meer mijn financiële situatie uit en vroeg of hij niet een super goedkope overnachtingplaats voor me wist.
      Hij nam me van top tot teen op.
”Ben je helemaal alleen op Malta? Helemaal uit Nederland en zonder geld?”
      Zijn blik verraadde een mengeling van afgunst, ongeloof en medelijden. Hij stelde zich voor als Marco Attard.

Ik vertelde hem over mijn reis, mijn fascinatie voor Malta en mijn avonturen op Catania.
      ”Why don’t you stay in my parent’s house?”, zei hij zonder aarzelen toen ik was uitverteld. “The Vincent House is het vakantiehuisje van mijn ouders. Keukentje, huiskamer, slaapkamer, zelfs een televisie. Aan de kust in Bugibba, een klein dorpje niet ver van Valletta. Uitzicht op St.Paul’s Island”

Hij had het zeker niet goed begrepen. Ik bedoelde meer een jeugdherberg of zo, iets wat echt heel goedkoop was. Gedeelde kamers geen probleem. Als het maar een dak en wat muren had.
      Maar natúúrlijk had het huisje van zijn ouders muren en een dak. Wat dacht ik wel? Bovendien kon ik er mijn eigen maaltijden koken en niks gedeelde kamers.
      ”It’s for you alone, and it’s for free! Ik moet alleen even de sleutels gaan halen.”

The Vincent House was een comfortabel onderkomen. Niet groot, maar van alle gemakken voorzien. Marco kwam ‘s avonds langs met flessen drank uit de reserves van zijn ouders, en nam zelfs enkele keren complete maaltijden voor me mee, door zijn moeder liefdevol op Maltezer wijze geprepareerd en stiekem het ouderlijk huis uit gesmokkeld. Zijn ouders mochten immers van mijn verblijf in het huisje niks weten.
      Overdag, als Marco naar school was, was ik toerist. Ik bezocht het prachtige Valletta natuurlijk, maar ook Mdina, Marsaxlokk, Birzebbuga en Zebbug. Ik ging naar Mosta en Naxxar en naar de cliffs of Dingli,
      Maar echt eenvoudig gaan de dingen nooit.

Direct na aankomst had ik op Malta bij de scheepvaartmaatschappij mijn terugvaart gereserveerd en bij die gelegenheid had ik mijn nieuwe adres in Bugibba achtergelaten. Gelukkig maar, want na een paar dagen kreeg ik van een in zwart leer geklede motorkoerier een telegram van de scheepvaartmaatschappij. De ferry naar Catania moest acuut in reparatie en zou pas over een week weer in de vaart worden genomen.

           

Ik had niet genoeg geld over om daar op te kunnen wachten en kreeg op het scheepvaartkantoor mijn geld voor de terugreis terug.

In de Times of Malta vond ik onder het kopje “Shipping News” een aantal schepen dat in de havens van Valletta lag en naar Italië zou vertrekken. Een middag lopen langs hoge scheepsrompen leverde in eerste instantie weinig meer op dan argwanende blikken en stellige afwijzingen maar uiteindelijk bij het onder Britse vlag varende containerschip Endeavor II, had ik beet.
      De kapitein was allervriendelijkst, ik kon zelfs gratis mee mits ik er geen bezwaar tegen zou hebben om een hut met een andere “verstekeling”, een jonge gevluchte Libische leraar, te delen. ’s Avonds, toen we op volle zee waren, nodigde hij ons uit voor een glaasje whisky in zijn eigen verblijf. Glunderend leunde hij achterover, keek ons aan, hief het glas en sprak de legendarische woorden:

“Ah, cosmopolitan lot as we are!”

Het Bruine Koffertje (Vervolg)

We voeren naar Reggio Calabria, op het puntje van de laars en zo’n 120 kilometer ten noorden van Catania. De verleiding was groot om maar direct door te treinen naar Nederland, maar ik ging terug naar Catania waar het Bruine Koffertje nog geduldig op me stond te wachten.
      Van de pensionbaas kreeg ik een kamertje zonder ramen en buiten zag ik alleen maar auto’s met Gianni, de Maltezer of allebei samen, langs rijden. Ik werd door ze achtervolgd op grijze Vespa’s en ze zaten me op alle terrassen te bespieden vanachter hun Corriere della Sera’s. Ik was er zeker van dat ze het Bruine Koffertje terug wilden. Maar dat ging zo maar niet!

‘s Avonds barricadeerde ik mijn kamerdeur en de volgende dag heel vroeg sloop ik naar het station en nam de allereerste Rapido naar Messina.

In Messina had ik een paar uurtjes vóór dat de trein naar Rome zou vertrekken en ik probeerde mijn kostbare Schotse schat te verkopen aan kleermakers die handig allemaal bij elkaar in een paar straatjes hun nering hadden. Niemand wilde de stof, niemand wilde er ook maar iets mee te maken hebben en uiteindelijk, na de laatste kleermaker aan het eind van de laatste straat, haalde ik de stof uit het Bruine Koffertje en smeet de rol van de rotsen naar beneden, de zee in. Het lege koffertje nam ik mee naar huis.

    

Ik ben nooit meer in Catania terug geweest.
      Maar wél op Malta.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

Najaar 1998

Een houten bijl uit Guldrupe

Arvid was ooit houthakker, maar nu hij met pensioen is snijdt hij in hout. Kunstnijverheid. ‘Ik doe dit voor m’n plezier’’, zegt hij. 
      De man woont in Guldrupe, een gehucht midden op het Zweedse Oostzee eiland Gotland. Er zijn -schat Arvid- nog zo’n honderd inwoners. 
Een aantal huizen staat leeg. De dorpsweg moet gerestaureerd worden. De parochiekerk zou ook een verfje kunnen gebruiken.

     

      De verloedering in Guldrupe staat model voor het hele eiland. Ooit was dit een zeer welvarend oord met de hoofdstad Visby als schatrijk middelpunt. Gotland was in de Duitse Hanzetijd tussen 1150 en 1400 de plek die alle schepen aandeden. Er werden burchten en kathedralen gebouwd. Torens en kerken. In Visby waren tal van grote Duitse koopmanshuizen. Een gevleugeld gezegde was ´De vrouwen sponnen er met goud, de varkens aten uit zilveren troggen´.

      Na 1400 werd het eiland steeds minder belangrijk. De schepen werden beter en konden langere afstanden afleggen. Gotland bleef links dan wel rechts liggen. Burchten, kerken, kathedralen en andere gebouwen werden verlaten en veranderden veelal in ruïnes.

      Ik was hier in 1998 en vroeg aan de man de weg naar het dorpje Roma.
Er moest wat gedronken worden en na afloop gaf hij mij dit stukje huisvlijt cadeau.

Intussen had ik geleerd dat Gotland het vooral moest hebben van een vrij kortstondige vakantieperiode. De Zweedse bevolking van het vasteland kwam hier voor de stranden en voor de feesten, die overal van eind juni tot midden augustus werden gehouden. Zij interesseerden zich minder voor de culturele achtergronden.

      Het eiland werd steeds meer ontvolkt; de jeugd trok weg. Er waren vrijwel geen vissers meer. Graan en suikerbieten werden nog wel verbouwd, maar alles moest worden verscheept naar het zuiden van Zweden, waar de fabrieken inmiddels waren gevestigd.

En er waren nog wel naald - en loofbossen, maar ook het hout moest worden verscheept en dat werd allemaal veel te duur.

 ‘Gotland heeft geen toekomst’, zei Arvid bij het afscheid.

(Eerder geplaatst 18-11-'13)

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander

 

 

 

 

Een louche handeltje in een Siciliaans toilet

(Door Rolf Weijburg) 

In de lijst van kleinste onafhankelijke landen ter wereld staat Malta met zijn 316 km2 landoppervlak op de tiende plaats. Iets groter dan de Malediven, drie kwart het oppervlak van Andorra. De Republiek Malta bestaat uit de drie bewoonde eilanden Malta, Gozo (of Ghawdex) en Comino (of Chemmuna/Kemmuna) en een aantal onbewoonde rotsen en eilandjes.

Misschien kwam de naam Malta van het Phoenicische woord voor schuilhaven, Malat, of het Griekse Meli voor honing. Zeker is dat de oorsprong moet liggen bij één van de vele bezetters van de eilandengroep. Niet alleen Phoeniciërs en Grieken, maar ook Romeinen (die Malta Melita noemden), Arabieren, Sicilianen, Noormannen, Spanjaarden, de Johannieter Ridders die later de Maltezer Ridders zullen worden, Fransen en ten slotte de Engelsen waren ooit heer en meester over de kleine archipel in de Middellandse Zee.
      In 1964 vertrokken de Engelsen en bleef Malta als een onafhankelijke staat alleen achter. In 2004 werd Malta lid van de Europese Unie en in 2008 verdwenen de mooie Maltezer pondbiljetten en trad het land toe tot de Eurozone. Op de kaart die alle Eurobiljetten sierde stond Malta vreemd genoeg niet afgebeeld. Het was weliswaar geen lid van de EU toen die biljetten in 2002 verschenen, maar ja, het wás er natuurlijk wel.

  

Pas bij de uitgifte van de tweede serie Eurobiljetten in 2013, hebben de makers een klein puntje aan de kaarten toegevoegd.

            

Malta is een zeer devote katholieke natie. Kerken zijn er moeilijk buiten de cameralens te houden en nog nooit zag ik zoveel versteende heiligen. Het lijkt wel of er iedere dag een katholiek feest wordt gevierd met processies, missen en vuurwerk, veel vuurwerk. Maar de van het lokaal gewonnen goudgelige zandsteen gebouwde huizen met hun talloze katholieke beelden zijn behangen met Arabische erkers en hoewel Engels de officiële taal is spreekt men op Malta een vreemde mengeling van Siciliaans en Arabisch met een licht Engels sausje: het Maltees.

Malta leek een harmonieuze som van al zijn verledens.

Het land fascineerde me en ik wilde er dolgraag eens een kijkje nemen. In 1976 had ik voldoende geld gespaard om op weg te gaan. Vliegen was duur in die tijd, lowcost vliegtuigmaatschappijen waren er nog niet, en een Transalpino treinkaartje met studentenkorting was de goedkoopste optie om naar Malta af te kunnen reizen. Dan moest je wel flink wat tijd hebben, want een hele zit was het wel, zo’n treinritje.
      Via Luik en Basel naar Milaan. Overstappen en door het zachte Toscaanse land naar Rome. Weer overstappen. In de trein naar Palermo, die midden in de nacht met veel kabaal in Reggio Calabria de boot op reed voor de oversteek naar Sicilië. In Messina maakte ik de laatste overstap en reed onder de Etna langs naar Catania. Eindpunt van de treinreis.

Na twee dagen treinen was ik klaar voor de boottocht naar Malta.

Piazza Catania


Taormina

“Vakantie ?” De man naast me heeft z’n zonnebril afgezet en kijkt me vriendelijk aan. We zitten op een terras aan de Piazza dei Martiri in Catania.
      “U zit er zo voldaan bij, ik dacht dat is nou een man op vakantie!”
Ik ben blij dat ik er ben. Ik heb een ticket voor Malta op zak, en overmorgen vertrekt de boot. Mij gebeurt niks meer.

“Ik ben nooit op Malta geweest, moet een fraai eiland zijn. Ga je op bezoek bij kennissen daar, of zo maar wat rondkijken?”

En zo babbelen we verder. We spreken Duits. Hij heeft tien jaar in Duitsland gewerkt en is nu onderwijzer op een lagere school in Taormina, zijn geboortedorp hier 40 kilometer vandaan. Hij is met de trein naar Catania gekomen voor een afspraak met zijn tandarts. Hij is een uur te vroeg en zit hier te wachten.

“Wil je nog een koffie?” Hij roept de ober en bestelt nog twee koffie.
      “Luister, waarom kom je morgen niet naar Taormina? Je moet toch nog een dag op de boot wachten en ik heb morgen vrij. Neem je de trein, da’s heel goedkoop en maar een half uurtje rijden. Kunnen we ergens samen lunchen, en dan zal ik je wat van de stad laten zien. Prachtige stad hoor, Taormina, neem dat maar van mij aan. Dan ga je aan ‘t eind van de middag gewoon weer met de trein terug naar Catania.” De twee koffie worden voor ons neergezet en hij betaalt.“Wat dacht je ervan? Goed idee?”

Ja, goed idee lijkt me. Hij schrijft zijn adres op, heeft helaas nog geen telefoon, maar zijn huis ligt niet ver van het station, als ik in de loop van de ochtend kom is hij gewoon thuis.

“Kijk, ik teken er een plattegrondje bij, dan hoef je niet te zoeken of te vragen. Zie je, ‘t is heel makkelijk te vinden.”
      We zitten nog wat verder te praten over de geneugten van het leven hier op Sicilië, als een wat louche uitziende man, geruite winterjas aan, kraag op, en stoppels op de kin, zich in onze richting tussen de tafels en stoelen door wringt. Hij kijkt schichtig om zich heen en zeult een bruin koffertje met zich mee. Hij zweet.

“Do you speak English?”, vraagt hij aan ons. No, zegt Gianni met een duidelijk misprijzen in zijn stem. Yes, zeg ik.

Maltezer zeeman

De man heeft een probleem. Hij is een Maltezer zeeman. Ze liggen met hun schip hier in de haven van Catania, maar vertrekken over een uurtje naar Malta. In Schotland had hij tientallen meters Schotse stof gekocht, waarvan hij dacht ze elders in Europa wel te kunnen verkopen, maar door een verandering van vaarplan zijn ze direct naar Sicilië gekoerst.
      Hij heeft de stof nu nog steeds en is bang dat straks op Malta de hele boel door de douane zal worden geconfisqueerd, of dat hij een enorm bedrag aan invoerrecht moet gaan betalen.
      “You know we sailors are always subject to very thorough searches once we arrive back home!” De Maltezer kijkt ons smekend aan. Willen wij dan zijn Schotse stof niet kopen? Absolute bodemprijs.

Gianni heeft de man al die tijd wat ongeïnteresseerd vanuit zijn ooghoeken gadegeslagen en vraagt me nu om het verhaal voor hem in het Duits te vertalen.
      “Waar heeft-ie die stof dan?” Ik vertaal. De Maltezer tikt tegen zijn koffer.
      “Wil ik wel eens zien”, zegt Gianni. “Mijn broer is namelijk kleermaker, en ik weet ook wel iets van stof af. Als het wat is, voor een goede prijs, wil ik het misschien wel kopen. Vraag hem maar om die koffer open te maken.”

Maar de Maltezer wil dat hier niet doen. Nee we moeten naar een beschut plekje, en we wandelen achter hem aan, het plein over een openbaar urinoir binnen. Daar gaat de koffer open en terwijl de Maltezer bij de ingang de wacht houdt, inspecteert Gianni de stof.
      Hij fluit zachtjes tussen zijn tanden. “Echte Shetland wol! Dit is eerste kwaliteit. Prachtig spul. Vraag eens wat hij ervoor moet hebben?”
Dan volgt een over en weer gehandel in het galmende interieur van dit Siciliaanse urinoir, waarbij ik als tolk de Engelse bedragen met Duitse afding. De Maltezer zenuwachtig en gehaast, Gianni rustig en bij ieder bod met mij overleggend. We komen tot een prijs van rond de vijfhonderd gulden, maar Gianni heeft maar tweehonderd bij zich.

“Rolf, kan jij die driehonderd niet voorschieten. Dit is echt een buitenkans! Je zou toch morgen bij me op bezoek komen. Dan hou je de stof vandaag bij je, neem je het morgen mee naar Taormina en dan geef ik je morgen het geld terug.” De Maltezer wil weten wat er gebeurt.
      “Schiet op, ik moet er vandoor, straks mis ik m’n boot en dan zit ik helemaal in de penarie. Wat doet die man nou, koopt-ie of koopt-ie niet.” Ik vertaal.
      “Hangt van jou af, Rolf. Als jij het geld wilt voorschieten wil ik kopen. Wat kan je nou gebeuren? Je hebt m’n naam en adres en bovendien krijg je de stof als onderpand.”

Stom! Stom! Stom!

Ik twijfel. En ik betaal. Ik overhandig de Maltezer het equivalent in Dollars, de helft van mijn budget voor deze reis. Gianni geeft hem de rest in Lire. De Maltezer, de eerste Maltezer die ik ooit ontmoette, telt het vluchtig na en verdwijnt richting haven. Gianni kijkt op zijn horloge.
      “Verdorie, ik moet opschieten, ik ben bijna te laat voor mijn tandartsafspraak. Hé, Grazie Mille. Duizend maal dank voor je hulp. We gaan er een fijne dag van maken morgen. Vergeet de stof niet! Ci vediamo domani. Ciao!”

Daar sta ik dan. Voor een urinoir op een plein in Catania. Mijn portemonnee voor de helft geleegd en een Bruin Koffertje vol Schotse stof in de hand. Aan de overkant van het plein zie ik Gianni in een taxi stappen. Ik geloof dat hij nog even zwaaide, maar het kan ook een ander gebaar zijn geweest. Voor roepen of rennen is het te laat. Alleen vloeken kan nog.
      Ook de volgende dag, toen ik in de hitte zonder hoop maar mét Bruin Koffertje, over de eindeloze weg strompelde die vanaf het station de berg op naar Taormina zigzagde, was er alle ruimte voor vloeken.

Hoe kon ik toch zo stom zijn geweest!

En wat ik vermoedde bleek waarheid: het getekende plattegrondje bleek een verzinsel van lukraak neergezette lijnen zonder enige overeenkomst met de realiteit. Ik vroeg de weg aan allerlei mensen, het papiertje werd in alle richtingen gedraaid, maar niemand kon er wijs uit. Het adres bestond niet.
      Even heb ik overwogen om dat lullige Bruine Koffertje met die waardeloze stof vanaf de rotsen naar beneden te donderen, maar ik besloot om het ding  in mijn pensionnetje in Catania achter te laten en gewoon als gepland naar Malta te varen.

Terug uit Malta zou ik het Koffertje weer ophalen en dan zouden we wel weer verder zien.

Wordt vervolgd …

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1998

Corrupte agenten & giftige slagtanden

Locatie: De 8-ste verdieping van hotel Uzbekistan in Tasjkent de hoofdstad van Oezbekistan in Centraal Azië .

‘Zullen we het eens op z’n Russisch doen’, zegt Boris. Hij pakt de fles single malt whisky en vult twee limonadeglaasjes. Dan leegt hij in één teug zijn glas. 
      ‘Lekker’, zegt hij. En hij herhaalt nog eens dat dit de eerste keer in zijn leven is, dat hij whisky drinkt. 
      ‘Nu jij Ronald. Op z‘n Russisch!’

Boris wordt vertrouwelijk. Hij is geen Oezbeek, maar komt uit Novosibirsk in Siberië. Maar hij woonde al in Tasjkent, toen dat nog bij de Sovjet Unie hoorde. 
      ‘Het wordt hier wel steeds moeilijker voor ons. Die Oezbeken schuiven elkaar alle klussen toe. Ze krijgen voorrang als er een baantje is en worden voorgetrokken als er huizen worden toegewezen'. 
Hij werkt bij een agentschap, dat er ondermeer voor zorgt om journalisten als ik te helpen. 
      ’Als er problemen zijn, moet je me onmiddellijk bellen’.

Twee uur later is de fles leeg en Boris stomdronken. 
      ’Ik ga even naar beneden’, stamelt hij. ’Daar hebben ze nog wel wodka’. 
Op de gang valt hij over een stoel, blijft liggen en wordt benaderd door een paar hoeren. Ik sluit mijn kamer goed af en val onmiddellijk in slaap. 
      

LELIJKE STAD
Image
De volgende dag slenter ik maar wat door de lelijke stad, die in 1966 vrijwel volledig verwoest werd door een aardbeving. Geheel volgens de Sovjet-tradities werd de stad op ranzige wijze herbouwd met brede straten, grote pleinen en sombere hoge flatgebouwen, gespeend van ook maar het geringste spoortje creatieve architectuur. Als ik ergens een paar foto’s maak, word ik aangehouden door twee agenten. 
      Ze vragen mijn papieren, zien dat ik geen Rus ben en gebaren dat ik mee moet naar het politiebureau. Hoewel ze alleen maar in het Russisch tegen mij praten, wordt duidelijk, dat er ‘iets’ niet in orde is met mijn visum. Ze wijzen ernaar.

In een klein gesloten kamertje op het bureau probeer ik duidelijk te maken, dat ik wil bellen. Met Boris natuurlijk. Die moet me hier maar uit krijgen.
Maar de agenten staan dat niet toe. Ik moet betalen om ‘het probleem’ op te lossen. Zevenduizend Som -ongeveer 75 US$-. Dat is heel veel geld in dit land, waar het gemiddeld maandinkomen niet meer dan vijfduizend Som is.

Er zijn types, die beweren dat je in zo’n geval niet moet betalen. Dat je gewoon moet afwachten, wat er gebeurt. Ik wantrouw die verhalen. Volgens mij zijn dat mensen, die nooit zelf in zo'n situatie hebben verkeerd.   
      In ieder geval ben ik niet zo’n held. 
Ik stribbel wel wat tegen, gooi er hier en daar een vloek in het Nederlands tegenaan, maar betaal.

   

Het bureau ligt aan het voormalige Karl Marxplein. Even verderop was het Leninplein. Het beeld van Lenin is van zijn sokkel gehaald. Nu staat er een pompeus standbeeld met een goudkleurige wereldbol. Daarop is maar één land aangebracht: Oezbekistan. Naar verhouding veel te groot. Image
      Als je er goed naar kijkt, zie je dat de omtrek van dit land op een hond lijkt. Gevolg van de bizarre wijze, waarop Stalin ooit de grenzen van zijn immense rijk trok.

Het Karl Marxplein heet nu Amir Temurplein naar de nieuwe held van Oezbekistan. Amir Temur, ook wel Tamerlan de Aardschudder of Timur Lenk dan wel Timur de Kreupele. Dat was een enorme schoft. Hij leefde in de veertiende eeuw en was één van de laatste wereldveroveraars.

HET VERLOREN HART

Ik ga op een terrasje zitten. Recht tegenover het enorme standbeeld, waarbij Amir Temur op een paard zit. Ik sla ’Het verloren hart van Azie’ van Colin Thubron open. En lees over ‘De Aardschudder’.

AFKOOPSOM  

Ik leg het boek weg en bel Boris. Een half uur later is hij er. Hij is absoluut niet verbaasd dat ik op het politiebureau een afkoopsom heb moeten betalen. 
      ’Dat doen ze altijd. De volgende keer, ga ik wel met je mee‘. 
En dan:
      ‘Overigens krijg ik nog geld van je, want ik heb gisteren op het vliegveld moeten betalen om jou snel door de douane te krijgen. Dat heb je toch wel gemerkt?’

Hij heeft gelijk. In het vliegtuig zaten twaalf niet-Oezbeken, die er een paar uur over deden om ter plekke een visum te bemachtigen. Op zeker ogenblik verscheen Boris, die mij als eerste mee naar buiten nam.

      ‘Hoeveel krijg je dan van me?’
      ‘Zevenduizend Som’, zegt hij.


(Eerder geplaatst 19-01-'08)
 


Ontmoetingen in de lucht:
 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër



 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh