Reizen (158)

 

De dag van het Israëlische bombardement

Het gezelschap praat even niet over de komende verkiezingen. Maar over Feyenoord, dat het toch niet gaat redden en Mosul dat weer in handen komt van het Irakese leger.
      Mosul dus.
Ik laat vallen dat ik er wel eens geweest ben. Lang geleden alweer. We waren anderhalve dag in Irak en toen werd het 7 juni 1981. Eén van de meest beladen dagen in de geschiedenis van het land. Op die dag namelijk werd een kerncentrale bij Osirak in de omgeving van Bagdad gebombardeerd door Israël. Het land verkeerde in een enorme chaos.

Ik was daar met Roel van Broekhoven. Wij gingen voor de VPRO-Radio de wereld rond zonder geld. Wij waren het team donker & interessant en namen het op tegen het team jong & blond bestaande uit Ton van der Graaf en Jan-Willem Dolk. Het werden gedenkwaardige en populaire radioprogramma's met ongekend hoge luistercijfers. Af en toe word ik er zelfs ruim 35 jaar later nog over aangesproken.


Mijn gedachten dwalen af. Ik zie Willem weer voor me daar in Istanbul. Een Nederlandse vrachtwagenchauffeur.

      Hij vervoert 36 ton elektronische apparatuur voor een bedrijf in Mosul in het noorden van Irak.
      ‘Ga mee’, zegt hij, ‘ga gerust mee’.
Willem heeft blikjes Nederlands voedsel bij zich en draait onafgebroken het Nederlandse levenslied. We slapen in de auto en doen in Ankara onze ambassade aan, waar de ambassadeur persoonlijk in één dag een visum voor Irak regelt.
      ‘Ik heb ze laatst nog enorm uit de brand geholpen’, zegt hij in keurig diplomatenjargon.
      ‘Kwestie met een paar Koerdische boys. Hoogste tijd dat ze iets terugdoen. Hoogste tijd’.

Op het lege platteland van Anatolië zingen we liederen.’Met de vlam in de pijp’. En: ‘Hou je echt nog van mij Rocking Billy?’ Voor de grens Turkije-Irak staat een rij vrachtauto’s van ongeveer twee kilometer.
      ‘Wacht maar’, zegt Willem; ‘ik regel dit wel even’.

Wij lopen langs de rij. Hij stapt op een douanier af en we verdwijnen in een hokje. Hij geeft hem een fles whisky, een slof sigaretten en een stapel pornoboekjes.
      ‘Harde porno willen ze tegenwoordig hebben. In kleur’.
Wij lopen terug en kunnen de rij met voornamelijk vrachtauto’s uit het Oostblok ongehinderd passeren.

Wij rijden door Mosul. Een bouwput aan de rand van de stad. Willem levert zijn spullen af. Hij gaat weer naar huis, maar wil wel helpen. want we willen door naar Bagdad. Hij stapt op een Roemeense vrachtwagenchauffeur af.
      ‘Hé colleague. How are you man? You want a drink?’
Hij reikt hem een fles water aan, waarin hij citroensap spuit. Laat hem ook nog een fles whisky zien.
      ‘Ga je naar Bagdad? Wil je mijn vrienden naar Bagdad brengen’?


Bloedhitte aan de Tigris

Het heet Tikrit. Geboorteplek van Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met Saladin, de moslim-leider die Jeruzalem veroverde op de kruisvaarders en er ook vandaan kwam. Een stadje aan de lieflijke licht groene Tigris. Het trilt en schittert in de bloedhitte.
      Twee mannen in uniform gewapend met machinegeweren stormen op de vrachtwagen af. We moeten mee. Dreigementen. Gebaren met handboeien. Paspoort in beslag genomen. Ze zien daar Isra
ël staan.
      ‘’Ben jij een Jood?’’, vragen ze.

Ik begrijp niet waarom ze dat vragen dus zeg ik “’Hoezo’’.
       Ze vragen het nog een keer. ‘’Nee. Ik ben geen Jood’’.
De sfeer is uiterst gespannen. Vijandig. En het wordt nog erger als ze in het paspoort van collega Roel een visum voor Iran vinden. Irak is immers op dat moment in oorlog met dat land!

     
Ze kijken weer naar onze paspoorten. We worden in een soort celletje gezet. Af en toe komt er iemand langs.
Het is intimiderend en angstig.
      Even zijn we bang dat onze wereldreis een heel somber eind gaat krijgen.

Maar na een uur of drie geven ze onze paspoorten terug, nemen ons mee naar buiten en houden een personenauto aan.

     


In de auto zitten twee Fransen die voor Total werken.

     

      ‘Heeft u het al gehoord?’
     
      ‘Nee!
      'Wat zouden we gehoord moeten hebben?’
     
      ‘Israël heeft die kernreactor bij Bagdad gebombardeerd!’
     
      ‘Israel?’ 
      ‘Iran zult u bedoelen’. 
     
      ‘Non. Les Juifs.
      'Israël is met straaljagers binnengekomen en heeft bommen gegooid’.

Een paar uur later bereiken we Bagdad. Alom controles. Schreeuwende mensen. Chaos. Het is pikdonker. Geen elektriciteit. Overal in de lucht hangen ballonnen. Dat is -verzekert men mij- tegen een nieuwe aanval. 
     
De volgende ochtend word ik gebeld door een collega van mijn omroep. Ze zijn door de ambassade op de hoogte gesteld. Hij vindt dat ik zo snel mogelijk voor ‘onze radio’ het verhaal van die gebombardeerde kernreactor moet vertellen,

      ‘Jullie zijn waarschijnlijk de enige buitenlandse journalisten in Bagdad. Iedereen wil jullie in de uitzending. De televisie ook. BRT, BBC noem maar op. Ze hebben daar niemand’. 
      ‘Tja! Ik ben hier net. Die reactor ligt hier zestig kilometer vandaan. Overal zijn versperringen. Ik kan daar nooit in de buurt komen. Jullie weten waarschijnlijk meer dan ik’.
      ‘Dat geeft niet. Jullie zijn daar en kunnen een ooggetuigenverslag geven. Beschrijf gewoon de sfeer’.
      ‘Oké. Ik zal een ooggetuigenverslag geven’.

Tien minuten later al komt het onvermijdelijke cliché:
      ‘Hoe is daar in Bagdad op gereageerd?’

Ik hoor mezelf weer in staccato praten.
      Dat de situatie in Bagdad uiterst gespannen is.
      Dat er chaos heerst.
      Dat er ter afschrikking ballonnen in de lucht hangen
      Dat men roept om wraak.
      Dat de officiële lezing is, dat het niet ging om een kernreactor maar een speelgoedfabriek.
      Dat die ochtend in een krant een foto staat van ernstig gewonde kindertjes en dat ''de Joden'' daar              verantwoordelijk voor zijn.

Mosul dus. We zijn er doorheen gereden.
      Zelfs op de dag dat het land gebombardeerd werd door een vijandige mogendheid kon dat.
Nu is dit volkomen uitgesloten. Sinds oktober vorig jaar zijn 200.000 mensen gevlucht.
      Anderen leven ondergronds en hebben een tekort aan alles. Er heerst hongersnood.
Gevangengenomen burgers dienen als menselijk schild.

 

Ga voor foto's , beschrijvingen, krantenartikelen, reacties en de uitzendingen van de wereldreis naar

                                  deze site van het VPRO-Radioarchief

 

 

 


                

 

Een avond in Kloulklubed


(Door Rolf Weijburg)

De boot vertrok. Op het dek bijna uitsluitend vrouwen, kletsend of verdiept in de krant en betelnoot kauwend.
      De zee was prachtig, de eilanden, de lucht, wat was alles mooi.

  

We voeren zuidwaarts vanuit de haven van Malakal in Koror, langs de Rock Islands naar Peleliu.
      In grootte het derde eiland van Palau en één van de zestien staten van dit op 15 na kleinste land ter wereld.

       

De tocht aan boord van dit vrachtschip, de “Odesangel-dil”, dat eigendom was van de staat Peleliu, duurde zo’n drie uur.

  

We voeren langzaam want het was laag water aan het worden en de kapitein moest voorzichtig door de gebakende kanalen tussen de vele ondieptes door manoeuvreren.
      Grote vlaktes fel wit koraalzand kwamen droog te liggen.
Ik zag reigerachtigen op het drooggevallen koraal, aalscholvers op boomtakken, pelikanen traag vliegend nét boven het water.

  

 

MAYUMI

We voeren het kleine haventje in. Ik stapte van boord en ontmoette onder het op palen gebouwde havengebouwtje Mayumi, de rijkste man van Peleliu. Een wat slonzige man met een paar overgebleven stompjes tand in zijn mond, die vrolijk heen en weer leken te dansen. Knalrood van het vele betelnoot kauwen.
     
We stapten in zijn pick-up en reden over een betonnen weg het eiland op. Al snel werden we omgeven door het intense groen van dicht oerwoud. Enorme bomen, palmen, struiken vol bloemen en hier en daar een veldje waar de grote puntige bladeren van de taro plant uit de rode aarde staken. We reden langs de elementary school en het graf van een president die tijdens de jarenlange onderhandelingen met de USA zijn ideeën over het Compact-verdrag met de dood moest bekopen.
      Al snel kwamen we bij een langgerekte verzameling redelijk goed onderhouden en ruime huizen. Dit was Kloulklubed, de hoofdstad van Peleliu, een dorp met 800 inwoners. Aan de rand van het dorp had Mayumi een supermarkt met een klein guesthouse erbij. De kamers waren wat benauwd, maar geen nood, Mayumi had nog een andere overnachtingsmogelijkheid een eindje terug het dorp in.

      “Wait for Anna, she has the keys.”

Anna was een aardige Filippijnse vrouw die na een uurtje kwam aanfietsen. Als galante Hollander nam ik haar achterop en samen fietsten we het dorp weer in tot aan een winkeltje dat ook eigendom van Mayumi was. Een houten trap leidde langs de buitenkant van het gebouwtje naar een verdieping met een balkon rondom een prachtige kamer. Met badkamer, een klein keukentje en een traag draaiende ventilator. Een waar appartement. Voor 22 dollar per dag huurde ik de plek voor een aantal dagen.
      Beneden in het winkeltje zat Aktar achter de toonbank, een Bangladeshi nota bene, een moslim, die zich hier ongelofelijk verveelde. Eén andere Bangladeshi woonde er nog op het eiland, vertelde hij, en samen telden ze hun geld op en de dagen af tot op het moment dat ze genoeg verdiend hadden, het nieuwe huis in Bangladesh af was, de kinderen naar school waren geweest en ze de lange terugweg naar huis konden betalen. Hoe hij hier ooit verzeild raakte was een lang verhaal, zei hij, maar “when I finally got here, I looked and looked and looked and in the evenings I cried and cried and cried.


HEREMIETKREEFT

  

De dag was bijna voorbij en ik liep terug naar het guesthouse. Er sprongen enorme padden de betonnen weg over en grote landkrabben kropen in de vallende duisternis richting zee. Bij gebrek aan een passende schelp had een heremietkreeft een glazen jampotje geadopteerd en ook hij kroop zeewaarts. Grote vleermuizen landden onhandig met veel kabaal in de bomen.
      Anna had een mooie maaltijd voor me klaar staan in een eetzaaltje met aan de wanden halfvergane foto’s van Japanse vissers met hun buit. De tafels, een stuk of zes, waren allemaal aan elkaar geschoven. Ik was de enige gast.

Toen ik later weer terugliep naar mijn kamer boven de winkel was het donker. Nog steeds schoven de grote krabben en padden over de weg maar nu lagen er ook overal honden op het warme wegdek. Dikke mensen hingen languit op de “abai’s” - van bamboe of takken gemaakte plateaus op palen met een afdakje erboven- voor hun huizen. Iedereen groette vriendelijk.


AKTAR
   

Toen ik bij mijn winkeltje aankwam, zat Aktar achter de toonbank onder een enkel peertje naar de TV te kijken. Achterin het winkeltje zat Mayumi aan een tafeltje bankbiljetten te tellen. Op de onderste treden van de buitentrap die naar mijn kamer leidde hing een groepje mannen. Ze hadden ieder een aangebroken sixpack Asahi, Japans bier, bij zich en zagen eruit alsof ze voorlopig niet zouden vertrekken. Lege blikjes en chipszakjes lagen her en der in het gras. Ik kreeg direct een blikje aangeboden, de mannen schikten zich een beetje en maakten een plaatsje voor me vrij op de trap.

      De dikste van mijn nieuwe vrienden was Wil, een goedlachse jongen van in de twintig met een perfect rond hoofd. Dan was er Wiseman, een stille veertiger met tatoeages en een haarband als een zeerover en Simo die in Japan had gewerkt en aan één stuk door praatte en dronk. Charlie, ook al van omvangrijk formaat en met een torenhoog kroeskapsel, was niet helemaal goed, of misschien wel dronken en stoned tegelijk. Hij reed af en toe op een oranje kinderfietsje een rondje rond het winkeltje. En dan was er nog Old John, een oude dikkerd zonder tanden die zonder iets te zeggen op de grond tegen de muur zat en alleen maar dronk.

      Ik kocht een sixpack bij Aktar (voor wie het allemaal bijdroeg aan zijn ellende: als moslim veel te veel bier verkopen aan veel te dronken mensen.) en toen ik weer buiten kwam had zich een magere vrouw, pakweg 35, opgestoken zwart haar, grote donkere zonnebril op en een joggingpak aan, bij de mannen gevoegd. Ik bood haar ook een blikje bier aan, maar ze zei: “Thanks, but I only drink coffee and Diët Coke.” Dat laatste verkocht Aktar ook.


DIANE

Ze stelde zich voor als Diane. Ze was Palauaanse met een Amerikaanse vader en een Palauaanse moeder, maar was geboren op Guam en had op Saipan op school gezeten, in Amerika gestudeerd, ontmoette daar een Noor en verhuisde naar Noorwegen. Naar Stavanger. Haar ouders scheidden, zij kreeg een zoon en scheidde ook. Vertrok met haar zoon naar Hawaï waar haar moeder inmiddels woonde, maar het boterde niet en twee jaar geleden was ze, zonder zoon, naar Palau teruggekeerd. Nu werkte ze hier als Ranger, op zee rondom de zuidelijke Palauaanse eilanden op zoek naar illegale visserij - vooral Taiwanese schepen kwamen hier nogal eens illegaal haaien vangen - en vervuilers.

      Op de trap was Wiseman inmiddels voorover over Simo heen gezakt en beide mannen probeerden hun zware lichamen weer met veel gevloek enigszins overeind te zetten.

        Diane had veel familie op het eiland. Neven en nichten, halfbroers en -zussen, achterooms en tantes, maar ze hield zich liever afzijdig. Ze voelde zich anders na dat leven ver weg en sprak de moeilijke lokale taal niet helemaal perfect. Er was maar één iemand op Peleliu die ze echt kon vertrouwen. Dat was haar grootste vriendin, Auntie Margaret, bij wie ze was ingetrokken.

“Waarom kom je morgenochtend niet even bij haar op het ontbijt, ze woont vlak naast de supermarkt. She’ll be glad to meet you!” Ze stond op, gaf me een hand en trok in het voorbijgaan een plastic fles met oranje spul uit de zak van Old John, die onderuitgezakt tegen de muur in slaap was gevallen. “Hier, moet je ruiken. This is what he drinks: pure alcohol! Tot twee keer toe hebben we deze man al eens met spoed naar Koror moeten varen omdat hij zich in zware dronkenschap ernstig verwond had!” Ze gooide de fles weg en liep vloekend de duisternis in.

      Mijn vrienden hadden inmiddels gewoon door gedronken, maar het gebral was voorbij en had plaatsgemaakt voor de berustende en onvoorwaardelijke overgave aan de dronkenschap. Ik wenste iedereen goodnight en baande me een weg tussen de ingezakte lichamen door naar boven, naar mijn kamer.

      Toen ik midden in de nacht opstond om te gaan pissen, keek ik even vanaf het balkon naar beneden. De trap was leeg maar in het zwakke schijnsel van een enkele lantarenpaal zag ik het oranje kinderfietsje van Charlie midden op de weg liggen. Zijn enorme lichaam lag ernaast. Ik hoopte maar dat hij slechts in slaap was gevallen.

  

De volgende ochtend waren Charlie en zijn fietsje verdwenen. Er lag geen grote rode vlek op het wegdek, dus ik denk dat alles goed is afgelopen. Aktar had zijn winkeltje allang weer open. Hij had menig inwoner van Kloulklubed al diverse gezinszakken chips kunnen verkopen, standaard ontbijt voor velen in Peleliu en één van de redenen waarom Palau in de lijst van obesitas-landen steevast in de top tien staat.
      De ochtend was alweer ver op weg, de zware hitte had iedereen naar de schaduw teruggedrongen.

Ik liep de trap af de zon in en ging op zoek naar Auntie Margaret.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1993

Het verdriet van Jolande

Wij zijn nog geen tien minuten in de lucht, de gordels zijn net los en de eerste consumptie moet nog komen. De mevrouw naast me is bleek. Ze is ook nerveus. Laat de tas vallen als ze die in het bagagedepot wil leggen. ‘’Sorry’’, zeg ze.
      Het KLM-toestel zit vol. We zitten in het middendeel van de Economy-Class. Vijf stoelen. Zij zit aan het gangpad, ik ernaast. Collega Klaas Vos zit in het midden. We gaan naar Larnaca Cyprus, maar maken een tussenstop in Athene.

‘’Sorry’’, zegt ze nog een keer. ‘’Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’.

Zo. Dat heb ik weer. Altijd in vliegtuigen.
       Ik kijk haar aan. Een jaar of 45/50. Vrij lang. Volslank. Verzorgd gekleed.
‘’Ik ga naar mijn zuster’’, vervolgt ze. ‘’Zij heeft me uitgenodigd om bij te komen. Ze woont al heel lang in Athene. Ik kan goed met haar opschieten. Daar kan ik uithuilen’’.

      ‘’Ik zal me even voorstellen’’, zegt ze. ‘’Jolande. Niet Jolanda. En mijn psychiater heeft me aangeraden om er vooral niet over te zwijgen. Praat er maar over, zei hij. Als je een willig oor vindt, kan dat geen kwaad’’.

‘’Ik ben een willig oor, Jolande. Wat is er gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’’.

      ‘’Het begon zes jaar geleden. We waren nog niet eens zo lang samen. Hevige buikpijn. Krampen. Niets meer binnen kunnen houden. En het ergste: bloed in de ontlasting’’.

Ze praat monotoon. Legt vrijwel nergens klemtonen. Kijkt mij ook nauwelijks aan, maar staart voor zich uit.

‘’De huisarts verwees hem nadat hij zijn klachten had verteld direct naar de maag-darmspecialist. Er volgde een darmonderzoek, waarbij ze weefsel wegnamen. En toen ging het snel, want hij had kanker. Dikkedarmkanker’’.

Ze wendt zich even terzijde. Neemt mij op en lijkt zich af te vragen hoe ver ze kan gaan.

‘’Wil je iets drinken Jolande? Ik haal wel even wat’’.

“Nee’’, zegt ze. ‘’Hij moest geopereerd worden. Ze moesten de buik openen en de tumor weghalen. Lymfeklieren en bloedvaten in die buurt moesten ook weg. De specialist legde het goed uit. Ik was erbij. Dat was in zekere zin wel prettig. Maar mijn vriend had 't er moeilijk mee. Hij was zijn hele leven al een hypochonder. En nu was het echt zo ver. Eigenlijk nog in de bloei van zijn leven. 45 jaar. Hij vroeg zich direct af of hij dit allemaal zou overleven. Maar daar kon die dokter natuurlijk ook geen uitspraak over doen. We zijn er redelijk vroeg bij, zei hij. Dat scheelt. Maar nogmaals; een voorspelling kan ik niet doen’’.

‘’En?’’, vraag ik. ‘’Hoe ging die operatie?’’

‘’Goed’’, zegt ze. ‘’Heel goed. Na een tijdje ging hij weer werken en werd een beetje vrolijker. We hadden veel aandacht voor elkaar, want kinderen hebben we niet. Eigenlijk hadden we een hele mooie tijd’’.

Ze zegt het met enige reserve. En ik weet dat er meer komt. Veel meer en nog veel meer ellende.

‘’Ik ga even een drankje halen’’.

We vliegen al zo’n twee uur. Nog anderhalf uur. Zij gaat daar de tijd mee volmaken. Ach, als het haar helpt wil ik daar graag aan meewerken. Zij heeft intussen bedacht dat ze mij ook maar eens wat moet vragen dus: ‘’Je gaat naar Cyprus. Wat gaan jullie daar doen? Vakantie?’’

‘’Nee. We gaan naar Nicosia en gaan ook naar Noord-Cyprus. Een radioprogramma maken over de laatste Muur in Europa’’.

Maar ze luistert nauwelijks en gaat direct weer door. Dreunend. Repeterend. Alsof ze in een soort trance is.

      ’Na twee jaar kreeg hij weer klachten. Het was teruggekeerd. Hij werd opnieuw geopereerd. Maar nu waren er complicaties. Een stoma. En die moest blijven. Verder kon hij nauwelijks eten. En toen kreeg hij na een tijdje ook nog een longontsteking. Het was vreselijk allemaal. Hij zag het niet meer. Wilde het liefst dat er maar een eind aan kwam. En ja. Wat moet je dan?’’

      ‘’En?’’, zeg ik. ‘’Wat moest je?’’

‘’We gingen weer naar die specialist. Om te informeren of er nog iets te redden viel. Hij zei dat chemotherapie nog een mogelijkheid was. Niet om te genezen, maar om het hele proces te verlichten. Een soort palliatieve behandeling. Maar dat zou ook bijwerkingen kunnen geven”.

Ze kijkt naar buiten. Merkt dat het toestel aan het dalen is. En zegt

‘’Enfin. Hij heeft dat laten doen. Maar er waren bijwerkingen. Veel bijwerkingen. Geen kwaliteit van leven meer. En zo hebben we er op ’t laatst een eind aan laten maken. Iedereen zegt altijd dat zoiets wel mooi is. Nou, Ik vond er geen moer aan. Geen rooie rotmoer’’.

     

    Uit: Stranger than paradise

 

 

Voorjaar 2000


Mira & haar verloren huwelijk

Ze is voor ’t eerst van haar leven in het buitenland geweest. Zes weken lang. Een conferentie in Los Angeles, een bezoek aan New York, een symposium in Parijs en nog even uitblazen in Amsterdam. Het was haar goed bevallen. Heel goed.
      Mira is orthodontist. Ze zit naast me in het vliegtuig. Ze gaat naar huis. Johannesburg Zuid-Afrika.

We zijn nog geen uur onderweg, hebben wat over ditjes en datjes gepraat en dan zegt ze zomaar: ’’Weet je dat ik helemaal geen zin heb om naar huis te gaan’’.

Zo!

Ze is getrouwd. Twee jonge kinderen. Een jaar of 38. Stralend gebit. Daar zijn waarschijnlijk kundige collega’s aan te pas gekomen.

‘’Hoezo?” zeg ik.

‘’Amerika is me heel goed bevallen’’, zegt ze. ‘’En bij jullie vind ik 't ook heel prettig’. Veel prettiger dan in Zuid-Afrika. Weet je, die apartheid is dan wel officieel afgeschaft maar er is nog veel racisme en discriminatie. Mensen leven langs elkaar heen. De tolerantie is laag. Tenminste vergeleken met wat ik de laatste weken gezien heb’’.

Ik ga voor de tweede keer van mijn leven naar Zuid-Afrika.
      Ditmaal niet naar Johannesburg of Kaapstad, maar naar Kwazulu-Natal.

‘’Ben je daar weleens geweest Mira?’’
‘’Nee’’ zegt ze. ‘’Maar wat ik ervan weet is het daar helemaal verschrikkelijk’’.
     
‘’Maar wat ga je daar eigenlijk doen.”
‘’Ik ga op bezoek bij een Nederlander, die daar al een aantal jaren woont. In Howick, dichtbij Pietermaritzburg. Daar schijnt één van de grootse watervallen van jullie land te zijn. Hij werkt met de lokale bevolking om erosie te bestrijden. Ik ga daar een radioprogramma maken. En daarna ga ik door naar Lesotho. Ook al om een programma te maken’’.

‘’Naar Lesotho’’, zegt ze geschrokken.

‘’Daar hoor ik alleen maar afgrijselijke verhalen over. Ons leger is daar een jaar of zo geleden binnengevallen om orde op zaken te stellen. Het schijnt daar echt bar en boos te zijn’’.

‘’Juist’’, zeg ik. ‘’Daarom ga ik er ook naar toe’’.

Ze wordt stil. Ik besluit om iets anders aan te snijden

Ze spreekt namelijk Engels, maar had verteld dat ze is opgegroeid in ’t Afrikaans.
‘’Kon je de mensen in Amsterdam eigenlijk verstaan?’’, vraag ik in het Nederlands.
‘’Nee. Niet echt, Af en toe een woordje. Maar -weet je- ik hou ook niet van die taal.
Thuis moet ik Afrikaans praten. Mijn man wil dat. Vindt ook dat mijn kinderen in die taal moeten worden grootgebracht. Daar heb ik vaak ruzie met hem over. Die kinderen zijn er namelijk volgens mij veel meer bij gebaat om goed Engels te leren”.

En dan.

‘’Mijn man is nou eenmaal heel traditioneel. Hij vindt het eigenlijk maar zozo, dat ik werk. En weet je wat: Hij kan nog geen ei bakken; nog geen ei’’.

We worden stil. Zij heeft kennelijk een wat vastgelopen huwelijk.
Moet ik daar dan dieper op ingaan. We zitten inmiddels ergens boven Noord-Afrika. Het wordt donker.

Tijd om maar eens te proberen wat te gaan slapen.
Maar dan gaat ze weer door.
      ‘’Ik heb ’t me allemaal niet zo gerealiseerd. Maar op die conferenties heb ik met veel vrouwelijke collega’s gesproken. Die schrokken ook van mijn verhaal. Weet je, misschien ga ik het thuis allemaal heel anders doen. Heel anders’’.

Tja.
Moet ik hier iets van vinden? Relativeren? Stoken in een vastgelopen huwelijk.
       Wat is dat toch met die vliegtuigen. Ik kom wel vaker terecht in merkwaardige gesprekken. Kennelijk zijn er omstandigheden die daar aanleiding toe geven. Vluchtige ontmoetingen, die eenvoudig kunnen leiden tot uiterst persoonlijke ontboezemingen.

      ‘’Misschien moet je het hem voorzichtig proberen uit te leggen’’, zeg ik. ‘’Daar zal íe toch wel gevoelig voor zijn’’.

      ‘’Oh, nee’’ zegt ze. ‘’Daar is ‘ie helemaal niet gevoelig voor. Die man zit vast in patronen. Daar kan ik nooit doorheen breken, nooit’’.

      ‘’En therapie’’, suggereer ik. ‘’Heb je daar weleens aan gedacht?’’
       ‘’Ach ‘’, zegt ze, ‘’dat wil hij waarschijnlijk ook niet. Hij is tevreden zo. Wil helemaal geen veranderingen. Hij komt thuis, doet zijn pantoffels aan, gaat zitten met z’n voeten op een bank en kijkt naar de televisie. Het liefst naar cricket of rugby. En weet je wat. Hij vindt het eigenlijk maar niks, dat er tegenwoordig ook zwarten en kleurlingen in die teams zitten".

    Als wij aankomen in Johannesburg kijkt zij mij een beetje vertwijfeld aan.
   Ik moet overstappen want ik vlieg door naar Durban. Als wij de hal inkomen ziet ze verderop achter het glas haar man en kinderen staan. Zij trekt mij een andere kant op en zegt:
      ‘’Ik loop even met je mee. Ik heb nog geen trek in ze ‘’.

 

 

   


Paddenstoelen op de Stille Zuidzee


(Door Rolf Weijburg)

Palau leeft voornamelijk van de Amerikaanse hulp via het Compact of Free Association with the USA. Dit verdrag geeft de VS vrije toegang (voor strategische doeleinden) tot Palau’s territorium in ruil voor (financiële) hulp en defensie. Eigenlijk is Palau een soort Amerikaanse overzeese provincie, maar dat mag je daar niet zeggen. Palau is onafhankelijk en lid van de Verenigde Naties.

Naast al die Amerikaanse dollars verdient Palau nog wat met visserij en het verkopen van visserijlicenties, maar verreweg het meeste geld komt tegenwoordig van het toerisme.
      Want Palau is een prachtig land.
De belangrijkste toeristische trekpleister van het land zijn de Rock Islands, een World Heritage Site ten zuiden van Koror.

  

De Rock Islands vormen een archipel van meer dan 400 kleine onbewoonde eilanden, die, dicht begroeid, als een soort paddenstoelen op het water lijken te drijven.

  

Je kan er niet zomaar heen, je hebt een vergunning nodig en als je geen eigen boot hebt moet je bij een touroperator een tochtje boeken.

  

In een open boot werd ik met een tiental Japanse toeristen vanuit Koror op hoge snelheid door het onwerkelijke Palauaanse landschap geracet. De warme wind rond het hoofd, een lang wit kielzog schuimend water achter ons, slalomde de boot dan weer over stukken open turkooizen water en dan weer tussen hoge wanden van intens groen door.
      Plotseling opende zich voor ons een weidse lagune, waar het water ondiep en kraakhelder was en tussen de koralen en de veelkleurige vissen een Japans gevechtsvliegtuig uit WO II zichtbaar werd.

  

We doken een smalle kloof in waar de boot vaart minderde en tot stilstand kwam. Dit was de Milky Way. Om ons heen alleen maar groen. Jungle klauterde tot aan de hemel. Vleesetende planten lieten hun uitdagend rode kelken hangen met het dekseltje uitnodigend open. Vogels kwetterden overal maar waren nauwelijks te zien.
      Het water was van een onwerkelijke wit-turquoise kleur omdat de zeebodem bedekt was met een dikke laag wit kalksteenmodder. De bedoeling was dat je het water inging, handenvol plakkerige witte modder opdook om die vervolgens over je lichaam uit te smeren en in de zon te laten drogen. Dat is goed voor je huid, zeggen ze, maar het was vooral grappig.

  

Weer raceten we door het labyrint van groene eilanden en kwamen uiteindelijk aan bij een kleine steiger, waar op twee witte bankjes twee hele dikke mannen lagen te dutten. Ze richtten zich traag op om te helpen bij het aanleggen. Achter de steiger liep een smal pad door de jungle steil omhoog de bergwand op.

      Het was een flinke klim, maar eenmaal boven, stonden we direct aan de rand van een groenig meer.

  Dit was Jellyfish Lake.

Nergens ter wereld zijn er zoveel marine lakes als in de Rock Islands, en dit was er één van.
      Een marine lake is een ooit door geologische krachten van de zee afgesneden baai.

Een zoutwatermeer dus in eerste instantie, maar dit meer was in de loop der duizenden jaren een beetje brak geworden.

 

  

Er bevonden zich kwallen in het groene water, giftige gele kwallen die in al die jaren weliswaar door het gebrek aan natuurlijke vijanden hun gif hadden verloren maar zich intussen door datzelfde gebrek ook heel flink hadden kunnen voortplanten. Nu is het meer een reservoir geworden dat vol kwallen zit die dagelijks met de zon meedraaien en bij zonsondergang naar beneden dwarrelen.
         Er stak een kleine steiger het meer in waar je flippers en een duikbril met snorkel kreeg en een zwemvest om te kunnen drijven zonder al te veel te hoeven flipperen.
      Dan was het even ademhalen, letterlijk en figuurlijk, voordat je genoeg moed had verzameld om het brakke groenige water in te springen.

  

Ik zwom naar het midden van het meer waar de zon de kwallen heen had gelokt. De eerste kwallen boden zich aan. Meest kleintjes waren het, gele vlekjes, maar het werden er steeds meer naar gelang ik verder zwom en als ik harder flipperde schoten de kwalletjes langs me heen en leek het alsof ik in een soort Star Wars ruimteschip door de sterren Galaxy’s schoot.

  

Een wonderlijk gezicht. Kwallen als sterren. Ze werden steeds groter en het werden er schrikbarend veel. Je kon ze aanraken, vastpakken, ze prikten niet. Zonnestralen trokken diagonalen door het groene water terwijl duizenden, tienduizenden kwallen in doodse stilte overal gracieus om me heen zweefden. Hun prachtige pompende bewegingen leken een soort ballet, verstild en van een andere wereld.

  

Ik geloof niet dat ik ooit zoiets betoverends heb gezien.

    

Het Jellyfish Lake is inmiddels zo populair dat Palau het stempeltje dat je bij binnenkomst in je paspoort krijgt heeft aangepast.

  

Een aantal dagen later voer ik op een klein bootje naar het eilandje Carp, net ten zuiden van de Rock Islands.

  

Een stervormig eiland met lage heuvels, onbewoond, maar met een kleine sympathieke eco-lodge waar alles van lokaal materiaal was gebouwd. Je kon er kajaks huren en dagtochten maken naar o.a. Turtle Cove, een plek waar je bijna altijd zeeschildpadden tegen kon komen.

  

De volgende dag trok ik er samen met gids Godwin op uit. De zon was al flink heet zo vroeg in de morgen. We maakten ieder een kajak klaar, stopten snorkelspul, eten en drinken in de ruimte achter het stoeltje en peddelden midden over de ondiepe lagune langs de westkust van Carp.
      Het water was kraakhelder, de zeebodem was van maagdelijk wit zand. Keerkringvogels vlogen hoog over. Een aantal pelikanen vloog in formatie achter elkaar vlák boven de golven terwijl onder me een groep grote roggen als onderwatervogels voorbijvloog.

  

   (Kleurets Rolf Weijburg)

                  

                  (Detail uit ets)

We staken een stuk open zee over en peddelden in de luwte van alweer een jungle-eiland verder. Na anderhalf uur kwamen we bij een klein strandje waar we de kajaks aan land trokken. Van hieruit gingen we zwemmend en snorkelend verder.
      Onder water openbaarde zich een sprookjeswereld van vissen en visjes, koraal, zeesterren, zeeslakken, alles in eindeloze variaties van kleur en vorm.

Wàt een drukte!                                                               

We flipperden steeds verder de zee op. De koraalbodem begon weg te zakken de diepte in. Een gigantische school grote, geel-grijs gestreepte vissen “stroomde” als ware het één groot organisme langs de koraalwanden de diepte in.
      Een paar zeeschildpadden zwom traag langs ons heen.
Nieuwsgierig kwamen ze ons bekijken, je kon ze bijna aanraken. Vreemde prehistorische, misschien wel buitenaardse koppen. Onderwater ET’s, dát waren het.

      Toen opeens hing ik boven de afgrond. Onmetelijk diepblauw onder me. Godwin stootte me aan en wees de diepte in. Daar cirkelden de onmiskenbare silhouetten van een drietal grote haaien.
      Ik werd duizelig, een soort hoogtevrees. Of was het de angst voor de silhouetten onder me. Ik voelde me niet goed in ieder geval en wilde terug, gaf Godwin een teken en zwom terug naar de veilige ondiepte van de lagune met zijn mooie kleine visjes.

    Toen we later op het strandje bij de kajaks aan de lunch zaten, vroeg Godwin waar ik eigenlijk vandaan kwam.
      “Uit Nederland. Holland”, zei ik.
Hij moest even nadenken.
      “Holland? Is dat niet dat land met die muren er omheen waar de zee permanent tegenaan beukt?”
      “Nou, eh …”begon ik, maar hij viel me in de rede.                                          
      “Dijken! Ja, dijken zo heten die muren toch?” Hij had er op school over geleerd.
      “Ongelofelijk. Jullie Hollanders zijn een heel volk dat achter die muren leeft, diep onder zeeniveau en altijd maar met die dreiging van de zee, toch?”. Hij siste wat tussen zijn tanden.
      Ineens begreep hij waarom ik zo bang was geworden bij die intens blauwe afgrond daarnet. Die angst voor al dat water. Het moest een trauma zijn dat alle Hollanders met zich mee torsten.
“Eigenlijk vind ik jullie wel helden, hoor. Dat jullie daar durven te wonen, achter die muren. Dat je dat dúrft!”

Als vrienden voor het leven peddelden we terug over het vredige water van de Palauaanse lagunes.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

.

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh