Reizen (158)

 
Twee Witte Paarden

 Het was 6 mei 2010. 

      Wij waren in het truffeldorado Norcia in het Italiaanse Umbrië en besloten om niet via Oostenrijk of Zwitserland naar huis te rijden, maar via Frankrijk. Vlak voor de grens kwamen wij na 718 kilometer in Aosta terecht in Hostellerie du Cheval Blanc. Dat was enigszins vreemd, want er zijn in Italië niet zoveel hotels met een Franse naam.
     
Maar het zou nog veel vreemder worden want de volgende dag belandden wij na 651 kilometer in de Franse Champagne in het plaatsje Montmort-Lucy. 
     
In -jawel- Le Cheval Blanc.

 

Dat was een merkwaardig toeval, want hoe groot is de kans dat je zonder reserveringen vooraf op goed geluk twee maal achter elkaar terecht komt in een hotel met dezelfde naam?
      Ik hou het op een kans van 1 op 123.746 duizend.

Voor het geval u mij niet gelooft publiceer ik hierbij de rekeningen met de data.

      Dat zijn bovendien leerzame briefjes.


Aosta

                         

Hostellerie du Cheval Blanc in Aosta is wat betreft de overnachting met 150,-- aan de prijzige kant.
     
Het diner is daarentegen erg goedkoop.
Ik denk dat het gebleven is bij uitgebreide antipasti. Er was een flesje witte Lambrusco voor 18,--


Montmort

                                   

 

Kamer nummer 2 in Le Cheval Blanc in Montmort-Lucy was inderdaad niet meer dan 60,-- waard.
      Twee aperitiefjes -twee glazen champagne natuurlijk- waren er voor 15,-- en een half flesje witte Sancerre deed 16,--.
Er was bij die wijn natuurlijk vis, waarschijnlijk forel met amandeltjes want de keuken op het Franse platteland verandert nooit.
      Twee ontbijtjes waren er voor 15,--.

 

      


L
anding Is Always Tricky
.

(Door Rolf Weijburg)

Je kan zeggen wat je wilt, maar we vertrokken precies op tijd vanuit Barbados. Het  propellervliegtuig taxiede naar het begin van de landingsbaan, de propellers begonnen op volle kracht te draaien en je voelde dat het vliegtuig van de grond wilde. Toen de piloot de remmen los haalde schoot het toestel dan ook over de baan en trok in een mum van tijd de lucht in.
      Bridgetown schoof onder ons door, we zagen de prachtige stranden van de westkust, het turkooizen water, enkele gigantische cruiseschepen en weg was het op twaalf na kleinste land ter wereld.

   

We waren op weg naar het op eenentwintig na kleinste land ter wereld: Dominica. Niet te verwarren met de Dominicaanse Republiek, een land iets groter dan Nederland dat het eiland Hispaniola deelt met Haïti, weliswaar ook in de Cariben, maar ruim twaalfhonderd kilometer noordwestelijker.


LIAT

      

 

Leaves Island Any Time

Het vliegtuig was van LIAT, een vliegtuigmaatschappij uit Antigua & Barbuda die met vluchten naar zo’n beetje alle Caribische eilanden een Caribisch monopolie leek te hebben. LIAT, spreek uit Laai-et, staat voor Leeward Islands Air Transport.
      De maatschappij genoot een op zijn zachtst gezegd twijfelachtige reputatie in de regio en er werd dan ook overal naar hartenlust geïmproviseerd met de woorden waarvan de vier letters de initialen zouden kunnen zijn.

      “Leaves Island Any Time”, is er één van. Maar we vertrokken op tijd.

We maakten een tussenlanding in Saint Lucia en ook daar landden en vertrokken we nagenoeg op tijd. Toen we Saint Lucia achter ons lieten was het donker geworden.

      Het internationale vliegveld van Dominica (toen in 2012,nog Melville Hall geheten, tegenwoordig heet het  Douglas-Charles) ligt op het enige stukje vlakke land aan de noordoost kust van het eiland en is omringd door ruig met oerwoud overgroeid bergland. Landen is er niet eenvoudig, het geaccidenteerde omliggende terrein zorgt voor lastige aanvliegroutes met verraderlijke winden. Pas in 2010 vergaarde het vliegveld de noodzakelijke navigatiesystemen, protocollen en certificaten om ook landen in het donker mogelijk te maken.

      Na drie kwartier vliegen werd de passagiers verzocht de riemen vast te doen, de tafeltjes in te klappen en de stoelen rechtop te zetten. We wachtten af. Door het raampje zag ik alleen maar donkerte. Het vliegtuig daalde, draaide, en daalde verder. Nog steeds zag ik niets. Het toestel leek weer wat op te trekken en draaide de andere kant op. Het leek alsof de motoren stationair draaiden terwijl we grote cirkels vlogen. De passagiers waren stil. Weer daalden we. Weer draaiden we. Nog steeds zag ik niets. Het leek een eeuwigheid te duren. We hoorden de flaps uitschuiven, het landingsgestel zakken en het geluid alsof er werd teruggeschakeld. Maar er gebeurde niets. Buiten bleef het donker. We trokken weer op.

De intercom kraakte. De captain sprak.
      “Helaas kunnen wij vanavond niet landen op Dominica. Excuses voor het ongemak. Wij vliegen nu door naar Guadeloupe.”

Nu maakte LIAT een andere veel gebezigde bijnaam wél waar: “Landing Is Always Tricky”.
      Met bestemming Dominica mochten we in het Franse Guadeloupe niet uitstappen en moesten we nog een uurtje door naar Antigua & Barbuda, LIAT’s “hub” en het eindpunt van deze boemel.

De Cariben is een paradijs voor de Kleine Landjes Vorser. Binnen een dag vlogen we van Barbados, het op twaalf na kleinste land ter wereld, via een stopover op Saint Lucia, nummer 18 op de lijst van kleinste landen, en een mislukte landingspoging op Dominica, het op eenentwintig na kleinste land ter wereld, naar Antigua & Barbuda, dat op positie 14 van de kleine landjes lijst staat. Met een beetje meer geslinger hadden we ook nog Grenada (11), Saint Vincent & the Grenadines (12) en Saint Kitts & Nevis (13) mee kunnen pikken.

      Maar zo was het wel genoeg.
We waren van Barbados op weg naar Dominica en moesten nu dus om onduidelijke redenen uitwijken naar het noordelijker gelegen Antigua.


L
ost In between Antigua and Trinidad

Noem het “Lost In between Antigua and Trinidad”, zoals een andere bijnaam van LIAT luidt.
      We zouden de nacht op Antigua doorbrengen en met een stuk of twintig andere verdwaalde passagiers reden we in een bus over het donkere eiland. Kleine weggetjes, linksaf, rechtsaf, helling op, bergje af, door dorpen en langs plantages. Een uur onderweg totdat we bij een groot, verlaten hotel aan de zuidwestkust van Antigua kwamen. Alle passagiers kregen kamers en in der haast werd een aantal maaltijden klaargemaakt. Er waren geen andere hotelgasten. De volgende ochtend zouden we een nieuwe poging wagen om Dominica te bereiken.

      Het was nog donker toen we werden gewekt. Er was een snel ontbijt en daarna weer een uurtje in de bus. We konden nu het glooiende landschap van Antigua zien. Het zag er allemaal veel droger uit dan het groene eiland dat ik me herinnerde van een aantal jaar terug.
      Het vliegveld was net open. We konden inchecken, maar het kleine cafetaria en de drie winkeltjes waren nog gesloten. Uiteindelijk was het dan zover en konden we aan boord. We vlogen over de grillige kusten van Antigua, later over de bergen van Guadeloupe en na een uurtje kwam Dominica in zicht.

   


   

Het vliegtuig daalde, draaide bij en daalde nog meer.
      We doken door de bewolking heen en vlogen dicht over de indrukwekkende met oerwoud bedekte bergen.

   

   

 Toen maakte het vliegtuig nog een abrupte duik en raakten we met een flinke schok het asfalt van Melville Hall Airport.

   


L
uggage IAnother Terminal

We waren veilig op Dominica aangekomen, maar toen we als laatste nog stonden te wachten bij het kleine luik waar de bagage doorheen werd geschoven, en er écht niets meer kwam, was het wel duidelijk: de bagage was niet meegekomen.
      Lagen de tassen nog in Antigua? Waren ze niet uitgeladen en nu op weg naar Barbados?
Niemand die het wist.

      Eén ding was zeker: Luggage In Another Terminal.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


Exorbitante schoonheid

    


(door Rolf Weijburg)

Ik denk niet dat het heel veel met mij te maken heeft, maar sinds mijn verblijf in Palau in 2007 is het toerisme er explosief toegenomen. Chinezen hebben Filipino arbeiders grote hotels laten bouwen waar sindsdien heel veel Chinezen zijn komen logeren die door Filipino personeel bediend werden. Chinezen, Zuid-Koreanen, Taiwanezen, Japanners en Amerikanen, allemaal komen ze voor óf de tastbare overblijfselen van de oorlogsellende, óf de exorbitante schoonheid van Palau’s eilanden. Het intens groene oerwoud, het kristalheldere water, de stranden, de spectaculaire snorkel- en dive-sites, of het Jellyfish Lake.
      Het wordt druk in Palau.

  

Maar ook om andere redenen brokkelt het paradijs een beetje af.


Jellyfish Lake

  

Palau’s grootste trekpleister, het Jellyfish Lake, een bijna geheel met kwallen verzadigd zoutwatermeer waar je in kunt zwemmen, sterft af. Waren er in november 2015 nog ruim 8 miljoen kwallen, eind vorig jaar waren het er nog hooguit 600.000. Meest jonge kwallen, de grote, oudere exemplaren bleken te zijn verdwenen. Enkele touroperators hebben hun bezoeken aan het meer onlangs gestaakt, omdat toeristen steeds vaker niet één kwal meer tegenkwamen.
      De oorzaak wordt in de schoenen van El Niño geschoven, het periodiek terugkerend fenomeen van opwarming van bepaalde delen van de Stille Oceaan dat wereldwijde klimaatveranderingen teweeg brengt. In Palau is het de afgelopen jaren warmer dan ooit en heeft het nog nooit in het 65 jarig bestaan van haar meteorologische dienst, zó weinig geregend.

Het Jellyfishmeer is daardoor zouter dan ooit geworden.

Over het algemeen zorgt Palau goed voor het milieu. Het land wordt gezien als een leider in de strijd tegen milieuvervuiling en klimaatverandering in de regio. Stemmen gaan nu op om het Jellyfishmeer voor alle publiek te sluiten om zo de kwallen de kans te geven deze moeilijke periode te boven te komen. Een gevoelige beslissing omdat deze zeker weerslag zal hebben op ’s lands grootste kostwinner: het toerisme. Ook het feit dat er eind vorig jaar algemene verkiezingen waren heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen, dat het nemen van die beslissing werd uitgesteld. Hoewel er niet zo veel meer te zien is, blijft het meer dan ook vooralsnog voor het publiek toegankelijk.


Politiek

In de presidentsverkiezingen won de zittende president Tommy Remengesau van zijn rivaal en zwager Surangel Whipps. Het verschil in stemmen was maar 255, zelfs met de slechts 16000 stemgerechtigden van het land nog een nipte overwinning.
      Naast de president werden ook een vicepresident, 13 nieuwe senatoren en 16 nieuwe leden voor het Huis van Afgevaardigden gekozen. Die 16 zetels in het Huis van Afgevaardigden zijn voor vertegenwoordigers uit ieder van de 16 federale staten van het land.

  

Het zijn allemaal staten met heel weinig inwoners. Om een idee te geven: de hele staat Melekeok op het grote eiland Babeldaob waar het gehucht Ngerelmud is uitgeroepen tot nieuwe hoofdstad met een kopie van het Amerikaanse Capitool als regeringszetel, heeft slechts 300 inwoners.
      Alleen in de staten Airai in het zuidoosten van Babeldaob en in Koror waar de gelijknamige, vroegere hoofdstad ligt, wonen meer dan duizend inwoners (respectievelijk 2500 en 11500).

  

 

Tobi

Op de dag van mijn vertrek uit dit op 15 na kleinste land ter wereld toen ik buiten het vliegveldgebouw op een houten bankje in de schaduw zat te wachten op mijn vlucht, kwam een man van typisch Palauaans postuur naast me zitten. We raakten aan de praat.
      Hij kwam van het eilandje Tobi, vertelde hij trots en liet me de tekst zien die achter op zijn T-shirt was geprint. TOBI stond er in dikke donkerrode blokletters, als ware het een bedrijfsnaam.

                       

“Where is Tobi?”, vroeg ik en pakte mijn kaart erbij.
      De man twijfelde geen moment en wees naar het aller zuidelijkste eilandje helemaal aan de onderkant van de kaart.


Eenzaam lag het daar, samen met het naburige onbewoonde Helen Reef, slechts drie vierkante kilometer groot en achthonderd bijna lege oceaankilometers verwijderd van de rest van het land.
      “Dat is heel ver weg!”zei ik. “Hoe kom je daar?”
      “Dat moet je regelen”, zei hij mysterieus.
      “Maar wie woont daar nou? En hoeveel mensen dan?”
      “They’re all my brothers and sisters.”
Ik weet niet of hij het letterlijk of overdrachtelijk bedoelde maar in totaal waren het er 23 die overigens ook nog n’s een eigen taal spraken, het Ramarih Hatohobei, een taal die niemand anders in Palau verstond.

Er was geen haven, alleen een strand. Een vliegveld was er ook niet, daar was het eiland te klein voor. Maar toch was Tobi op een bepaalde manier ook weer groot.


 Het kleine eiland Tobi vormde namelijk, samen met het onbewoonde Helen Reef, één van de zestien federale staten van Palau. The State of Hatohobei. Het had, net als de andere staten, een gekozen vertegenwoordiger op een zetel in het Huis van Afgevaardigden daar in dat Palauaanse Capitool midden in de jungle van Babeldaob.
      Een staat waar één op de 23 inwoners volksvertegenwoordiger was.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

De slag om PELELIU

           


(Door Rolf Weijburg)

Auntie Margaret pruimde een betelnoot. Samen met haar vriendin Evelyn zat ze in kleermakerszit in de schaduw van het met palmbladeren beklede puntdak van een grote Abai. De noten bewaarde ze samen met een klein sierlijk bakje fijngemalen koraal en een zakje met wat tabak (de ideale mix voor puur betelgenot) in een elegant handtasje van gevlochten riet dat naast haar lag. Terwijl Diane een omeletje voor me maakte, vroeg Auntie Margaret me de oren van het hoofd.
      Margaret was een nieuwsgierige vrouw. Ze was ook grappig, praatte voortdurend en had slimme heen en weer schietende ogen. Al die dingen contrasteerden eigenlijk een beetje met haar mollig Micronesische relaxedheid. Ze was dertig jaar lang stewardess voor Continental Airways geweest, runde op het eiland nog een winkeltje, maar was eigenlijk met pensioen. Ze had van haar salaris een groot huis van twee verdiepingen kunnen bouwen, één van de weinige op Peleliu. Het stond achter ons aan de rand van het strand op een terrein vol bloemen en palmen. Aan de zijkant van het huis vond ik een aantal in karton en plastic verpakte grote pakketten. Er stond een plaatje van een jacuzzi op.

“Jazeker”, zei Diane, “dat is een echte jacuzzi. Helemaal compleet en gloednieuw. Nooit gebruikt. Er zit ook een hele sauna bij. Ligt hier al een jaar of vijf, schat ik.”

Een jaar of vijf terug zag een Filipijns bedrijf in sauna’s, jacuzzi’s en sjieke badkamers een gat in de markt in Palau. Het bedrijf vloog wat mooie voorbeelden van zijn handel naar Koror, waar het een tijdelijke verkooptentoonstelling inrichtte. Maar de handel viel tegen en na een maand was er niet één product verkocht. Vervelend, mede omdat er daardoor onvoldoende geld was om de uitgestalde sauna’s e.d. terug te vliegen naar de Filipijnen.
      Auntie Margaret was er als de kippen bij en kocht een sauna en jacuzzi voor een spotprijs. De grote pakketten werden een paar dagen later in haar tuin gedumpt, maar de installateur was inmiddels naar de Filipijnen teruggevlogen. Op Palau zijn helaas geen jacuzzi-installateurs en Auntie Margaret eiste dat de man terugkeerde om de boel te komen installeren. Maar die wilde dat ze eerst zijn retourticket betaalde en, tja, dát weigerde Auntie Margaret …

And so it is that Palau’s only jacuzzi and sauna remain unpacked …”

Diane schudde afkeurend haar hoofd.

  

Auntie Margaret (links) en haar vriendin Evelyne

We gingen op pad. In Margaret’s Toyota pick-up reden we het eiland in. Margaret achter het stuur, Evelyne er naast en Diane en ik in de achterbak. Lekker uitwaaien, want God wat was het heet.
      Peleliu, zo mooi en vredig als het er nu uitziet, was ooit het toneel van één van de meest bloedige en gruwelijke slagen uit de Tweede Wereldoorlog. De Slag om Peleliu werd aan het einde van de oorlog, najaar 1944, uitgevochten en duurde twee en een halve lange, vreselijke maanden.
      We stopten bij een klein museum dat was ingericht in een enorme bunker die tijdens de oorlog het Japanse commando huisvestte.
Het museum lag vol met verroest oorlogsmateriaal: mitrailleurs, helmen, bajonetten, geweren.

  

Er waren foto’s en artikelen uit Japanse en Amerikaanse kranten en reproducties van schilderijen vol gruwelijke taferelen van een Amerikaanse kunstenaar. Ook zag ik bebloede hoofddoeken met Japanse teksten, die de soldaten meekregen van thuis voordat ze zich ten strijde begaven. Alles lag en hing er een beetje verwaarloosd bij, iets wat alleen maar bijdroeg aan het gevoel van zinloosheid.

      We reden verder over dit prachtige eiland. Door een dichte jungle met hier en daar kleine taro- of bananenplantages.

“Weet je eigenlijk hoe het komt dat de meeste eilandbewoners hier in redelijk luxe huizen wonen en het over het algemeen financieel best wel goed hebben?” vroeg Diane.

Ik had er niet zo over nagedacht, maar nu ze het me zo vroeg, nee, ik had geen idee.

“De meeste mensen hier hebben, verstopt in de jungle, kleine veldjes waar ze marihuana verbouwen. Niemand weet waar ze liggen, zelfs onder elkaar vertellen de eilanders niet waar hun planten groeien. Maar eens in de zoveel tijd wordt er geoogst en wordt de wiet vervoerd naar Guam waar het clandestien aan de Amerikanen wordt verkocht. Het is dé bron van de relatieve welvaart van Peleliu. Een publiek geheim in Palau, maar nog nooit is er onderzoek naar geweest.”

De wegen waren in redelijke staat en dateerden nog uit de oorlogstijd toen ze door de Japanners waren aangelegd. Het waren er veel, kriskras over het eiland. Het eiland lag er vol mee. Ook het flinke en vooral brede vliegveld stamde nog uit de Japanse tijd. Overal groeide onkruid en ik kon me nauwelijks voorstellen dat er hier nog vliegtuigen landden. Maar dat was wel degelijk zo: Palau Air onderhield een paar keer per week een vlucht op het eiland. Tegenwoordig wordt die service aangeboden door Pacific Mission Airways dat als slogan “Serving Jesus Christ” heeft.

“Op woensdag komt het vliegtuig uit Koror hier aan het begin van de avond. Dan branden er lampjes tussen het gras langs de landingsbaan.”
      Even dacht ik dat Diane er romantisch van werd.

  

Misschien was dit vliegveld wel één van de oorzaken van de Slag om Peleliu. In een in 1944 nieuw ontwikkelde Amerikaanse strategie zou het eiland een belangrijk bruggenhoofd moeten worden voor de opmars naar Japan. Eerst Peleliu, dan de Filipijnen, vervolgens via Taiwan op naar Japan, was het plan. Peleliu, met zijn vliegveld, moest als eerste worden veroverd.
      Het begon met bombardementen. Duizenden bommen wierpen de Amerikanen af over het eiland. Het vliegveld werd verwoest, de jungle brandde af en de huizen werden platgebombardeerd. In een vlaag van barmhartigheid hadden de Japanners de lokale bevolking gelukkig overgebracht naar de noordelijke eilanden Koror en Babeldaob. Toen de Amerikanen de bombardementen na enkele dagen staakten verschenen schepen langs de kust van waaruit een paar duizend man de ooit paradijselijke stranden van Peleliu bestormden. Het eiland was letterlijk platgebombardeerd, er was geen tegenvuur geweest en de Amerikanen verwachtten weinig weerstand.

Maar de Japanners waren van tactiek veranderd. Ze hadden zich ingegraven in een gigantisch complex van tunnels en schuilkelders die ze hadden uitgegraven in het relatief zachte kalksteen van de met jungle overgroeide bergen en heuvels. Het hele eiland was ondergraven. 11000 man, nauwelijks aangetast door de zware douche van bommen van de afgelopen dagen, had zich stil gehouden en wachtte verscholen in hun tunnels de Amerikanen op.
      Het werd een strijd van apocalyptische proporties. In de twee en een halve maand die de gevechten duurden kwamen 11.000 Japanners en bijna 2.000 Amerikanen om het leven. Nog eens 8.000 Amerikanen raakten gewond of vermist.
      En om het allemaal nog zinlozer te maken dan oorlog sowieso al is, gaven de Amerikanen later toe dat de hele slag om Peleliu van geen enkel belang is geweest voor de laatste fase van de oorlog …

  

Op het aller-zuidelijkste puntje van het eiland kwamen we bij het Peace Memorial Park waar een groot monument was gebouwd ter nagedachtenis aan de gevallenen. Het stond op een prachtige plek met in de verte zicht op het eiland Angauer. Dit kleine eiland ligt net buiten de gigantische lus van koraal waarbinnen bijna alle Palauaanse eilanden liggen, zodat je sterke stromingen moet trotseren om er te komen.

It looks close by, but it takes ages to get there!”, zei Diane. “De 250 inwoners van het eiland zijn er in een lange strijd verwikkeld met groepen apen, afstammelingen van twee makaken die ooit door Duitse kolonisten aan land waren gebracht. Het zijn de enige apen in heel Micronesië. Ze eten krabben. De eilanders ook. Van daar.”

  

Margaret draaide de auto en we reden weer noordwaarts, langs Orange en White Beach waar de Amerikanen destijds aan land waren gekomen, het binnenland in tot aan een klein parkeerterrein waar een tank lag weg te roesten in het gras.
      Wat verderop stak de loop van een mitrailleur dreigend uit de jungle.

  

Een in de aarde uitgegraven trap leidde tegen de berg op. Dit was Bloody Nose Ridge, de bergrug waar na zware gevechten de Japanse kolonel Nakagawa op 24 november 1944 na twee en een halve maand weerstand de Japanse vlag verbrandde en harakiri pleegde. Zich overgaf, kortom.
      Er stonden Amerikaanse en Japanse monumenten en het uitzicht was fenomenaal.

Ongelofelijk wat een ellende zich hier toen moet hebben afgespeeld.
      Hier op deze plek, waar nu het woord “liefelijk” het enige was dat me te binnen schoot.

  

In het eindeloze gangenstelsel binnen in de berg onder ons hebben 34 Japanse soldaten zich, angstig om door de vijand te worden ontdekt en onbewust van het feit dat hun kolonel zich had overgegeven of zelfs dat een paar maanden later de hele oorlog was afgelopen, nog twee jaar - tot april 1947- schuilgehouden …

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

De dag van het Israëlische bombardement

Het gezelschap praat even niet over de komende verkiezingen. Maar over Feyenoord, dat het toch niet gaat redden en Mosul dat weer in handen komt van het Irakese leger.
      Mosul dus.
Ik laat vallen dat ik er wel eens geweest ben. Lang geleden alweer. We waren anderhalve dag in Irak en toen werd het 7 juni 1981. Eén van de meest beladen dagen in de geschiedenis van het land. Op die dag namelijk werd een kerncentrale bij Osirak in de omgeving van Bagdad gebombardeerd door Israël. Het land verkeerde in een enorme chaos.

Ik was daar met Roel van Broekhoven. Wij gingen voor de VPRO-Radio de wereld rond zonder geld. Wij waren het team donker & interessant en namen het op tegen het team jong & blond bestaande uit Ton van der Graaf en Jan-Willem Dolk. Het werden gedenkwaardige en populaire radioprogramma's met ongekend hoge luistercijfers. Af en toe word ik er zelfs ruim 35 jaar later nog over aangesproken.


Mijn gedachten dwalen af. Ik zie Willem weer voor me daar in Istanbul. Een Nederlandse vrachtwagenchauffeur.

      Hij vervoert 36 ton elektronische apparatuur voor een bedrijf in Mosul in het noorden van Irak.
      ‘Ga mee’, zegt hij, ‘ga gerust mee’.
Willem heeft blikjes Nederlands voedsel bij zich en draait onafgebroken het Nederlandse levenslied. We slapen in de auto en doen in Ankara onze ambassade aan, waar de ambassadeur persoonlijk in één dag een visum voor Irak regelt.
      ‘Ik heb ze laatst nog enorm uit de brand geholpen’, zegt hij in keurig diplomatenjargon.
      ‘Kwestie met een paar Koerdische boys. Hoogste tijd dat ze iets terugdoen. Hoogste tijd’.

Op het lege platteland van Anatolië zingen we liederen.’Met de vlam in de pijp’. En: ‘Hou je echt nog van mij Rocking Billy?’ Voor de grens Turkije-Irak staat een rij vrachtauto’s van ongeveer twee kilometer.
      ‘Wacht maar’, zegt Willem; ‘ik regel dit wel even’.

Wij lopen langs de rij. Hij stapt op een douanier af en we verdwijnen in een hokje. Hij geeft hem een fles whisky, een slof sigaretten en een stapel pornoboekjes.
      ‘Harde porno willen ze tegenwoordig hebben. In kleur’.
Wij lopen terug en kunnen de rij met voornamelijk vrachtauto’s uit het Oostblok ongehinderd passeren.

Wij rijden door Mosul. Een bouwput aan de rand van de stad. Willem levert zijn spullen af. Hij gaat weer naar huis, maar wil wel helpen. want we willen door naar Bagdad. Hij stapt op een Roemeense vrachtwagenchauffeur af.
      ‘Hé colleague. How are you man? You want a drink?’
Hij reikt hem een fles water aan, waarin hij citroensap spuit. Laat hem ook nog een fles whisky zien.
      ‘Ga je naar Bagdad? Wil je mijn vrienden naar Bagdad brengen’?


Bloedhitte aan de Tigris

Het heet Tikrit. Geboorteplek van Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met Saladin, de moslim-leider die Jeruzalem veroverde op de kruisvaarders en er ook vandaan kwam. Een stadje aan de lieflijke licht groene Tigris. Het trilt en schittert in de bloedhitte.
      Twee mannen in uniform gewapend met machinegeweren stormen op de vrachtwagen af. We moeten mee. Dreigementen. Gebaren met handboeien. Paspoort in beslag genomen. Ze zien daar Isra
ël staan.
      ‘’Ben jij een Jood?’’, vragen ze.

Ik begrijp niet waarom ze dat vragen dus zeg ik “’Hoezo’’.
       Ze vragen het nog een keer. ‘’Nee. Ik ben geen Jood’’.
De sfeer is uiterst gespannen. Vijandig. En het wordt nog erger als ze in het paspoort van collega Roel een visum voor Iran vinden. Irak is immers op dat moment in oorlog met dat land!

     
Ze kijken weer naar onze paspoorten. We worden in een soort celletje gezet. Af en toe komt er iemand langs.
Het is intimiderend en angstig.
      Even zijn we bang dat onze wereldreis een heel somber eind gaat krijgen.

Maar na een uur of drie geven ze onze paspoorten terug, nemen ons mee naar buiten en houden een personenauto aan.

     


In de auto zitten twee Fransen die voor Total werken.

     

      ‘Heeft u het al gehoord?’
     
      ‘Nee!
      'Wat zouden we gehoord moeten hebben?’
     
      ‘Israël heeft die kernreactor bij Bagdad gebombardeerd!’
     
      ‘Israel?’ 
      ‘Iran zult u bedoelen’. 
     
      ‘Non. Les Juifs.
      'Israël is met straaljagers binnengekomen en heeft bommen gegooid’.

Een paar uur later bereiken we Bagdad. Alom controles. Schreeuwende mensen. Chaos. Het is pikdonker. Geen elektriciteit. Overal in de lucht hangen ballonnen. Dat is -verzekert men mij- tegen een nieuwe aanval. 
     
De volgende ochtend word ik gebeld door een collega van mijn omroep. Ze zijn door de ambassade op de hoogte gesteld. Hij vindt dat ik zo snel mogelijk voor ‘onze radio’ het verhaal van die gebombardeerde kernreactor moet vertellen,

      ‘Jullie zijn waarschijnlijk de enige buitenlandse journalisten in Bagdad. Iedereen wil jullie in de uitzending. De televisie ook. BRT, BBC noem maar op. Ze hebben daar niemand’. 
      ‘Tja! Ik ben hier net. Die reactor ligt hier zestig kilometer vandaan. Overal zijn versperringen. Ik kan daar nooit in de buurt komen. Jullie weten waarschijnlijk meer dan ik’.
      ‘Dat geeft niet. Jullie zijn daar en kunnen een ooggetuigenverslag geven. Beschrijf gewoon de sfeer’.
      ‘Oké. Ik zal een ooggetuigenverslag geven’.

Tien minuten later al komt het onvermijdelijke cliché:
      ‘Hoe is daar in Bagdad op gereageerd?’

Ik hoor mezelf weer in staccato praten.
      Dat de situatie in Bagdad uiterst gespannen is.
      Dat er chaos heerst.
      Dat er ter afschrikking ballonnen in de lucht hangen
      Dat men roept om wraak.
      Dat de officiële lezing is, dat het niet ging om een kernreactor maar een speelgoedfabriek.
      Dat die ochtend in een krant een foto staat van ernstig gewonde kindertjes en dat ''de Joden'' daar              verantwoordelijk voor zijn.

Mosul dus. We zijn er doorheen gereden.
      Zelfs op de dag dat het land gebombardeerd werd door een vijandige mogendheid kon dat.
Nu is dit volkomen uitgesloten. Sinds oktober vorig jaar zijn 200.000 mensen gevlucht.
      Anderen leven ondergronds en hebben een tekort aan alles. Er heerst hongersnood.
Gevangengenomen burgers dienen als menselijk schild.

 

Ga voor foto's , beschrijvingen, krantenartikelen, reacties en de uitzendingen van de wereldreis naar

                                  deze site van het VPRO-Radioarchief

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh