Reizen (158)

 


 

Saint Kitts 3 -Nevis 0


(Door Rolf Weijburg)

Victor voer al enige jaren de wereld rond met zijn catamaran. Nu was hij in het Caribisch gebied.
   “Kom maar over, dan varen we naar wat kleine landjes”, had hij gezegd.

Ik nam de Intercity naar Rotterdam, de Thalys naar Parijs, de RER naar Orly, Air France naar Guadeloupe en een taxi naar een hotel in Point-a-Pitre, de wat verlopen hoofdstad van dit Franse Département. De volgende ochtend vroeg nam ik de bus terug naar het vliegveld en de LIAT vlucht naar Antigua. Ondanks één van de vele pseudoniemen die men voor de afkorting van deze Antiguaanse luchtvaartmaatschappij had bedacht, “Leaves Island Any Time”, vertrok het vliegtuig keurig op tijd.
         

Onderweg zag ik vanuit het raampje de rokende kegel van de vulkaan op het Britse eiland Montserrat die sinds 1995 in diverse uitbarstingen tweederde van het eiland, waaronder de hoofdstad Plymouth, de haven en het internationale vliegveld, als een modern Pompei onder een dikke laag vulkanisch gruis had bedekt.

   


   

Een stekende zwavelgeur uit de nog napuffende vulkaan drong door tot in de cabine van het vliegtuig toen we de landing alweer inzetten en na een half uurtje neerstreken op de luchthaven van Antigua. Twee uur later vloog ik in een ander en kleiner LIAT vliegtuig door naar Nevis, het kleinste van de twee eilanden die samen de federale staat Saint Kitts & Nevis, het op zeven na kleinste land ter wereld, vormen.
      We kwamen aan in een dichte mist van regen. Het góót in Nevis.

   

De dienstdoende immigration officer bladerde door mijn paspoort en keek naar het immigratieformulier dat ik in het vliegtuig had ingevuld. Omdat ik niet wist hoe lang ik in het land zou blijven had ik “Transit” ingevuld achter “Intended Length of Stay”. Dat had ik misschien beter niet moeten doen.
      De beambte vroeg om mijn retourticket. Dat had ik niet.

How will you leave the country?”

By ship. A catamaran that’s waiting for me in Gallow’s Bay, Charlestown.

A transit permit is for 2 days only”, zei de man nors.

Ik wist heel goed dat Saint Kitts & Nevis maar een klein land was, maar twee dagen was me toch wat te weinig. Ik sputterde tegen. Maar nee, transit is twee dagen.

Present yourself at the Tourism Authority in Charlestown together with your captain and his ship’s papers and maybe you can get an extension.
      ” We gaan hier niet makkelijk doen'', dat was duidelijk.
Voor dat ik nog iets kon zeggen stond het al onherroepelijk in mijn pas. Twee dagen.

                

In de stromende regen nam ik een taxi naar Charlestown. Het was nagenoeg windstil en het grijze gordijn van water dat de ruitenwissers bijna vergeefs probeerden weg te vegen zag er uit alsof het er altijd zou blijven.
      De taxi zette me af bij het haventje van Charlestown aan de zuidwestkust van Nevis. Dit was Gallows Bay. Een lange steiger stak de grijze zee in. De ferry vanuit Saint Kitts naderde net de steiger. Een paar honderd meter verder op zee zag ik Victor’s catamaran “Icaros” voor anker dobberend in de gestage regen. Ik zag niemand aan boord, maar ja, waarom zou je met dit weer ook naar buiten gaan. Ik probeerde te bellen, maar mijn telefoon werkte niet.
      De ferry legde aan. Haar passagiers stroomden naar buiten. Hoofdzakelijk jongeren die “The Narrows” , de zeestraat tussen beide eilanden, waren overgestoken om de voetbalwedstrijd Nevis – Saint Kitts, altijd een spannend hoogtepunt in de Kittiaanse voetbaldivisie, bij te wonen. Iedereen was prachtig aangekleed. De coolste kleding, allemaal nieuw leek het wel, hadden ze aan, en om de nieuwe mooie witte Nikes te behoeden voor contact met de modder die door de aanhoudende regen alle wegen van Nevis had bedekt, liepen de meesten blootsvoets. De schoenen angstvallig in de hand.

Ik zag beweging aan boord van de catamaran. Ik zwaaide, riep en gebaarde en Victor, die wist dat ik vanmiddag aan zou komen, kreeg me al snel in de gaten, stapte in de dinghy en voer naar het strand naast de ferrysteiger. Een hartelijk weerzien. Zeiknat van de regen klommen we even later aan boord van de “Icaros”.

Het bleef de hele dag regenen en ’s avonds was het nog lang druk met komende en gaande ferries die  alle voetbalfans, ook zeiknat waarschijnlijk maar in opperste stemming, weer naar huis brachten. Het was 3-0 voor Saint Kitts geworden.
      Op maandag moest toch eerst mijn visumprobleem worden getackeld. Dat rare tweedaags visum zou vandaag verlopen. In de dinghy voeren we naar de steiger en liepen Charlestown in. De stromende regen van gisteren had plaats gemaakt voor een slight drizzle. Het kleine hoofdstadje lag er vredig bij, de wedstrijd van gisteren had niet voor vernielingen, opstootjes of vechtpartijen gezorgd. De 1500 inwoners van Charlestown waren weer gewoon aan de slag gegaan, in de twee bankgebouwen, op het postkantoor, in één van de scholen of in een overheidsgebouw, want de meeste inwoners met een baan waren ambtenaren.

De ambtenaren van het Tourism Authority waren als onderdeel van de Nevis Island Administration gehuisvest in het oude Bath Hotel.

   

Dit oudste , maar qua bouw weinig indrukwekkende, luxehotel van de Cariben stamt uit 1778 in de tijd dat Saint Kitts & Nevis nog de belangrijkste Britse kolonie in de Cariben was. Het hotel was ook een spa en had een grote aantrekkingskracht op de Europese jetset van die tijd (toen al!), die er kwam badderen in het helende water van de naburige warmwaterbronnen en zich verloor in de social talk en roddel van wat toen een drukke koloniale samenleving was. Hoewel het badhuis nog zo nu en dan opent is het hotel al sinds 1940 gesloten.
      Het gebouw biedt sindsdien onderdak aan allerlei (overheids)-instanties en nu moest ik hier dus zijn voor mijn visumverlenging. 
Er zat een vrouwelijke beambte, ook al niet het meest opgewekte type, achter de balie.
      Ze vroeg om mijn paspoort en dat van Victor samen met de papieren van de “Icaros”. Het stapeltje bracht ze naar een andere, waarschijnlijk hogergeplaatste dame. Door een raam in een scheidingswand zagen we beide dames discussiëren terwijl ze de papieren doornamen.

      Met een gezicht alsof het een enorme gunst was kwam ze wat later terug bij de balie. Het was een zaak van louter en alleen de hand over het hart strijken, zo moesten we begrijpen. Ze zette een stempel in mijn paspoort en schreef er wat datums in. Terloops mompelde ze “Fifty Dollars”. Ik betaalde, kreeg mijn pas en Victor’s papieren terug en de vrouw ging weer over tot de orde van de dag. Ik mocht vijf dagen langer blijven.

      Welcome in Saint Kitts & Nevis!

                

 

   

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

    


Dominica loopt langzaam leeg.

(Door Rolf Weijburg)

   

De bevolking van de toch al niet erg dicht bevolkte Caribische eilandstaat Dominica trekt weg. Er is geen werk, het werkloosheidscijfer ligt rond de 25%, de agrarische sector (bananen, citrusvruchten, kopra) wordt gehinderd door het ruige reliëf waardoor er weinig landbouwgrond beschikbaar is en de infrastructuur te wensen over laat (pas in 1958 lukte het om een weg van west naar oost, dwars door het bergachtige interieur van het eiland aan te leggen).
      Op wat kleine fabriekjes (zeep, schoenen, vruchtensap) na, is industrie nagenoeg afwezig, offshore banking  -groot op andere Caribische eilanden- staat in de kinderschoenen en door gebrek aan mooie witte stranden biedt toerisme te weinig soelaas.

   


Dus loopt Dominica langzaam leeg.
      Mensen trekken naar het Verenigd Koninkrijk of Amerika, veelal naar de andere onafhankelijke eilandstaten in de regio, of naar Guyana, het enige land in Zuid-Amerika dat zich tot de Cariben rekent.
      Op de nationale Dominicaanse radio werd op gezette tijden een overzicht gegeven van de actuele inwonersaantallen in het land waarbij voor iedere gemeente steevast het aantal vertrokken personen sinds de laatste peildatum werd genoemd. Op nationaal niveau leverde dat in 2016 een negatief migratiecijfer van - 5,4 per 1000 inwoners op, wat betekent dat er dat jaar ruim 400 van de 76.000 inwoners vertrokken.  
      Daarmee staat Dominica op de 197ste plaats op de migratielijst van 222 landen en gebieden. Op nummer 1 in deze lijst staat Qatar met een positief migratiecijfer van +18,2/1000. De Federated States of Micronesia  waar in 2016 relatief gezien de meeste inwoners het land verlieten, is met  -21/1000 de hekkensluiter.


NATURE ISLAND
 

 

Maar Dominica is een uitzonderlijk mooi eiland. Goed, er zijn weinig mooie stranden die ook al niet wit zijn, maar het eiland is van een ongekende schoonheid.
      Bergachtig (tot een hoogte van bijna 1500 meter) en uitermate ruig, bedekt met een dik, groen tapijt van ondoordringbaar oerwoud dat hier en daar doorbroken wordt door watervallen, riviertjes en borrelende zwavelmeren, met veelkleurige bloemenpracht en 170 soorten exotische vogels als kersen op de taart.

 Meer dan welk ander Caribisch eiland heeft Dominica natuur. “The Nature Island” is nu Dominca’s pseudoniem en dat is precies waarmee de overheid een ander soort toerisme naar het eiland wil lokken. Nature lovers en hikers, ecotoerisme kortom, moeten voor werkgelegenheid gaan zorgen en de economie van het land een boost geven.

   
NATIONAL TRAIL

   

Om dat te bewerkstelligen is met onder andere financiële steun van de Europese Unie de Waitukubuli Trail ontwikkeld.
      Het is het langste wandelpad in de Cariben en voert in 14 segmenten zo’n 150 kilometer van zuid naar noord zigzaggend over het hele eiland. Waitukubuli is de naam die de oorspronkelijke bewoners van Dominica, de Kalinago die rond 1200 vanuit de delta van de Orinoco rivier in het huidige Venezuela noordwaarts trokken, aan het eiland gaven. Het betekent zoveel als “Lang is haar lichaam”, refererend aan de grootte van het eiland.


WAITUKUBULI
        

      De route voert via oude Kalinago paden langs de nature highlights van het eiland, soms met een flinke klim tot wel een kilometer hoogteverschil, soms langs gevaarlijke afgronden, dan weer door lieflijk wandelgebied. Vaak is het ploeteren door de modder want op Dominica regent het erg veel, maar overal staat de route garant voor de mooiste vergezichten.
      De Waitukubuli Trail bestaat inmiddels zes jaar. Sinds enkele jaren wordt jaarlijks de Nature Island Challenge georganiseerd, waarin verschillende landen met equipes van vier atleten tegen elkaar strijden om wie het snelst de 14 segmenten af kan leggen. Een zware opgave waarin de atleten niet alleen kilometers moeten rennen en klimmen over modderige bospaadjes in de tropische hitte, maar ook nog allerlei opdrachten moeten uitvoeren, zoals duiken en vissen, kajakken en zelfs locale gerechten koken.

           

In 2012 was de trail net een jaar geopend maar nergens konden we routekaarten vinden. Het toeristenkantoortje in Roseau had slechts een foldertje met summiere beschrijvingen van de 14 segmenten, maar zonder kaarten. We moesten het maar eens in het museum proberen. Daar werden we doorverwezen naar het ministerie.
      We bezochten diverse overheidsgebouwen maar het leek wel of niemand ooit van de trail had gehoord. Uiteindelijk kwamen we in een kantoor terecht waar men wist waar we het over hadden. Na wat gezoek kwamen er enkele kaarten tevoorschijn waarop de route van een aantal van de segmenten stond aangegeven.

Can’t I buy one of these maps?” vroeg ik.

No, I’m sorry. We only have one of each.

Vriendelijk en behulpzaam werd er een aantal kopieën van de kaarten van het eerste segment gemaakt, dat vervolgens vakkundig met plakband aan elkaar werd geplakt.

We konden op pad.

   

Segment 1 voerde vanaf het startpunt bij Scott’s Head in het uiterste zuiden van het eiland, via een mooie route door dichte jungle de berg op, met fraaie vergezichten alom. Dan langs overgroeide plantages naar Tete Morne en vervolgens  weer naar beneden tot aan het dorp Soufrière waar warmwaterbronnen net voor de kust het zeewater als in een slome jacuzzi doen borrelen.

   

       

    

 

   

 

SOUFRIÈRE

   

Sindsdien heb ik het volgende aan mijn to do list toegevoegd:
      Terug naar Dominica. Waitukubuli Trail lopen


 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

  •  
  •  


  •  

    

 

Vogeltjes spotten & met potvissen dollen 


(Door Rolf Weijburg)

Als het een zogenaamde Cruiseship Day is in Dominica op de Cariben -het op 21 na kleinste land ter wereld- waaieren vanaf de cruiseterminal in de hoofdstad Roseau tientallen busjes en taxi’s vol toeristen uit over het tropische eiland.

   


Zwart strand

      

Dominica staat niet bekend om zijn overvloed aan bezienswaardigheden noch om zijn fraaie stranden, dus waar gaan al die toeristen heen?
      Misschien rijden ze wel langs de westkust zo’n 40 kilometer (ruim een uur rijden) noordwaarts waar op een markant schiereiland, rondom een uitgedoofde vulkaan het Cabrits National Park ligt.

   

Het park omvat een deel van het met tropisch regenwoud begroeide schiereiland, het voor de kust gelegen koraalrif, én het prachtig gerestaureerde 18e eeuwse Britse Fort Shirley dat grootse uitzichten biedt over het noordwesten van Dominica. 
      
     
Veel van de bijna vijftig gebouwen van het fort zijn inmiddels overwoekerd en nog te zien langs enkele van de mooie jungletrails in het park.

   

   

Misschien zijn de toeristen  onderweg naar het noorden na Colihaut wel afgeslagen naar het oosten,  waarna ze over een steeds smaller weggetje langs enkele kokospalmplantages en later kronkelend door een steeds dichtere jungle tot aan een kleine parkeerplaats bij een gesloten info center zijn gebracht.

   

Eindpunt van de weg en beginpunt van een aantal mooie wandelroutes door het gebied rondom de hoogste berg van Dominica, de Morne Diablotions, waar de Imperial Parrot ofwel de Sisserou leeft, Dominica’s Nationale Vogel die, net als de Jaco papegaai die er ook leeft, endemisch is op het eiland.

                   

Het kan ook dat enkele busjes bij Canefield Airport al zijn afgeslagen en dwars door de spectaculaire binnenlanden van het eiland, langs watervallen en mistige junglevalleien, door plotselinge zware regenbuien via borrelende zwavelmeertjes en spuitende geisers naar de oostkust zijn gereden.
      Daar ligt het Carib of Kalinago Territory, een soort reservaat eigenlijk, met een beperkte mate van zelfbeschikking, waar de laatste 3000 oorspronkelijke Caribische bewoners, de Kalinago, wonen.

   

          

Ik ben er niet geweest, maar als je leest dat het stuk land (15 km2) dat de Kalinago is toebedeeld één van de onvruchtbaarste delen van Dominica beslaat, dat er nergens zo veel erosie is al daar, dat het met een indrukwekkend ruige kusstrook van bijna twintig kilometer slechts twee, en dan ook nog twee moeilijk bereikbare, toegangen tot zee heeft, dat de bevolking tot de armste van het eiland wordt gerekend en dat er in heel Dominica nergens meer werkloosheid is dan in het Kalinago Territory, is het ook niet écht een inspirerende plek.

Zwavelbad

   

Dichter bij Roseau in de bergen direct ten oosten van de stad zijn er in de intieme, intens groene valleitjes talloze plekken waar warm prikkend zwavelwater vanuit de diepten van de aarde naar boven komt borrelen. Veel Dominicaanse families hebben er bassins omheen gebouwd en verdienen een klein inkomen aan de toeristen, maar óók de locals, die er voor een paar dollar een poosje komen badderen.  


Whalingcard

Sommige cruise-toeristen hebben  een Whaling Tour geboekt. Omdat de zeebodem vlak voor de Dominicaanse kust abrupt tot grote diepten afdaalt is er een aantal groepen potvissen dat hier het hele jaar door verblijft. 

   


Staart

   

Dominica is trots op de 90% zekere kans om potvissen op één van deze tours te spotten.
      Sinds enige jaren is het nu ook mogelijk een permit aan te vragen om met deze gigantische zoogdieren te mogen zwemmen.

   

Weinig cruise-toeristen verblijven langer dan een paar uurtjes in Dominica’s kleine hoofdstad Roseau. Er wonen zo’n 17000 mensen en het Nationaal Museum (gevestigd in het gerestaureerde voormalige hoofdpostkantoor) en de Botanische Tuinen zijn er de enige toeristische trekpleisters.

Museum

   


Roseau

Met een rechthoekig stratenplan van kleine rommelige straatjes vol houten huizen in de typisch Caribische Gingerbread-stijl is het een redelijk overzichtelijk stadje.

      

 
 


 

 

   

 
   

Aan het einde van de dag komen alle busjes weer terug. Alle dranghekken en afsluitingen waren  ’s ochtends alweer verwijderd. De vermoeide toeristen kopen misschien nog wat bij de niet meer door dranghekken gehinderde souvenirverkopers, slenteren de steiger op, het schip weer in en zoeken hun hutten op om zich klaar te maken voor de avond.

   

Nog voor de zon onder is, licht het schip het anker, worden de trossen losgegooid en draait het gevaarte de open zee weer op, op weg naar een volgend eiland, Dominica in alle rust achterlatend.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

Eiland in de Cariben

   


Schepen van bijna onbeschofte proporties


(Door Rolf Weijburg)

Met de wat rammelende diensten van de LIAT kan je de luchtverbindingen met het op eenentwintig na kleinste land ter wereld, Dominica, niet echt optimaal noemen.

   

De grootste luchthaven van het land, Douglas-Charles Airport in het noordoosten, kampt bovendien met lastige aanvliegroutes en op het andere vliegveld, Canefield, nabij de hoofdstad Roseau in het zuidwesten, kunnen alleen kleine vliegtuigen landen.
      Wel is er een dagelijkse snelle en goedwerkende passagiersferryverbinding met de Franse eilanden Guadeloupe en Martinique.

De meeste toeristen echter, doen Dominica aan met een cruiseschip.

   

Hoewel Dominica door onder andere het gebrek aan de mooie witte stranden (de meeste stranden op Dominica zijn lavazwart) waar de Cariben zo beroemd om zijn, weinig toeristisch is, wordt het land toch regelmatig aangedaan door cruiseschepen.

   

Plotseling doemen ze op aan de horizon, soms varen ze voorbij maar zo nu en dan draait er één zijn boeg richting Dominica. Naarmate ze dichterbij komen worden ze steeds groter. Maar ze lijken niet te kunnen ophouden met groeien en als ze eenmaal aanleggen bij de nieuwe cruise terminal in Roseau, blijken ze te zijn opgeblazen tot onwerkelijke, bijna onbeschofte proporties: veel groter en hoger dan welk gebouw in het hele land ook.

   


   


   

Toerisme is belangrijk voor de tanende economie van Dominica en de cruiseschepen, die vaak twee- drieduizend passagiers aan boord hebben, zijn een belangrijke bron van inkomsten.  

We hadden een hotel tegenover de cruiseterminal en vanaf het dak konden we de gang van zaken goed in de gaten houden. Zo zagen we dat al enkele uren voordat zich een cruiseschip aan de horizon had gemeld, het deel van de boulevard bij de cruiseterminal voor alle verkeer werd afgesloten.
      Alleen taxi’s en busjes met een permit mochten er nog door en er had zich een dubbele en verderop zelfs driedubbele rij wachtende busjes en taxi’s gevormd, die vanaf de terminal over de boulevard, om de hoek langs het hotel helemaal tot aan de rotonde reikte.

   


   

Ook de kleine dwarsstraatjes werden met dranghekken afgezet. Souvenirverkopers en taxichauffeurs stonden geduldig achter de hekken te wachten totdat alle toeristen die een excursie hadden geboekt waren afgevoerd en de overgebleven losse exemplaren konden worden aangevallen.

We hebben twee keer een cruiseschip zien aanleggen: één keer een Brits schip en één keer een Duits. De Britten druppelden rustig keuvelend en fotograferend hun enorme schip uit, liepen over de lange steiger naar de boulevard en zochten daar de juiste bus of taxi op voor de excursie waarvoor ze zich hadden ingeschreven.

   

Aan boord van het Duitse schip echter, verliepen de dingen blijkbaar geordender. De toeristen hadden zich binnenscheeps al gegroepeerd. Daarna werden ze met tussenpozen groepsgewijs losgelaten en liepen ze vervolgens voorafgegaan door een man of vrouw met een papier waarop het nummer van de excursie stond, met ferme tred op de klaarstaande bussen af.

Maar of het nu om Duitse, Britse of Amerikaanse schepen ging, iedere keer als er een cruiseschip in de haven van Roseau lag, was er in het hele land haast geen busje of taxi meer te krijgen …

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 


Operation Red Dog


(Door Rolf Weijburg)

Het onafhankelijke Caribische eiland Dominica (spreek uit Doh-me-níe-ka) is het op éénentwintig na kleinste land ter wereld. Met een oppervlakte van 751 km2 is het net iets groter dan Tonga en net iets kleiner dan Bahrain, of, wat dichter bij huis, iets meer dan de helft van de provincie Flevoland.
      Het eiland ligt tussen de twee Franse départements Guadeloupe en Martinique in. Niet verwonderlijk daarom dat de Fransen Dominica sinds de 17e eeuw hebben geprobeerd te bezetten. Soms lukte dat voor enige tijd, een aantal maanden, een paar jaar, maar iedere keer weer werden de Fransen door de Britten verdreven. Frans, Brits, Frans, Brits, het eiland wisselde vele malen van kolonisator en vanaf midden negentiende eeuw is het eiland Brits gebleven.

Dominica werd een British Crown Colony, daarna werd het onderdeel van de Leeward Islands Federation, toen weer een Crown Colony en vreemd genoeg sloot Dominica zich in 1940 aan bij de British Windward Islands. Alsof de wind opeens van de andere kant kwam.
      Een nieuwe federatie, The Federation of West Indian States, kwam niet echt van de grond, en Dominica kreeg in 1967 zelfbestuur als een British Associated State.

   

In 1978 was het dan eindelijk zover: Dominica werd een onafhankelijke staat, een zogenaamd British Commonwealth Realm, een staat binnen het Britse Gemenebest, met (net als bijvoorbeeld Canada en Australië) Koningin Elizabeth II als symbolisch staatshoofd. Bijna logisch lijkt het dan dat Engels er de officiële taal is en het verkeer er zich voortbeweegt aan de linkerkant van de weg. Maar de Franse invloed is nog duidelijk voelbaar: iedereen in Dominica spreekt een op het Frans gebaseerd creools, of patois
 
Patrick John    

Na de aanvankelijke onafhankelijkheidseuforie kwamen echter al snel de problemen. Patrick John, die al premier was vóór de onafhankelijkheid, werd ook de eerste premier van het nieuwe onafhankelijke Dominica. Maar dat ging niet lang goed. De man vertoonde steeds meer dictatoriale trekjes en werd nog geen jaar later afgezet en vervangen door een interim-premier

Toen begon de ellende.

       Het leger zwoer trouw aan de afgezette Patrick John en weigerde bevelen van de interim-premier op te volgen. Aanhangers van Patrick John gingen de straat op. De Dreads, radicale Rastafari’s, vaak verre afstammelingen van ontsnapte slaven, die in kleine nederzettingen leefden in het onherbergzame en onbereikbare binnenland, trokken dronken, stoned en vaak naakt, het oerwoud door en vermoordden in naam van Jah en de absolutie vrijheid, plantagehouders en andere burgers. In hun ogen zou Patrick John een goede bondgenoot zijn.

      Een staatsgreep lag op de loer.

   

En alsof dat allemaal niet genoeg was, raasde op 29 augustus 1979 orkaan David precies over het eiland. Windsnelheden van meer dan 240 kilometer per uur verwoestten huizen, wegen, bruggen en plantages, legden het water- en elektriciteitsnetwerk plat en maakten driekwart van alle inwoners dakloos. Ook de gevangenis, waar onder anderen enkele leiders van de Dreads op verdenking van moord waren opgesloten, lag in puin en de gedetineerden waren gevlucht.
      De orkaan had bovendien Dominica’s economie, grotendeels gebaseerd op de export van bananen, in één klap compleet verwoest. Het land was in totale chaos.

Boom op bus   

Als een stille getuige van de verwoestende kracht van deze orkaan ligt in de hoofdstad Roseau nog steeds een door een omgevallen boom verpletterde schoolbus. De bus was gelukkig leeg toen het gebeurde …

Ondertussen droomde, in Houston, Texas, ene Mike Perdue, een huurling en onbetrouwbaar zakenman, van een eigen onafhankelijk paradijs.
      De chaotische situatie op Dominica was hem niet ontgaan en mijmerend vroeg hij zich af hoe eenvoudig het kon zijn om het kleine en totaal onstabiele en ongeorganiseerde tropische eiland binnen te vallen en de vroegere premier terug in het zadel te helpen. Het kleine leger was al in het oppositiekamp, de Dreads konden helpen en met wat geld en enkele extra mannen kon de klus eenvoudig worden geklaard.

Perdue reisde af naar Dominica, kwam in contact met Patrick John, met leiders van de Dominican Defense Force en enkele ontsnapte leiders van de Dreads en had na een paar maanden de opdracht om de coup financieel, strategisch en militair te organiseren in de pocket. De deal was dat Perdue na de geslaagde coup zijn eigen casino op het eiland kon bouwen en runnen, cocaïne plantages kon beginnen en exploiteren en een aandeel in de export van alle marihuanaplantages op het eiland zou krijgen. Daarnaast bedong hij Dominicaans staatsburgerschap en een salaris van 200.000 Dollar, plus een vast percentage van al het binnenkomende ontwikkelingsgeld.
      Dit zou het soort paradijs worden waar hij altijd van gedroomd had.

Eugenia Charles

Tijdens de Dominicaanse verkiezingen van 1980 werd Eugenia Charles gekozen tot premier, de eerste zwarte vrouwelijke premier in de Cariben. Zij zou het land weer gaan opbouwen, de corruptie en de wetteloosheid aanpakken. Ook de Dreads moesten worden aangepakt. Daarmee dreef ze de Dreads als het ware in de armen van Patrick John’s coup-ideeën.
      Vanaf nu zouden de Dreads de geplande coup onvoorwaardelijk steunen.

Mike Perdue had inmiddels in Las Vegas een aantal geldschieters kunnen overtuigen de nodige fondsen voor de onderneming vrij te maken door ze voor te houden dat de hele coup werd ondersteund door de CIA om het “communistische” bewind van Eugenia Charles omver te werpen.
      In werkelijkheid steunde de VS juist Charles om te voorkómen dat een communistisch regime, naar voorbeeld van Grenada de macht zou grijpen.
Maar Perdue was succesvol. Hij had nu voldoende geld om wapens te kopen en was erin geslaagd een tiental huurlingen voor de couppoging te interesseren. Een bont gezelschap: enkele Amerikanen, een Canadees, een Brit met een Congo- achtergrond, een Ier met een IRA verleden, alsmede enkele Ku Klux Klan strijders. 
      Hij had zijn plan inmiddels Operation Red Dog gedoopt en de hele coupactie tot in de puntjes uitgetekend, veelal op basis van Frederick Forsyth’s boek “TheDogs of War”.

   

Hij had transport over land georganiseerd en een boot voor de overtocht vanuit Louisiana naar Dominica. Het actiescenario zou pas de avond voor vertrek en tijdens de overtocht met iedereen worden doorgenomen. De nachtelijke landing, de aanval langs drie verschillende fronten, de inname van het politiebureau en het radiostation, Perdue had het allemaal uitgestippeld en had voor ieder van zijn medestrijders een koffertje met de nodige gegevens, kaarten en het aanvalsplan ingepakt. Ook op Dominica was alles en iedereen in stelling gebracht. 

    Op 27 april 1981 was het zover. Op de smalle landstrook nabij New Orleans (USA), die Lake Pontchartrain van Lake Catherine scheidt ontmoetten de huurlingen ’s avonds volgens afspraak twee chauffeurs met een bestelbus en een kleine vrachtwagen die ze naar de pier zouden rijden waar de boot lag te wachten. Al het materiaal werd overgeladen naar de twee wagens: geweren en pistolen, ammunitie en dynamiet, rubberboten, waterflessen, walkie-talkies, whiskey, ontstekingsmechanismen, camouflagekleding, zaklampen. In de overgebleven vrije ruimte van de vrachtwagen namen de mannen plaats. De chauffeur deed de vrachtwagendeur op slot. Mike Perdue nam plaats in de bestelbus. De passagiersdeur zat vast, dus moest hij via de bestuurdersdeur naar binnen. De chauffeurs gaven gas. Bij de pier aangekomen stapte de chauffeur van de bestelbus als eerste uit.

Hij trok een pistool.
      “Mister Perdue, you are under arrest!”
Mike Perdue kon zijn oren niet geloven. Met de gesloten passagiersdeur zat hij in de val en kon hij niet anders dan zich overgeven. Zijn kompanen zaten opgesloten in de vrachtwagen en konden direct naar de gevangenis worden afgevoerd…

Waar Mike Perdue in al die maanden van voorbereiden niet aan had gedacht, was dat de meeste van zijn huurlingen bij de FBI bekend waren en voortdurend in de gaten werden gehouden. Nadat Perdue bovendien onderhandelingen was begonnen met de eigenaar van de boot, aan wie hij vertelde dat de boot nodig was voor een CIA actie, had de eigenaar de CIA en het Bureau voor Alcohol, Tabak en Vuurwapens geïnformeerd. Na alle latere gesprekken met Perdue, die graag tegen de man opschepte en steeds meer info vrijgaf, kon de booteigenaar de CIA, FBI en ATF haarfijn op de hoogte brengen van Perdue’s plannen zodat undercoveragenten uiteindelijk konden worden ingezet om de huurlingen in de val te lokken.

Stewart Bell schreef er een mooi boek over, dat een beetje leest als een spannende thriller: “Bayou of Pigs” (een verwijzing naar de mislukte Varkensbaai invasie op Cuba in 1961)

   

Mike Perdue draaide drie jaar de gevangenis in, zijn huurlingmaatjes kregen tussen de één en de drie jaar celstraf. Ook op Dominica werden de nodige handlangers opgepakt, daar lagen de straffen aanzienlijk hoger. Zo kreeg Patrick John twaalf jaar cel.
      Hij kwam echter na vijf jaar al vrij en werd in 1994 President van de Dominicaanse Voetbalbond.
Tóch nog president dus …

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh