Reizen (193)

 

Winter 1998

Een hond in shock

Het gebeurde op de E-19 in België vlak voor de afslag Sint-Job-in-’t-Goor. Onweer. Donder en bliksem. Stortregens. Het zicht was minimaal. Ineens was daar die grote hond. Remmen hielp niet meer. Wij hoorden een doffe harde bonk. 

      Ik stuurde de wagen naar de vluchtstrook vlak tegen de vangrail. Wij stapten uit en gingen op zoek naar de hond die wel dood zou zijn en ergens moest liggen. Het was donker en het verkeer raasde in dit noodweer pal langs ons heen.
      Geen spoor van de hond te vinden
Ook aan de andere kant van de vangrail zagen we niets. We besloten om weer weg te rijden, maar de auto blokkeerde. 
      Ik stapte uit en daar lag de hond. Gekromd voor mijn linkerachterwiel. Hij leefde nog. Onder het bloed, drijfnat, trillend over zijn hele lijf. Waarschijnlijk in shock. Hij keek ons indringend aan. Vragend bijna. 
      ‘Doe iets. Laat me hier niet achter’.

‘Dit is hopeloos’, zei ik maar eens tegen Heleen, mijn echtgenote. 
      Ook wij waren inmiddels doorweekt en wisten in eerste instantie niet zo best wat we moesten doen. Het was zondagavond en we wilden het liefst zo snel mogelijk thuis zijn.
      Maar ja. 
De blik in de ogen van die trillende hond schreeuwde om actie.  
      Ik reed de auto voorzichtig een stukje naar achteren en pakte daarna de hond op en legde hem in de achterbak. We reden naar het stadje Sint-Job-in-’t-Goor waar natuurlijk niemand op straat was. Onder een lantaarnpaal nam ik maar eens de schade op. Bumper verbogen, deuk in de motorkap, kapotte voorlamp links, losgeslagen accu. Opeens zagen we het politiebureau. We vertelden het verhaal aan een dienstdoende politieman, die daarna weinig inschikkelijk was. Hij vond dat we maar naar een dierenarts moesten gaan. 
      Zou hij dan misschien even met de dierenarts kunnen bellen? 
Hij belde, maar kreeg geen gehoor en legde uit waar de dierenarts woonde. Toen zei hij:
       ‘Dan kan ik verder niets voor u doen’.

         

Bij de praktijk van de dierenarts hing een bordje voor het raam. Voor zondagsdienst moesten we bij een arts in Maria-ter-Heide zijn.  Een blik achter in de kofferbak leerde dat de hond nog steeds in een soort shock verkeerde.
      De regen was gestopt, maar het bleek met één werkende koplamp, een rammelende bumper, een zwervende accu en een doodzieke hond toch een heel eind van Sint-Job-in-‘t- Goor naar Maria-ter-Heide.

      'Die namen', dacht ik onderweg volkomen irrelevant. 
      
'Wie was Sint Job en wat deed hij in 't Goor?'
      'Wat is dat trouwens 't Goor?'
      'En wat had Maria daar op de heide uitgespookt?

Dokter Vandeweyer kwam zelf naar buiten, wierp een blik op de hond en vroeg:
      ‘Bijt ‘em?’
      ‘Nee dokter. Tenminste hij heeft ons niet gebeten. Dat beest is doodsbang‘.
Hij pakte de hond voorzichtig op, bracht hem naar zijn praktijk en legde hem op een tafel. Anderhalf uur bleef hij bezig. Rustig en vakkundig.
      Toen legde hij hem op een soort tralies in een verwarmd hok .
 
                    
          

’Ik kan u niet voorspellen hoe het afloopt, maar de eigenaar mag tevreden zijn dat u dierenliefhebbers bent’.
Hij bood ons een kopje koffie aan -’iets sterkers mag ook wel, maar u moet nog naar Holland rijden’- en noteerde wat gegevens. 
      Tja, de rekening’, zei hij. ’Hopelijk vinden we de eigenaar, want ik zou het terug gênant vinden om u die te sturen’.
Hij gaf ons het advies om de affaire bij de politie te melden. Hij belde en zei even later: ’U wordt verwacht in Brasschaat’.

Het was inmiddels weer gaan regenen en het bleek van Maria ter Heide naar Brasschaat met één koplamp, een dolende accu en een rammelende bumper ook zonder doodzieke hond een behoorlijk eind. 
      Bij de politie moesten we apart verhoord worden. 
      ‘Dat vereist de wet Franchimont’, zei de inspecteur. ’Die is dit jaar aangenomen. Een strenge wet. Dat komt allemaal door Dutroux’.
Bij het verhoor leerden we wat die wet ondermeer inhoudt.
      Of de hond van links naar rechts liep, of andersom of misschien wel van voor naar achter of van achter naar voor. Bovendien vereiste de wet Franchimont, dat wij ieder een situatietekening moesten maken. 
      Toen ik de tekening inleverde, waarop ik een vakje had getekend met daarop geschreven ‘hond’ schudde de inspecteur zuchtend zijn hoofd. Misschien kunt u proberen iets te tekenen wat echt op een hond lijkt. Dat vereist nu eenmaal de wet Franchimont’.

Op weg naar huis praatten we uiteraard over de hond. Een soort Mechelse herder, hadden we intussen geleerd.
      Stel dat het beest blijft leven en stel de eigenaar komt niet opdagen!
      Dan houden wij hem. 
      En we noemen hem Rokus.

De volgende dag belde de dierenarts. 
      De hond zou het overleven en de eigenaar had zich al gemeld.
      Tja.
      Geen Rokus.

      En wij hoorden niets van die eigenaar(s).
Belgen zijn soms net Nederlanders.

 

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 

 

 

   

Winter 1997

Kots & koffie

Het zijn er zes. Ze staan een beetje te lummelen. Dan steekt er één zijn hand op. Ze willen mee. 
      Locatie: de uitvalsweg naar het oosten in Asmara, de hoofdstad van Eritrea in de hoorn van Afrika. Ik rij rond in een huurauto; een oude Fiat Mirafiori. De wagen is niet berekend op zoveel mensen, maar iemand aan de kant van de weg laten staan in Eritrea is ‘not done’. Dat kan eenvoudig niet, want bijna vier jaar na de onafhankelijkheid is het vervoer nog erg schaars. 
      Ze stappen in: twee rechts voorin, vier op de achterbank. Het zijn jonge gasten. Zestien, zeventien jaar. Ze zijn lang en mager en kunnen -denk ik- natuurlijk heel hard en heel lang rennen. Ze hebben een weekendje gestapt in die mooie hoofdstad Asmara. Met die brede boulevards, Italiaanse oud-koloniale gebouwen, terrasjes en koffietentjes. Met overal die prachtige bomen. 
   
  


Even gaat het door me heen, dat ik wel erg kwetsbaar ben. Er ligt dure opnameapparatuur achter in de auto. Ik heb een paspoort, rijbewijs, creditcard en cash geld. Maar ik ben hier eerder geweest en weet dat er nauwelijks criminaliteit is in dit land. Wat dat betreft is Eritrea een vreedzaam baken in Afrika. Er is ook weinig verkeer, men rijdt rustig, houdt keurig halt bij een stoplicht en niemand toetert. 

      Ze spreken nauwelijks een woord Engels. Waar ze naartoe moeten? Het antwoord versta ik niet. Ik pak een kaart en vraag of ze het willen aanwijzen. Ze lachen wat. Begrijpen er niets van. Kunnen waarschijnlijk niet lezen. Eén wijst naar voren. Richting Massawa, de kustplaats aan de Rode Zee, zo’n 120 kilometer verderop.

 

ONAFHANKELIJK  

De weg is vrij goed. En dat verrast me, want vier jaar eerder reed ik hier ook. Toen was de weg overal kapot. Er zaten enorme gaten in en soms was er helemaal geen sprake meer van een weg. Resultaat van bomaanslagen tijdens een lange, hevige en bloedige onafhankelijkheidsoorlog tegen Ethiopië . Ik zat toen in een taxi met drie andere journalisten. We deden er meer dan vijf uur over.
      Dat was in april 1993 toen het referendum werd gehouden, waarbij meer dan 99% van de bevolking ervoor koos om onafhankelijk te worden. Mijn God, wat een festijn was het toen in dat land. Veertien dagen lang vierden de mensen feest.
      ‘s Avonds trokken ze in dikke rijen dansend en zingend door de belangrijkste straat in Asmara, de Avenue van de Vrijheid. Arm in arm, hand in hand in ritmische harmonie. In waaiers van zeker twintig meter breed maakten ze brede bewegingen.

 


     

Na een paar kilometer krijg ik een teken. Eén van die jongens voelt zich niet goed. Ik stop en hij stapt kotsend de auto uit. De anderen lachen maar wat. Drank altijd weer drank.
      Na ongeveer een uur bereiken we het plaatsje Ghinda. Daar moeten ze zijn. Ik zet ze af op een marktpleintje en dan maakt één van die jongens een gebaar. Ik moet meekomen. Hij heet Mulu. We komen bij een vrij klein huisje, waar zijn moeder in de tuin zit. 
      Of ik een kopje koffie wil. 
                 Tja. 
      Als je in Eritrea een kopje koffie krijgt aangeboden, moet je toch zeker op een ’vertraging’ van twee en een half à drie uur rekenen. Er volgt dan een ritueel, dat de culturele waarden van Eritrea prachtig weergeeft. De gastvrouw gaat eerst een vuurtje maken in een oventje. De buren komen langs, want er is bezoek en dat moet verwelkomd worden. Een oudere man begint in het Italiaans. Hij wil me iets laten zien. 
      Een man loopt daar met z’n kameel. Ik begrijp dat het beest ziek is. De man geeft het beest een tik op z’n kont. De kameel moet in z’n eentje de bergen in. En dan zijn er twee mogelijkheden. Hij geneest zichzelf door medicinale kruiden te zoeken of het beest sterft. 
      De moeder van Mulu haalt verse koffiebonen uit een doosje. Ze selecteert er zorgvuldig de beste bonen uit. Die gaan in een pannetje en worden op een bijna rituele wijze gebrand. Na een minuut of twintig gaan die bonen in een houten kom en worden daarna met een stok geplet, aangestampt en fijn gemalen.
      Ondertussen komen steeds meer mensen langs. Men kijkt, schudt handen, men kust, keurt en lacht, maakt muziek en danst en de gast kijkt het allemaal met veel plezier aan.
      De gemalen koffie gaat in een potje met water aan de onderkant. En dan is het de kunst om het water op dat vuurtje zo warm te maken, dat het tegen de kook aan is. Na ruim twee uur is de koffie klaar en ontvangt de gast als eerste een klein kopje.
      Pas als drie van die kopjes geleegd zijn mag de gast weer vertrekken.
      Hij is dan gelouterd en weer van alles op de hoogte. 
Drie meisjes en twee jongens willen met me mee naar Massawa.

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 

 

 


VORSTELIJKE HEERSERS

(Door Rolf Weijburg)

Liechtenstein is met zijn 160 km2 het op vijf na kleinste land ter wereld. Het Prinsdom bestaat uit een flinke berg met een stukje vlak land op de rechteroever van de nog jonge Rijn. Ingeklemd tussen Zwitserland en Oostenrijk is het er vooral schoon, goed geregeld en welvarend.

Het ontstaan van deze kleine staat vindt zijn oorsprong in de aankoop in 1699 van de Heerlijkheid Schellenberg door de Oostenrijker Johann Adam I von Liechtenstein. Later werd daar het Graafschap Vaduz aan toegevoegd. Op 23 januari 1719 werden op gezag van keizer Karel VI deze twee gebieden samen een soeverein vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk en kreeg het de naam van de eigenaren: Liechtenstein.

Liechtenstein is één van de drie landen ter wereld die zijn genoemd naar hun machthebbers. Saoedi-Arabië en Swaziland zijn de andere twee.

 De Liechtensteiner Prinsen die het soevereine territoir eigenlijk alleen ambieerden om meer politieke macht binnen het Heilige Roomse Rijk te verkrijgen, bleven echter, ook na 1719 gewoon in het familiekasteel “Liechtenstein” nabij Wenen in Oostenrijk wonen.
      Het duurde nog tot 1938 voordat Franz Joseph II de eerste Prins werd die niet in Oostenrijk maar in Liechtenstein ging wonen. Oostenrijk was toen net door Nazi-Duisland geannexeerd en de Prins, die fel antinazi was, besloot zijn biezen te pakken en zich in zijn eigen Prinsdom te vestigen. Met die verhuizing veranderde de officiële naam van de familie van “von Liechtenstein” naar “von und zu Liechtenstein”.

Liechtenstein is het enige land ter wereld dat ruim 200 jaar heeft bestaan terwijl zijn  machthebbers in een ander land woonden.

De familie bezat vele eigendommen in Oostenrijk, Polen en Tsjechoslowakije (kastelen en landgoederen met een oppervlak van bijna 10 keer het oppervalk van Liechtenstein zelf) en de bezittingen in Tsjechoslowakije werden na de Tweede Wereldoorlog als bezittingen van het verslagen Duitsland door de socialistische staat geconfisqueerd.
      Als reactie weigerde de Prins diplomatieke banden met het land aan te gaan en voor inwoners van Liechtenstein was het tijdens de Koude Oorlog zelfs verboden om Tsjechoslowakije te bezoeken. 
      Pas in 2009, toen Liechtenstein officieel af zag van zijn claims op de verloren landgoederen, werd de boycot opgeheven.

Daarmee was Liechtenstein het laatste land dat de republieken Tsjechië en Slowakije officieel erkende.

      

Liechtenstein is één van de drie Prinsdommen in de wereld.

(Monaco en Andorra -dat zelfs een co-prinsdom is- zijn de andere twee.) De Prins, maar ook het Volk, hebben er, zoals vastgelegd in de Grondwet, de absolute macht. Dat lijkt een paradox, maar in Liechtenstein kan het.

Het land is ’s werelds enige democratische dictatuur.

De huidige Prins Alois von und zu Liechtenstein heeft een enorm pakket aan bevoegdheden. Zo kan hij de regering naar huis sturen of het parlement ontbinden, de keuze van nieuwe rechters beïnvloeden en een rechtsvoorstel met zijn veto blokkeren. Zijn macht schurkt tegen dictatoriaal aan, maar omdat Liechtensteiners zich via vele referenda mogen uitspreken over talloze zaken zowel op regionaal als op nationaal niveau, zijn het de Liechtensteiners zelf die de vorst op direct democratische wijze van die macht hebben voorzien.
      Als het volk de Prins niet meer zou willen, kan ook daarvoor een referendum worden uitgeschreven.
Maar van het volk mag hij blijven. Het vorstenhuis is geliefd en zolang de Liechtensteiners vrij en voortvarend blijven is er weinig reden de familie aan de kant te zetten.

Niet onbelangrijk is waarschijnlijk het feit dat het vorstenhuis de Liechtensteiner helemaal niets kost. Het vorstenhuis bedruipt zichzelf. De familie von und zu Liechtenstein behoort tot de oudste, én de rijkste families in Europa. Behalve een miljardenvermogen bezit de familie grote stukken grond in Oostenrijk en is het eigenaar van de LGT (Liechtenstein Global Trust)-bank. Deze bank, die wereldwijd filialen heeft, richt zich op de grote, (lees) zeer vermogende, jongens en beheert ook het vermogen van de familie.
      Daarnaast bezit de familie een enorme kunstcollectie, één van de waardevolste privécollecties ter wereld, waarvan een deel in het Kunstmuseum van de Liechtensteinse hoofdstad Vaduz is te vinden.
      Geld zat dus.


VOLKSLIED

Op 15 augustus, de nationale feestdag van Liechtenstein, houdt de Prins open dag. De tuinen rondom en een deel van het prinselijk kasteel dat op een rots pal boven Vaduz is gebouwd, worden dan voor de bevolking opengesteld. Je hebt daar een feodaal overzicht hebt over de hoofdstad en een groot deel van het Prinsdom. Iedereen is welkom. Er kan worden gegeten en gedronken en de Prins en zijn gezin mengen zich met het Volk.
      Die dag wordt in de kasteeltuin ook het Liechtensteiner volkslied “Oben am jungen Rhein” gespeeld en gezongen. Het is een fier romantisch lied in 1850 door de Zwitser Jakob Josef Jauch geschreven.

Oben am jungen Rhein

Lehnet sich Liechtenstein

An Alpenhöh’n.

Dies liebe Heimatland.

Das teuere Vaterland,

Hat Gottes weiser Hand

Für uns ersh’n.

Hoch lebe Liechtenstein,

Blühend am jungen Rhein,

Glücklich und treu.

Hoch leb’der Fürst vom Land,

Hoch unser Vaterland,

Durch Bruderliebe-Band

Vereint und frei.

Maar luister eens naar de melodie:

https://www.youtube.com/watch?v=60RJEKhDjHM

U hoort het, het is de tune van “God Save the Queen”, het Britse volkslied.

Liechtenstein is bijna het enige land ter wereld met een volkslied waarvan de melodie die van het volkslied van een ander land is.

Bijna, want het Finse en het Estse volkslied hebben ook dezelfde melodie en zelfs bijna dezelfde tekst. Maar die landen zijn buren en de liederen hebben een gezamenlijke oorsprong.
      Maar Liechtenstein en het Verenigd Koninkrijk? Waarom? Ik heb geen idee.
Een gebrek aan muzikale creativiteit misschien? Ergens las ik dat er, relatief gezien, in Liechtenstein twee keer zoveel mensen muziekles hebben als in Zwitserland, en zelfs vijf keer zoveel als in Duitsland. Dat heeft er echter niet toe geleid dat Liechtenstein muzikaal hoge ogen is gaan gooien. Sterker nog:

Liechtenstein is één van de twee Europese landen (de ander is Kosovo) dat nog nooit heeft meegedaan aan het Eurovisie Songfestival.

 


Will Glahé

                      

Eén muzikaal hoogstandje kunnen we het kleine Prinsdom niet ontzeggen.
      In 1957 bracht het lied "Liechtensteiner Polka" het in de Amerikaanse hitlijst Billboard Hot 100 tot nummer 16. https://www.youtube.com/watch?v=3ymmlyzAEmA

Het opgewekte lied (Ja, das ist die Liechtensteiner Polka mein Schatz! Da bleibt doch kein Liechtensteiner auf seinem Platz!) zette het Prinsdom eventjes op de wereldkaart en deze polka werd een soort onofficieel Liechtensteins volkslied.
      De Liechtensteiner Polka is door vele orkesten gecoverd maar de man die het lied groot maakte was de accordeonist en bandleider Will Glahé, een Duitser …

Liechtenstein is een land van tegenstellingen. Een land met een sprookjesuitstraling waar de vorstelijke familie vanaf hun middeleeuws kasteel over uitziet maar dat wordt gerund als een goed geolied hightech bedrijf. Een land waar de democratie diep verankerd ligt, maar waar de dictatuur niet ver weg is.

Een land dat sinds 1798 geen doodstraf meer voltrok en waar het leger al in 1868 werd afgeschaft maar waar het kiesrecht voor vrouwen pas in 1984 wettelijk werd vastgelegd.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 2000

De hond van de rattenvanger

                 

Het tweede deel van de weg van de hoofdstad Maseru naar Semonkong in het centrum van Lesotho is niet zo best. De weg is niet geasfalteerd, maar bestaat uit keien, scherpe steentjes, grint en zand met daar tussen kuilen. Veel kuilen. 
      Er moeten drie passen genomen worden. Nkesi’s pass (2660 meter), de Ponto (2905 meter) en de Thaba Putsoa (3096 meter). Vangrails zijn er niet en diverse keren smeek ik om alsjeblieft maar geen klapband te krijgen.
      Het is een bloedstollend mooie tocht in een voornamelijk kaal en ruig landschap. Een fascinerende schakering van tinten rood, paars, blauw en geel, afwisselend donker en licht. 

      

De mensen zijn gehuld in dekens en hebben een doek om het hoofd, een pet of de karakteristieke Lesotho-hoed op en soms een mijnwerkershelm als souvenir aan werkzaamheden in de Zuid-Afrikaanse koper- of diamantmijnen. Ze zwaaien, steken een duim op of maken het V-teken. Blanken zijn hier nog een bezienswaardigheid.

Lesotho is het koninkrijk in de lucht met –zoals men mij diverse keren uitlegt- het hoogste laagste punt ter wereld; namelijk 1300 meter. Het is ook een geografisch wonder, want het wordt geheel omringd door één land: Zuid Afrika. Een soort landeiland dus. Net als San Marino.  
      Het land is sinds 1966 onafhankelijk en was nooit een thuisland en kende geen apartheid. Eén inwoner heet Masotho, meerdere inwoners zijn Basotho, de taal is Sesotho en het land van de Sotho’s is dus Lesotho; (spreek uit als Lesoetoe).  Ongeveer net zo groot als België met ruim twee miljoen inwoners; vrijwel allemaal Basotho.

                                                                                            HEY MISTER  

In Semonkong in het centrum van het land ben de enige gast in de plaatselijke lodge en dat zal ik weten ook. 
      De bevolking komt en masse langs.
      
      'Hey daddy, you want something? Koffie, thee, zelfgemaakt gebak? Fruit? Een poppetje kopen, mister? Een Lesotho-hoed wellicht. 
      Hey father, goedemorgen, wil je paard rijden? 
      Heb je een gids nodig? Wat is het koud hè. Heb je misschien een deken nodig? Een trui, een jas?' 
      Hey boss! Ik heb diamanten bij mij thuis. Kom maar kijken. Very, very cheap''.

Een kilometer of zes buiten Semonkong liggen de Maletsunyane watervallen, die maar liefst 192 meter hoog zijn. 
      Ik wil er naar toe.
In Lesotho hoor je dat op een paard of een pony te doen, maar ik heb van mijn leven nog nooit op zo’n beest gezeten. Bovendien heb ik geen zin in een gids.

Dan maar lopend.

Men legt mij omstandig uit hoe ik moet lopen om daar te komen, want groene of rode stippen zijn hier gelukkig nog niet. Eigenlijk is het een kwestie van de rivier volgen, maar die is vaak niet te vinden tussen het kreupelhout. 
      De hond van de lodge vertrouwt het -waarschijnlijk terecht- niet en besluit dat hele eind voor mij uit te lopen. Ik noem hem Lucky.

We komen door hele kleine dorpjes, waar de mensen in de karakteristieke ronde Rondavels wonen. Ze zijn vriendelijk en niet opdringerig. De kinderen vinden het allemaal prachtig en lopen met ons mee. Als een soort rattenvanger van Hamelen bereik ik met hond en zo’n dertig kinderen de watervallen. Ik ga zitten en kijk. Haal de frisse lucht diep naar binnen. 
      Heel even is het leven volmaakt.
    

(Eerder Geplaatst: 12-11-'07) 

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 

 

 


                                                                                                               

 


Een dubbel landlocked country

(Door Rolf Weijburg)

Liechtenstein is een klein onafhankelijk Prinsdom aan de rechteroever van de nog jonge Rijn, ingeklemd tussen Zwitserland en Oostenrijk. Het is in vele opzichten een uniek land en je kunt een hele reeks lijstjes verzinnen waarin het Prinsdom Liechtenstein hoog scoort.
      Laten we maar eens kijken wat dat zoal oplevert.


GROOTTE

Om te beginnen natuurlijk, want dat is het uitgaanspunt van deze serie, de oppervlakte van het land.
      Liechtenstein meet maximaal 24,6 kilometer noord-zuid en 12,4 kilometer oost-west en heeft een totale oppervlakte van 160 km2. Leg het over Nederland met het noordelijkste puntje op de Utrechtse Dom, dan heb je ter hoogte van knooppunt Deil het Prinsdom alweer verlaten.
       260 Liechtensteins passen er in Nederland.

Liechtenstein is daarmee het op drie na kleinste onafhankelijke land in Europa en het op vijf na kleinste land ter wereld. Alleen Vaticaanstad, Monaco en San Marino zijn in Europa kleiner en op wereldniveau komen daar nog Nauru en Tuvalu bij. De Marshall Islands zijn met 181 km2 net iets groter.

 

LIGGING

Van alle 25 kleinste landen ter wereld ligt Liechtenstein het meest noordelijk, op 47 graden, 8 minuten noorderbreedte om precies te zijn.
      Opmerkelijk is overigens dat op de zes kleine Europese staten en Bahrein (nét) na, alle overige landen uit de lijst van 25 kleinste landen ter wereld tussen de twee keerkringen liggen.

 

HOOGTE

Na de Pic de Coma Pedrosa in Andorra die 2946 meter hoog is, is de Grauspitz in Liechtenstein, op de grens met Zwitserland ten zuiden van Malbun, met haar 2599 meter het hoogste punt in de 25 kleinste landen ter wereld. Vanaf Malbun (ook een record, Liechtenstein is het enige Alpenland met slechts één skioord: Malbun), kan je met een kabelbaan naar boven, naar de Sareiser Joch op 2000 meter.
      Vandaar heb je een prachtig zicht op de Malbunvallei met daarachter de grillige bergketen waar Liechtensteins hoogste punt ligt.
Mits het niet in wolken gehuld is uiteraard.


KUSTLOOS

Het Prinsdom Liechtenstein is een landlocked country. Een land zonder kustlijn. Dat is niet zo bijzonder, alleen in Europa liggen al vijftien van die kustloze staten.
      Maar Liechtenstein heeft een stapje voor.
Het prinsdom is, samen met Oezbekistan, het enige land ter wereld dat double landlocked is. Dat wil zeggen: de directe buren van Liechtenstein, Zwitserland en Oostenrijk, zijn ook kustloos en een Liechtensteiner moet dus, net als een Oezbeek, minstens twee internationale grenzen oversteken om ergens een echte zeehaven te bereiken.


GRENZEN

Liechtenstein is overigens het enige land ter wereld waarvan de grenzen worden bewaakt door buitenlanders.
      Omdat het Prinsdom in een monetair- en douaneverdrag met Zwitserland leeft, wordt er met de Zwitserse Franc betaald en worden de grenzen bewaakt door Zwitsers.

Schweizerisches Zollamt im Fürstentum Liechtenstein staat er dan ook breeduit op de overkapping van de grenspost Schaanwald als je vanaf het Oostenrijkse Feldkirch het land binnenrijdt. Zwitserse grensbewakers laten er de auto’s het prinsdom binnensijpelen. Dat is eigenlijk wel vreemd, een onafhankelijk land dat zijn grenzen door een ander land laat bewaken.
      In Vaticaanstad gebeurt, met de Zwitserse Gardisten aan de poorten, iets dergelijks, maar daar hebben de Zwitsers voor de gelegenheid de Vaticaanse nationaliteit gekregen. Hier aan de Liechtensteinse grens met Oostenrijk staan échte Zwitsers de grens te bewaken. Ik geloof niet dat dat elders voorkomt, in ieder geval niet zo opzichtig.

Vanwege dat zelfde douaneverdrag zijn de grensovergangen met Zwitserland onbewaakt en slechts gemarkeerd met simpele bordjes, soms vergezeld door de Liechtensteinse nationale en vaak ook de prinselijke vlag.
      Overal kan je gewoon, zonder controles, het Prinsdom binnenlopen of – rijden.

Bijna alle grensovergangen met Zwitserland liggen op de acht auto- en voetgangersbruggen en de spoorbrug over de Rijn.

Helemaal in het zuiden bij Balzers ligt in het zicht van Kasteel Gutenberg de enige grensovergang met Zwitserland over land.
      Hier staat ook nog een oude 18e eeuwse grenssteen.


Stempel

Nergens aan de grens, of het nu met Zwitserland of met Oostenrijk is, krijg je een stempel, maar als je toch wilt kunnen aantonen dat je in Liechtenstein bent geweest, kan je met je paspoort naar het toeristenbureau in Vaduz.
      Daar zet iemand dan voor vijf Zwitserse Franc een tweekleurig stempel in je paspoort.

      Dat is ook niet echt courant: een land waar je moet betalen voor een entreestempeltje in je paspoort dat je alleen kan krijgen als je al goed en wel het land binnen bent.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 



 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh