Reizen (141)

 

Voorjaar 1993

Het verdriet van Jolande

Wij zijn nog geen tien minuten in de lucht, de gordels zijn net los en de eerste consumptie moet nog komen. De mevrouw naast me is bleek. Ze is ook nerveus. Laat de tas vallen als ze die in het bagagedepot wil leggen. ‘’Sorry’’, zeg ze.
      Het KLM-toestel zit vol. We zitten in het middendeel van de Economy-Class. Vijf stoelen. Zij zit aan het gangpad, ik ernaast. Collega Klaas Vos zit in het midden. We gaan naar Larnaca Cyprus, maar maken een tussenstop in Athene.

‘’Sorry’’, zegt ze nog een keer. ‘’Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’.

Zo. Dat heb ik weer. Altijd in vliegtuigen.
       Ik kijk haar aan. Een jaar of 45/50. Vrij lang. Volslank. Verzorgd gekleed.
‘’Ik ga naar mijn zuster’’, vervolgt ze. ‘’Zij heeft me uitgenodigd om bij te komen. Ze woont al heel lang in Athene. Ik kan goed met haar opschieten. Daar kan ik uithuilen’’.

      ‘’Ik zal me even voorstellen’’, zegt ze. ‘’Jolande. Niet Jolanda. En mijn psychiater heeft me aangeraden om er vooral niet over te zwijgen. Praat er maar over, zei hij. Als je een willig oor vindt, kan dat geen kwaad’’.

‘’Ik ben een willig oor, Jolande. Wat is er gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’’.

      ‘’Het begon zes jaar geleden. We waren nog niet eens zo lang samen. Hevige buikpijn. Krampen. Niets meer binnen kunnen houden. En het ergste: bloed in de ontlasting’’.

Ze praat monotoon. Legt vrijwel nergens klemtonen. Kijkt mij ook nauwelijks aan, maar staart voor zich uit.

‘’De huisarts verwees hem nadat hij zijn klachten had verteld direct naar de maag-darmspecialist. Er volgde een darmonderzoek, waarbij ze weefsel wegnamen. En toen ging het snel, want hij had kanker. Dikkedarmkanker’’.

Ze wendt zich even terzijde. Neemt mij op en lijkt zich af te vragen hoe ver ze kan gaan.

‘’Wil je iets drinken Jolande? Ik haal wel even wat’’.

“Nee’’, zegt ze. ‘’Hij moest geopereerd worden. Ze moesten de buik openen en de tumor weghalen. Lymfeklieren en bloedvaten in die buurt moesten ook weg. De specialist legde het goed uit. Ik was erbij. Dat was in zekere zin wel prettig. Maar mijn vriend had 't er moeilijk mee. Hij was zijn hele leven al een hypochonder. En nu was het echt zo ver. Eigenlijk nog in de bloei van zijn leven. 45 jaar. Hij vroeg zich direct af of hij dit allemaal zou overleven. Maar daar kon die dokter natuurlijk ook geen uitspraak over doen. We zijn er redelijk vroeg bij, zei hij. Dat scheelt. Maar nogmaals; een voorspelling kan ik niet doen’’.

‘’En?’’, vraag ik. ‘’Hoe ging die operatie?’’

‘’Goed’’, zegt ze. ‘’Heel goed. Na een tijdje ging hij weer werken en werd een beetje vrolijker. We hadden veel aandacht voor elkaar, want kinderen hebben we niet. Eigenlijk hadden we een hele mooie tijd’’.

Ze zegt het met enige reserve. En ik weet dat er meer komt. Veel meer en nog veel meer ellende.

‘’Ik ga even een drankje halen’’.

We vliegen al zo’n twee uur. Nog anderhalf uur. Zij gaat daar de tijd mee volmaken. Ach, als het haar helpt wil ik daar graag aan meewerken. Zij heeft intussen bedacht dat ze mij ook maar eens wat moet vragen dus: ‘’Je gaat naar Cyprus. Wat gaan jullie daar doen? Vakantie?’’

‘’Nee. We gaan naar Nicosia en gaan ook naar Noord-Cyprus. Een radioprogramma maken over de laatste Muur in Europa’’.

Maar ze luistert nauwelijks en gaat direct weer door. Dreunend. Repeterend. Alsof ze in een soort trance is.

      ’Na twee jaar kreeg hij weer klachten. Het was teruggekeerd. Hij werd opnieuw geopereerd. Maar nu waren er complicaties. Een stoma. En die moest blijven. Verder kon hij nauwelijks eten. En toen kreeg hij na een tijdje ook nog een longontsteking. Het was vreselijk allemaal. Hij zag het niet meer. Wilde het liefst dat er maar een eind aan kwam. En ja. Wat moet je dan?’’

      ‘’En?’’, zeg ik. ‘’Wat moest je?’’

‘’We gingen weer naar die specialist. Om te informeren of er nog iets te redden viel. Hij zei dat chemotherapie nog een mogelijkheid was. Niet om te genezen, maar om het hele proces te verlichten. Een soort palliatieve behandeling. Maar dat zou ook bijwerkingen kunnen geven”.

Ze kijkt naar buiten. Merkt dat het toestel aan het dalen is. En zegt

‘’Enfin. Hij heeft dat laten doen. Maar er waren bijwerkingen. Veel bijwerkingen. Geen kwaliteit van leven meer. En zo hebben we er op ’t laatst een eind aan laten maken. Iedereen zegt altijd dat zoiets wel mooi is. Nou, Ik vond er geen moer aan. Geen rooie rotmoer’’.

     

    Uit: Stranger than paradise

 

 

Voorjaar 2000


Mira & haar verloren huwelijk

Ze is voor ’t eerst van haar leven in het buitenland geweest. Zes weken lang. Een conferentie in Los Angeles, een bezoek aan New York, een symposium in Parijs en nog even uitblazen in Amsterdam. Het was haar goed bevallen. Heel goed.
      Mira is orthodontist. Ze zit naast me in het vliegtuig. Ze gaat naar huis. Johannesburg Zuid-Afrika.

We zijn nog geen uur onderweg, hebben wat over ditjes en datjes gepraat en dan zegt ze zomaar: ’’Weet je dat ik helemaal geen zin heb om naar huis te gaan’’.

Zo!

Ze is getrouwd. Twee jonge kinderen. Een jaar of 38. Stralend gebit. Daar zijn waarschijnlijk kundige collega’s aan te pas gekomen.

‘’Hoezo?” zeg ik.

‘’Amerika is me heel goed bevallen’’, zegt ze. ‘’En bij jullie vind ik 't ook heel prettig’. Veel prettiger dan in Zuid-Afrika. Weet je, die apartheid is dan wel officieel afgeschaft maar er is nog veel racisme en discriminatie. Mensen leven langs elkaar heen. De tolerantie is laag. Tenminste vergeleken met wat ik de laatste weken gezien heb’’.

Ik ga voor de tweede keer van mijn leven naar Zuid-Afrika.
      Ditmaal niet naar Johannesburg of Kaapstad, maar naar Kwazulu-Natal.

‘’Ben je daar weleens geweest Mira?’’
‘’Nee’’ zegt ze. ‘’Maar wat ik ervan weet is het daar helemaal verschrikkelijk’’.
     
‘’Maar wat ga je daar eigenlijk doen.”
‘’Ik ga op bezoek bij een Nederlander, die daar al een aantal jaren woont. In Howick, dichtbij Pietermaritzburg. Daar schijnt één van de grootse watervallen van jullie land te zijn. Hij werkt met de lokale bevolking om erosie te bestrijden. Ik ga daar een radioprogramma maken. En daarna ga ik door naar Lesotho. Ook al om een programma te maken’’.

‘’Naar Lesotho’’, zegt ze geschrokken.

‘’Daar hoor ik alleen maar afgrijselijke verhalen over. Ons leger is daar een jaar of zo geleden binnengevallen om orde op zaken te stellen. Het schijnt daar echt bar en boos te zijn’’.

‘’Juist’’, zeg ik. ‘’Daarom ga ik er ook naar toe’’.

Ze wordt stil. Ik besluit om iets anders aan te snijden

Ze spreekt namelijk Engels, maar had verteld dat ze is opgegroeid in ’t Afrikaans.
‘’Kon je de mensen in Amsterdam eigenlijk verstaan?’’, vraag ik in het Nederlands.
‘’Nee. Niet echt, Af en toe een woordje. Maar -weet je- ik hou ook niet van die taal.
Thuis moet ik Afrikaans praten. Mijn man wil dat. Vindt ook dat mijn kinderen in die taal moeten worden grootgebracht. Daar heb ik vaak ruzie met hem over. Die kinderen zijn er namelijk volgens mij veel meer bij gebaat om goed Engels te leren”.

En dan.

‘’Mijn man is nou eenmaal heel traditioneel. Hij vindt het eigenlijk maar zozo, dat ik werk. En weet je wat: Hij kan nog geen ei bakken; nog geen ei’’.

We worden stil. Zij heeft kennelijk een wat vastgelopen huwelijk.
Moet ik daar dan dieper op ingaan. We zitten inmiddels ergens boven Noord-Afrika. Het wordt donker.

Tijd om maar eens te proberen wat te gaan slapen.
Maar dan gaat ze weer door.
      ‘’Ik heb ’t me allemaal niet zo gerealiseerd. Maar op die conferenties heb ik met veel vrouwelijke collega’s gesproken. Die schrokken ook van mijn verhaal. Weet je, misschien ga ik het thuis allemaal heel anders doen. Heel anders’’.

Tja.
Moet ik hier iets van vinden? Relativeren? Stoken in een vastgelopen huwelijk.
       Wat is dat toch met die vliegtuigen. Ik kom wel vaker terecht in merkwaardige gesprekken. Kennelijk zijn er omstandigheden die daar aanleiding toe geven. Vluchtige ontmoetingen, die eenvoudig kunnen leiden tot uiterst persoonlijke ontboezemingen.

      ‘’Misschien moet je het hem voorzichtig proberen uit te leggen’’, zeg ik. ‘’Daar zal íe toch wel gevoelig voor zijn’’.

      ‘’Oh, nee’’ zegt ze. ‘’Daar is ‘ie helemaal niet gevoelig voor. Die man zit vast in patronen. Daar kan ik nooit doorheen breken, nooit’’.

      ‘’En therapie’’, suggereer ik. ‘’Heb je daar weleens aan gedacht?’’
       ‘’Ach ‘’, zegt ze, ‘’dat wil hij waarschijnlijk ook niet. Hij is tevreden zo. Wil helemaal geen veranderingen. Hij komt thuis, doet zijn pantoffels aan, gaat zitten met z’n voeten op een bank en kijkt naar de televisie. Het liefst naar cricket of rugby. En weet je wat. Hij vindt het eigenlijk maar niks, dat er tegenwoordig ook zwarten en kleurlingen in die teams zitten".

    Als wij aankomen in Johannesburg kijkt zij mij een beetje vertwijfeld aan.
   Ik moet overstappen want ik vlieg door naar Durban. Als wij de hal inkomen ziet ze verderop achter het glas haar man en kinderen staan. Zij trekt mij een andere kant op en zegt:
      ‘’Ik loop even met je mee. Ik heb nog geen trek in ze ‘’.

 

 

   


Paddenstoelen op de Stille Zuidzee


(Door Rolf Weijburg)

Palau leeft voornamelijk van de Amerikaanse hulp via het Compact of Free Association with the USA. Dit verdrag geeft de VS vrije toegang (voor strategische doeleinden) tot Palau’s territorium in ruil voor (financiële) hulp en defensie. Eigenlijk is Palau een soort Amerikaanse overzeese provincie, maar dat mag je daar niet zeggen. Palau is onafhankelijk en lid van de Verenigde Naties.

Naast al die Amerikaanse dollars verdient Palau nog wat met visserij en het verkopen van visserijlicenties, maar verreweg het meeste geld komt tegenwoordig van het toerisme.
      Want Palau is een prachtig land.
De belangrijkste toeristische trekpleister van het land zijn de Rock Islands, een World Heritage Site ten zuiden van Koror.

  

De Rock Islands vormen een archipel van meer dan 400 kleine onbewoonde eilanden, die, dicht begroeid, als een soort paddenstoelen op het water lijken te drijven.

  

Je kan er niet zomaar heen, je hebt een vergunning nodig en als je geen eigen boot hebt moet je bij een touroperator een tochtje boeken.

  

In een open boot werd ik met een tiental Japanse toeristen vanuit Koror op hoge snelheid door het onwerkelijke Palauaanse landschap geracet. De warme wind rond het hoofd, een lang wit kielzog schuimend water achter ons, slalomde de boot dan weer over stukken open turkooizen water en dan weer tussen hoge wanden van intens groen door.
      Plotseling opende zich voor ons een weidse lagune, waar het water ondiep en kraakhelder was en tussen de koralen en de veelkleurige vissen een Japans gevechtsvliegtuig uit WO II zichtbaar werd.

  

We doken een smalle kloof in waar de boot vaart minderde en tot stilstand kwam. Dit was de Milky Way. Om ons heen alleen maar groen. Jungle klauterde tot aan de hemel. Vleesetende planten lieten hun uitdagend rode kelken hangen met het dekseltje uitnodigend open. Vogels kwetterden overal maar waren nauwelijks te zien.
      Het water was van een onwerkelijke wit-turquoise kleur omdat de zeebodem bedekt was met een dikke laag wit kalksteenmodder. De bedoeling was dat je het water inging, handenvol plakkerige witte modder opdook om die vervolgens over je lichaam uit te smeren en in de zon te laten drogen. Dat is goed voor je huid, zeggen ze, maar het was vooral grappig.

  

Weer raceten we door het labyrint van groene eilanden en kwamen uiteindelijk aan bij een kleine steiger, waar op twee witte bankjes twee hele dikke mannen lagen te dutten. Ze richtten zich traag op om te helpen bij het aanleggen. Achter de steiger liep een smal pad door de jungle steil omhoog de bergwand op.

      Het was een flinke klim, maar eenmaal boven, stonden we direct aan de rand van een groenig meer.

  Dit was Jellyfish Lake.

Nergens ter wereld zijn er zoveel marine lakes als in de Rock Islands, en dit was er één van.
      Een marine lake is een ooit door geologische krachten van de zee afgesneden baai.

Een zoutwatermeer dus in eerste instantie, maar dit meer was in de loop der duizenden jaren een beetje brak geworden.

 

  

Er bevonden zich kwallen in het groene water, giftige gele kwallen die in al die jaren weliswaar door het gebrek aan natuurlijke vijanden hun gif hadden verloren maar zich intussen door datzelfde gebrek ook heel flink hadden kunnen voortplanten. Nu is het meer een reservoir geworden dat vol kwallen zit die dagelijks met de zon meedraaien en bij zonsondergang naar beneden dwarrelen.
         Er stak een kleine steiger het meer in waar je flippers en een duikbril met snorkel kreeg en een zwemvest om te kunnen drijven zonder al te veel te hoeven flipperen.
      Dan was het even ademhalen, letterlijk en figuurlijk, voordat je genoeg moed had verzameld om het brakke groenige water in te springen.

  

Ik zwom naar het midden van het meer waar de zon de kwallen heen had gelokt. De eerste kwallen boden zich aan. Meest kleintjes waren het, gele vlekjes, maar het werden er steeds meer naar gelang ik verder zwom en als ik harder flipperde schoten de kwalletjes langs me heen en leek het alsof ik in een soort Star Wars ruimteschip door de sterren Galaxy’s schoot.

  

Een wonderlijk gezicht. Kwallen als sterren. Ze werden steeds groter en het werden er schrikbarend veel. Je kon ze aanraken, vastpakken, ze prikten niet. Zonnestralen trokken diagonalen door het groene water terwijl duizenden, tienduizenden kwallen in doodse stilte overal gracieus om me heen zweefden. Hun prachtige pompende bewegingen leken een soort ballet, verstild en van een andere wereld.

  

Ik geloof niet dat ik ooit zoiets betoverends heb gezien.

    

Het Jellyfish Lake is inmiddels zo populair dat Palau het stempeltje dat je bij binnenkomst in je paspoort krijgt heeft aangepast.

  

Een aantal dagen later voer ik op een klein bootje naar het eilandje Carp, net ten zuiden van de Rock Islands.

  

Een stervormig eiland met lage heuvels, onbewoond, maar met een kleine sympathieke eco-lodge waar alles van lokaal materiaal was gebouwd. Je kon er kajaks huren en dagtochten maken naar o.a. Turtle Cove, een plek waar je bijna altijd zeeschildpadden tegen kon komen.

  

De volgende dag trok ik er samen met gids Godwin op uit. De zon was al flink heet zo vroeg in de morgen. We maakten ieder een kajak klaar, stopten snorkelspul, eten en drinken in de ruimte achter het stoeltje en peddelden midden over de ondiepe lagune langs de westkust van Carp.
      Het water was kraakhelder, de zeebodem was van maagdelijk wit zand. Keerkringvogels vlogen hoog over. Een aantal pelikanen vloog in formatie achter elkaar vlák boven de golven terwijl onder me een groep grote roggen als onderwatervogels voorbijvloog.

  

   (Kleurets Rolf Weijburg)

                  

                  (Detail uit ets)

We staken een stuk open zee over en peddelden in de luwte van alweer een jungle-eiland verder. Na anderhalf uur kwamen we bij een klein strandje waar we de kajaks aan land trokken. Van hieruit gingen we zwemmend en snorkelend verder.
      Onder water openbaarde zich een sprookjeswereld van vissen en visjes, koraal, zeesterren, zeeslakken, alles in eindeloze variaties van kleur en vorm.

Wàt een drukte!                                                               

We flipperden steeds verder de zee op. De koraalbodem begon weg te zakken de diepte in. Een gigantische school grote, geel-grijs gestreepte vissen “stroomde” als ware het één groot organisme langs de koraalwanden de diepte in.
      Een paar zeeschildpadden zwom traag langs ons heen.
Nieuwsgierig kwamen ze ons bekijken, je kon ze bijna aanraken. Vreemde prehistorische, misschien wel buitenaardse koppen. Onderwater ET’s, dát waren het.

      Toen opeens hing ik boven de afgrond. Onmetelijk diepblauw onder me. Godwin stootte me aan en wees de diepte in. Daar cirkelden de onmiskenbare silhouetten van een drietal grote haaien.
      Ik werd duizelig, een soort hoogtevrees. Of was het de angst voor de silhouetten onder me. Ik voelde me niet goed in ieder geval en wilde terug, gaf Godwin een teken en zwom terug naar de veilige ondiepte van de lagune met zijn mooie kleine visjes.

    Toen we later op het strandje bij de kajaks aan de lunch zaten, vroeg Godwin waar ik eigenlijk vandaan kwam.
      “Uit Nederland. Holland”, zei ik.
Hij moest even nadenken.
      “Holland? Is dat niet dat land met die muren er omheen waar de zee permanent tegenaan beukt?”
      “Nou, eh …”begon ik, maar hij viel me in de rede.                                          
      “Dijken! Ja, dijken zo heten die muren toch?” Hij had er op school over geleerd.
      “Ongelofelijk. Jullie Hollanders zijn een heel volk dat achter die muren leeft, diep onder zeeniveau en altijd maar met die dreiging van de zee, toch?”. Hij siste wat tussen zijn tanden.
      Ineens begreep hij waarom ik zo bang was geworden bij die intens blauwe afgrond daarnet. Die angst voor al dat water. Het moest een trauma zijn dat alle Hollanders met zich mee torsten.
“Eigenlijk vind ik jullie wel helden, hoor. Dat jullie daar durven te wonen, achter die muren. Dat je dat dúrft!”

Als vrienden voor het leven peddelden we terug over het vredige water van de Palauaanse lagunes.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

.

 

 

 

   

 
Compact Road; Een zwart tapijt in de jungle


(Door Rolf Weijburg)

Babeldaob is na Guam het grootste eiland in Micronesië en tegelijkertijd ook één van de minst ontwikkelde eilanden in de regio. Het ligt in het noorden van de enorme lus van koraal, die bijna alle eilanden van de Republiek Palau omsluit en is verreweg het grootste eiland van het land.


      
         

396 km2 groot, vier keer zo groot als alle andere Palauaanse eilanden bij elkaar, terwijl het met ruim zesduizend inwoners een bevolkingsdichtheid heeft die tien keer zo laag is als in de rest van Palau. Een heel dun bevolkt eiland dus van heuvels en baaien en dichte jungle.
      De meeste dorpen liggen aan de kust, het binnenland is nauwelijks toegankelijk. 
Lange tijd waren de kustdorpen alleen over zee bereikbaar, de spaarzame wegen waren zandpaden, vaak onbegaanbaar vanwege de heftige regenval die in Palau bijna dagelijks uit de hemel dondert.

         

Toen in 1978 tussen Babeldaob en het er net onder gelegen Koror, waar de hoofdstad van het land lag, een grote 385 meter lange brug werd aangelegd raakte Babeldaob enigszins ontsloten. Al met al veranderde er echter maar weinig.
      Het eiland bleef een backwater en de brug droeg eigenlijk meer bij aan de ontvolking dan aan de ontwikkeling ervan: velen trokken naar Koror.

 

    Bruggen

In 1996 zakte de brug door slecht onderhoud plotseling in elkaar.
      Twee mensen kwamen om, er waren diverse gewonden en opeens was Babeldaob, waar inmiddels ook de internationale luchthaven lag, weer van de rest van het land afgesneden.

 

      De noodtoestand werd afgekondigd. Japan kwam te hulp en bouwde een tijdelijke brug die in 2002 werd vervangen door de prachtige Japan-Palau Friendship Bridge, ook wel Koror-Babeldaob Bridge genoemd, maar iedereen heeft het gewoon over KB.

  

In een verdere poging Babeldaob te ontwikkelen was het Koreaanse Daewoo al enige tijd bezig om een 85 kilometer lange weg helemaal rond het eiland aan te leggen, de zogenaamde Compact Road die werd ontwikkeld door het US Army Corps of Engineers en gefinancierd uit de Compact of Free Association, een samenwerkings- en ontwikkelingsverdrag, waarin Palau sinds 1994 was verbonden met de US.
      Enorme tegenvallers, zowel logistiek, als bouwkundig (álles moest worden ingevoerd maar materieel was moeilijk naar deze uithoek te verschepen, arbeidskracht moest worden ingevoerd en ter plaatse geschoold, de voortdurende regenval zorgde voor herhaaldelijke landverschuivingen die de gedane arbeid vaak volledig verwoestten, fundamenten zakten in, hele landschappen moesten worden aangepast) hadden ervoor gezorgd dat de bouw van de weg met maar liefst zeven jaar was vertraagd.

  

Op 24 augustus 2007 las ik in de Tia Belau, Palau’s grootste krant, een weekblad, dat het dan toch eindelijk zover was. De weg was klaar en kon officieel worden overgedragen aan de zorgen van het Palauaanse ministerie van infrastructuur. Palau had er zomaar 85 kilometer asfalt bijgekregen en telde nu maar liefst 120 kilometer asfaltweg.

Een paar dagen later huurde ik een auto – een zeldzaam exemplaar met links stuur, de meeste auto’s in Palau waren geïmporteerde tweedehandsjes uit Japan en hadden het stuur rechts, niet erg handig in het rechtsrijdende Palauaanse verkeer -, reed de KB over en kwam al snel terecht op een prachtig glad asfaltdek dat als een zwart tapijt de jungle in dook.

  

      Ik reed het hele rondje met de klok mee. De weg kronkelde comfortabel en vrijwel vrij van verkeer langs de groene glooiingen van westelijk Babeldaob. Af en toe stond er een fel gekleurd houten huis langs de weg, maar nooit ging de weg door een dorp of stad. Hier en daar wezen groene borden de afslagen naar de dorpen aan.

     

      Als je zo’n afslag nam, dan stuiterde je steevast na een meter of 50 van het asfalt af en voerde een kronkelend zandpad vol kuilen verder door de jungle naar beneden, om te eindigen aan de kust waar beton of soms asfalt de huizen in lintbebouwing scheidde van het water.
     
  

Je zou het echt niet zeggen, maar deze plaatsen, met vaak niet meer dan een paar honderd inwoners, waren bijna altijd ook hoofdsteden. Palau bestaat uit 16 staten waarvan de grenzen min of meer overeenkomen met de tribale gebieden van weleer en tien van die staten liggen op Babeldaob. Ze hebben mooie namen. Aimeliik, Melekeok, Ngeremlengui, Ngatpang of Airai en vaak zijn ze maar enkele dorpen rijk.

Babeldaob heeft een beetje de vorm van een gitaar, of een luit zo u wilt. De Compact Road gaat de hele klankkast rond en bovenin voert in het noorden een afslag de hals in. Er stond een bord langs het water met daarop de dwingende tekst dat ik mijn handen moest wassen.

  

De 20 kilometer lange hals van Babeldaob bood op vele plaatsen prachtige uitzichten over zee waar de weg soepeltjes tussendoor gleed. De Compact Road ging wat roemloos ten onder in het dorpje Ollei dat samen met het naburige Mengellang de gehele bevolking van de staat Ngarchelong huisvestte. Tot voor kort waren deze plekken alleen bereikbaar per boot, maar het lag er nu al vol met autowrakken.
      Van hieruit liep een pad naar het noordelijkste puntje van het eiland.

  

Op de hellingen lagen grote monolieten, sommige bewerkt als koppen, andere rechthoekig uitgehakt. De steensoort komt in Palau niet voor.
      Waar de dingen vandaan zijn gekomen en wie ze heeft gemaakt is onduidelijk. Diverse theorieën verklaren waartoe ze zouden hebben gediend en de veronderstelling dat de stenen de basis vormden voor enorme bai’s (gemeenschapshuizen) lijkt het meest plausibel.

Ik reed de twintig kilometer terug naar de afslag en draaide de rondweg weer op. Langs de oostkust van het eiland cruisede ik over het diepzwarte, kersverse asfalt terug naar het zuiden. Zachte bochten en lichte hellingen, overal groen om me heen. Nog steeds was ik haast geen andere auto’s tegengekomen en eigenlijk had ik de afgelopen 60 kilometer maar bar weinig teken van menselijk leven gezien.

   De weg gleed nu een heuvel af en liep over een lange dijk dwars door een brede turkooizen baai. Aan het begin van de dijk was een klein winkeltje waar een eenzame, weinig spraakzame man zakjes chips met paprika-, ui- of barbecue-smaak verkocht. Ik ging voor de barbecue en reed de dijk over. De heuvel op aan de andere kant van de baai en daar zag ik het voor het eerst. In de verte schitterde ergens iets dat leek op een helwitte koepel boven het groen. De weg was bochtig en het ding verdween snel weer uit het zicht. Maar ik wist wat het was.

      Ik naderde de staat Melekeok waar een jaar eerder in oktober 2006, de nieuwe hoofdstad was uitgeroepen. Welcome to the new capital of Palau stond er op een bord bij de afslag. Langzaam verdween de begroeiing aan weerskanten van de weg en kwam ik op een plateau met een prachtig uitzicht over de omliggende heuvels van wildernis.
      En daar, boven alles uittorend, prijkte een één op één replica van het Capitool in Washington DC.

  

Palau’s gloednieuwe regeringsgebouw in Palau’s gloednieuwe hoofdstad. 25 Kilometer van Koror, de vroegere hoofdstad, de plaats waar iedereen woonde en de plaats where it all happens. Sinds de oplevering van dit Palauaanse capitool waren de volksvertegenwoordigers, de ambtenaren en de regeringsleiders opeens allemaal forensen geworden.
      Er was een enorm parkeerterrein met een paar auto’s, maar verder was er niets dat op een stad leek, laat staan op een hoofdstad. Ik parkeerde, stapte uit en liep naar het enorme gebouw. Alle deuren waren dicht. Er was helemaal niemand, geen bewaking, niemand.
      Toch had Ik de hoofdstad van het op 15 na kleinste land ter wereld bereikt: Ngerelmud, met tweehonderd onzichtbare inwoners in onzichtbare huizen was het vast wel de dunst bevolkte hoofdstad ter wereld.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

.

 

 

 

 

 

 

Even een kaartje posten

  


(Door Rolf Weijburg)

Palau (of Belau) is een kleine onafhankelijke republiek in Micronesië, in de westelijke Stille Oceaan. Het eilandenrijkje ligt ten oosten van de Filippijnen en ten noorden van Nieuw Guinea.
      Alle Palauaanse eilanden samen, en dat zijn er heel wat, hebben een oppervlak van slechts 460 vierkante kilometer. Het land is daarmee het zestiende kleinste land ter wereld, qua grootte net tussen de Seychellen en Andorra in, en staat dus op mijn lijstje voor mijn project "Atlas of the World's 25 smallest countries''.

       

Palau was in 2007 ook het enige land waarvandaan ik voor mijn mail-art project “Inviting the World at Home” nog géén postkaartje had ontvangen.
      Ik had er talloze brieven heen gestuurd met verzoeken om mij het bijgesloten kaartje terug te sturen. Aan duikscholen, tourist offices, hotels en aan het postkantoor. Zelfs aan de president, nadat ik had gelezen dat hij voor het volk zo’n toegankelijk iemand was, maar alles zonder resultaat.
      Ik had ook nog geen enkele postale foto uit Palau. Geen kennissen die er ooit waren geweest en nog nooit een afbeelding van een Palauaanse brievenbus, noch van een postkantoor, postauto of postbeambte gezien op Internet. Je zou bijna denken dat Palauaanse post helemaal niet bestaat …

Al met al genoeg redenen om spoorslags naar Palau af te reizen.

          

Het vliegtuig vanuit het Filippijnse Cebu, landde na tweeëneenhalf uur aan het eind van de middag op Palau Airai Airport op Babeldaob, het grootste eiland van het land. Hoewel er in de terminal affiches hingen die zeiden dat ik hier in het Paradijs was aangekomen, zag het er, kijkend naar de norse gezichten van de douaniers, eerder uit alsof ik aan de poorten van de hel stond.
      De heren hadden geen zin in vragen, ik kreeg een stempel in m’n paspoort and that was ít, ik kon gewoon naar buiten lopen. Het regende flink. De meeste passagiers van het halfvolle vliegtuig waren Zuid-Koreaanse toeristen die in twee grote bussen werden afgevoerd. Ik nam een taxi.

De chauffeur had Amerikaanse Countrymuziek op staan toen hij het parkeerterrein afdraaide

So how is life in the Republic of Palau”, begon ik maar.

Oh, it’s okay”. Het paradijs leek zijn inwoners niet echt te charmeren.

We gingen op weg naar Koror, Palau’s grootste stad en tot 2006 de hoofdstad van het land. De ruitenwissers duwden piepend de regendruppels weg. We hobbelden in een lange rij auto’s met 30 kilometer per uur over het Babeldaobaanse asfalt en reden een enorme brug op die in een flauwe helling naar het eiland Koror afdaalde.

  

Hier en daar liepen zijwegen met Amerikaans uitziende suburbean woningen tussen de tropische begroeiing naar de kust.

  

Verderop kwamen we terecht in een soort centrum met aan weerszijden van de weg een ratjetoe aan huizen, bedrijfjes, garages, kleine winkelcentra en een paar hotels. Het zag er allemaal, ondanks de palmbomen en af en toe de tropische doorkijkjes naar zee, wat nondescript uit. Amerikaans nondescript.

  

Koror ligt op een drietal grillig gevormde eilanden en telt 14000 inwoners, tweederde van Palau’s totale bevolking. Een stuk minder dan in de jaren twintig, toen de eilanden, na Spaanse en Duitse overheersing, door Japan werden bestuurd en Koror, als centrum van alle Japanse Pacifische bezittingen, ruim 40.000 inwoners telde.

     

Na de Tweede Wereldoorlog kwam Palau samen met de rest van Micronesië en de Marshall Islands als Trustgebied van de Verenigde Naties onder bestuur van de Verenigde Staten. Het werd in 1978 onafhankelijk.

Een samenvoeging met de Federated States of Micronesia mislukte en in 1994 kwam het kleine en dunbevolkte Palau "in free association with the USA”, wat betekent dat de Verenigde Staten jaarlijks grote sommen geld in het land pompen.

Ik nam mijn intrek in het VIP Hotel dat strategisch pal achter het postkantoor lag.

     

Het postkantoor was eenzelfde gebouwtje als de meeste andere postkantoren in Micronesië en de Marshalls. Het was door de Amerikanen gebouwd in de tijd dat Palau nog deel uitmaakte van het door Amerika geadministreerde UN Trust Territory. De United States Postal Sevices verzorgen nog steeds alle internationale post van en naar Palau. Palau heeft zelfs een eigen Amerikaanse postcode, PW 96940, en stuur je er iets vanuit Amerika heen, dan wordt het gezien als binnenlandse post, als ware Palau een Amerikaanse staat. Binnen Palau is Palau Post verantwoordelijk voor de post, maar de postzegels, net als al het andere in Palau, betaal je met Amerikaanse dollars.

      Ik ging het postkantoor in waar de airco op tien stond. Er was een aantal loketten waar de meeste postale handelingen konden worden afgewikkeld en achterin links was een metalen deur met een groot raam waarop een papiertje “Collector’s Corner” was geplakt.

      

      Hier zat Edwin Tomoichi, Philatelic Officer, achter de balie. Edwin was een wat nors kijkende heer die zich een beetje verveelde. Net als zoveel Palauanen had hij een enorm postuur en net als zoveel Palauanen zat hij voortdurend betelnotenmix te kauwen, een halve betelnoot vermengd met een papje van gemalen koraal en wat tabak waar je uren op kon kauwen. Je kreeg er veel overtollig roodgekleurde spuug van dat de meeste Palauanen op straat uitspuugden - waardoor het leek alsof er overal bloedvlekken op de grond lagen -, maar waarvoor Edwin speciaal een jampotje achter de balie had staan.
      Ik kocht wat fraaie Palauaanse postzegels bij hem, plakte ze op het speciaal meegenomen Inviting the World at Home postkaartje en schoof het kaartje in de brievenbus van het postkantoor. Die zat binnen, na sluitingstijd kon je er geen brief posten. Het kaartje zou er 8 dagen over doen om in Utrecht op mijn deurmat te vallen.

     

Tijdens mijn verblijf in Koror werd Edwin’s Collector’s Corner een vaste stopplaats waar ik in de koelte van de airco het nieuws van de dag met hem doornam.

Toen het weekend naderde nodigde Edwin me uit om te gaan crabbing, een soort nationale sport.

      In zijn pick-up reden we aan het eind van die zondagmiddag over de grote brug terug naar het eiland Babeldoab waar we op een achterafweggetje in de buurt van een moerassig gebied vol mangrovebomen enorme mud crabs vingen die we in een grote plastic container stopten.

 

  

Toen we er genoeg hadden reden we terug naar Koror waar zijn vrouw de beesten vakkundig klaarmaakte en in hun eigen schalen serveerde.

We zaten voor zijn huis onder de palmbomen en keken uit over de oceaan waar de zon in een spectaculaire lightshow onderging. Smaakvol lepelden we de lekkernij naar binnen en dronken er een Japans biertje bij.

Edwin keek me glunderend aan en zei:

Ah, Rolf, isn’t this much better than stamps and post?”

  
 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh