Drie straten en twee kathedralen

 

(Door Rolf Weijburg)

The City of Arches, zo wordt Kingstown, de hoofdstad van het op 11 na kleinste land ter wereld, Saint Vincent & The Grenadines genoemd. De Stad der Bogen. Een beetje megalomaan wel. Er zijn weliswaar nog een flink aantal 18e en 19e-eeuwse panden en pakhuizen met arcadegalerijen waar je lekker in de schaduw loopt, maar om daarom de stad “City of Arches” te noemen is toch wat overdreven.

Er is niet zo veel te zien in deze Caribische hoofdstad en het stadje (want met 40000 inwoners is het toch niet veel meer dan dat) lag er in 2004 wat slonzig bij, maar ik begrijp dat er de laatste jaren veel restauratiewerk is verricht.
      Kingstown is het economisch centrum van de natie, hier zijn de bedrijfjes en bedrijven, de vismarkt en de groente- en fruitmarkt en hier ligt ook de nieuwe cruisepier, lonkend naar cruiseschepen die vele verdiepingen hoger zijn dan het hoogste gebouw in het hele land. Zij spuwen op gezette tijden hun passagiers uit over het vers aangelegde toeristische shopping center.

Kingstown bestaat eigenlijk uit niet veel meer dan drie lange straten Bay, Middle en Grenville/Halifax Streets (in de volksmond simpelweg Front, Middle en Back Streets genoemd) die achter elkaar gelegen de kustlijn volgen met haaks daarop een aantal wegen dat de heuvels op het binnenland in kronkelt. Vooral in de smalle straten rondom de markten was het druk.


Agent

Er was weinig verkeer, maar het verkeer dat er was werd in goede banen geleid door een ernstig kijkende politieagent die met sierlijke gebaren de verkeersdoorgang faciliteerde.

Saint Vincent & The Grenadines was een land zonder stoplichten.

De stad heeft een mooie botanische tuin en een park waarlangs twee kathedralen gebroederlijk naast elkaar staan. De witte 19e-eeuwse Saint George kathedraal en de wel zeer eclectische Saint Mary Kathedraal uit ongeveer dezelfde tijd maar opgetrokken in een combinatie van verschillende bouwstijlen.

Saint Mary Kathedraal

Net ten noordwesten van de stad bewaakt Fort Charlotte de prachtige uitzichten over de baai, de zee en het binnenland. Veel van de nog aanwezige kanonnen staan op het binnenland gericht als stille getuigen van de harde strijd die er met de lokale Black Caribs is gevoerd.
      In het zuiden dobberde het silhouet van Bequia in de Grenadines op de horizon.

We huurden een auto bij een man die zich Charlie Tango noemde en er prat op ging Schots bloed in de aderen te hebben maar er verre van Schots uitzag, en reden over smalle weggetjes met spectaculaire uitzichten over dichtbegroeide groene heuvels naar het noordwesten, naar Vermont.

Hier startte de Vermont Nature Trail, een wandelpad dat door het dichte regenwoud in een uurtje lopen naar een schitterend uitkijkpunt leidde.
      Vanuit een diep jungledal herkenden we de kreten van de Saint Vincent Parrot (Amazonia Guildingi) een endemische papegaai.
In de diepte zagen we  kleurige groepjes papegaaien wegvliegen en net toen we weer terug wilden lopen vloog er een koppeltje van deze schitterende vogels waarvan er in totaal nog slechts zo’n 500 op geïsoleerde plekken op het eiland overleven, schril krijsend vlak voor ons langs.

Terug naar Kingstown en langs het vliegveld.  Over de Vigie Highway, een kaarsrecht stuk weg dat in het verlengde van het vliegveld maar liefst een kilometer lang het binnenland in trekt. Het enige stuk rechte weg van een dergelijke lengte op het hele eiland en voor menig automobilist reden om eindelijk de auto eens lekker in de vierde versnelling te jassen en flink op het gaspedaal te stappen.
      Na die ene kilometer ging de route dan weer kilometers lang heftig kronkelend verder door de prachtig groene en hier en daar dichtbevolkte Mesopotamia Vallei totdat we bij het plaatsje Peruvian Vale de oostkust van het eiland bereikten.

Mesopotamia

Het landschap was hier anders dan aan de westkust. De stranden waren zwart, de golven hoog. De woeste Atlantic beukte erop los en de wind blies een spray van zoute oceaandruppels over de kuststrook. We reden noordwaarts over deze kustweg die op lokale kaarten een beetje overdreven de Windward Highway werd genoemd.
      De weg werd slechter, de dorpen en de huizen werden armoediger en lagen steeds verder uit elkaar. Verkeer was er nog nauwelijks. Ook de jungle was verdwenen en had plaats gemaakt voor uitgestrekte bananenplantages en hier en daar wat suikerriet. Witte koereigers maakten hun naam waar en schommelden stoïcijns mee op de ruggen van grazende runderen.
      Er waren geen idyllische baaitjes zoals aan de westkust, maar lange donkere stranden aan een zware branding en met door de wind scheefgeblazen palmbomen. Een landschap dat op de één of andere manier verlatenheid uitstraalde.


Georgetown
We kwamen in Georgetown, de grootste stad aan de oostkust van Saint Vincent, een wat grimmig en verlopen stadje met arcadegalerijen onder de huizen, zwerfhonden en verveelde mensen. We stopten bij het Footsteps restaurant voor een late lunch van zompige witte broodjes met processed cheese en zakjes lokaal geproduceerde zoete-aardappelchips.

 
We zaten buiten op de betonnen traptreden van het restaurant. Jongens speelden cricket, de populairste sport in de Cariben en dus ook op Saint Vincent. Ze speelden op de hoofdweg, want verkeer was er toch niet.

      De uitbater kwam bij ons zitten.
“We hebben hier al jarenlang een inkomstenprobleem. De belangrijkste industrie hier aan de oostkust is de bananenteelt, maar sinds de prijzen gekelderd zijn levert dat niet meer genoeg op. Toerisme is hier niet, het is hier niet zoals in de Grenadines of zelfs aan de westkust van dit eiland. Niemand komt hier naartoe, geen jacht waagt zich langs deze kusten. De overheid geeft prioriteit aan investeringen in plekken waar het toerisme komt, daar moet het er goed uitzien, daar moet ontwikkeld worden, moet worden gebouwd en banen gecreëerd. Ondertussen verdienen wij hier aan de oostkust niet alleen geen geld aan het toerisme, maar staan we ook nog eens altijd op de tweede plaats als het om overheidsinvesteringen gaat. Wij worden hier dubbel gestraft, meneer.”

Hij stond op, liep het gebouwtje binnen en kwam even later terug met een fles en enkele glazen. Het was rum die hij zelf had voorzien van kruiden, de etiketloze fles zat volgepropt met blaadjes en twijgjes. Hij schonk in, we proostten.
      “You see? This is how we survive here!”

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen