Een louche handeltje in een Siciliaans toilet

(Door Rolf Weijburg) 

In de lijst van kleinste onafhankelijke landen ter wereld staat Malta met zijn 316 km2 landoppervlak op de tiende plaats. Iets groter dan de Malediven, drie kwart het oppervlak van Andorra. De Republiek Malta bestaat uit de drie bewoonde eilanden Malta, Gozo (of Ghawdex) en Comino (of Chemmuna/Kemmuna) en een aantal onbewoonde rotsen en eilandjes.

Misschien kwam de naam Malta van het Phoenicische woord voor schuilhaven, Malat, of het Griekse Meli voor honing. Zeker is dat de oorsprong moet liggen bij één van de vele bezetters van de eilandengroep. Niet alleen Phoeniciërs en Grieken, maar ook Romeinen (die Malta Melita noemden), Arabieren, Sicilianen, Noormannen, Spanjaarden, de Johannieter Ridders die later de Maltezer Ridders zullen worden, Fransen en ten slotte de Engelsen waren ooit heer en meester over de kleine archipel in de Middellandse Zee.
      In 1964 vertrokken de Engelsen en bleef Malta als een onafhankelijke staat alleen achter. In 2004 werd Malta lid van de Europese Unie en in 2008 verdwenen de mooie Maltezer pondbiljetten en trad het land toe tot de Eurozone. Op de kaart die alle Eurobiljetten sierde stond Malta vreemd genoeg niet afgebeeld. Het was weliswaar geen lid van de EU toen die biljetten in 2002 verschenen, maar ja, het wás er natuurlijk wel.

  

Pas bij de uitgifte van de tweede serie Eurobiljetten in 2013, hebben de makers een klein puntje aan de kaarten toegevoegd.

            

Malta is een zeer devote katholieke natie. Kerken zijn er moeilijk buiten de cameralens te houden en nog nooit zag ik zoveel versteende heiligen. Het lijkt wel of er iedere dag een katholiek feest wordt gevierd met processies, missen en vuurwerk, veel vuurwerk. Maar de van het lokaal gewonnen goudgelige zandsteen gebouwde huizen met hun talloze katholieke beelden zijn behangen met Arabische erkers en hoewel Engels de officiële taal is spreekt men op Malta een vreemde mengeling van Siciliaans en Arabisch met een licht Engels sausje: het Maltees.

Malta leek een harmonieuze som van al zijn verledens.

Het land fascineerde me en ik wilde er dolgraag eens een kijkje nemen. In 1976 had ik voldoende geld gespaard om op weg te gaan. Vliegen was duur in die tijd, lowcost vliegtuigmaatschappijen waren er nog niet, en een Transalpino treinkaartje met studentenkorting was de goedkoopste optie om naar Malta af te kunnen reizen. Dan moest je wel flink wat tijd hebben, want een hele zit was het wel, zo’n treinritje.
      Via Luik en Basel naar Milaan. Overstappen en door het zachte Toscaanse land naar Rome. Weer overstappen. In de trein naar Palermo, die midden in de nacht met veel kabaal in Reggio Calabria de boot op reed voor de oversteek naar Sicilië. In Messina maakte ik de laatste overstap en reed onder de Etna langs naar Catania. Eindpunt van de treinreis.

Na twee dagen treinen was ik klaar voor de boottocht naar Malta.

Piazza Catania


Taormina

“Vakantie ?” De man naast me heeft z’n zonnebril afgezet en kijkt me vriendelijk aan. We zitten op een terras aan de Piazza dei Martiri in Catania.
      “U zit er zo voldaan bij, ik dacht dat is nou een man op vakantie!”
Ik ben blij dat ik er ben. Ik heb een ticket voor Malta op zak, en overmorgen vertrekt de boot. Mij gebeurt niks meer.

“Ik ben nooit op Malta geweest, moet een fraai eiland zijn. Ga je op bezoek bij kennissen daar, of zo maar wat rondkijken?”

En zo babbelen we verder. We spreken Duits. Hij heeft tien jaar in Duitsland gewerkt en is nu onderwijzer op een lagere school in Taormina, zijn geboortedorp hier 40 kilometer vandaan. Hij is met de trein naar Catania gekomen voor een afspraak met zijn tandarts. Hij is een uur te vroeg en zit hier te wachten.

“Wil je nog een koffie?” Hij roept de ober en bestelt nog twee koffie.
      “Luister, waarom kom je morgen niet naar Taormina? Je moet toch nog een dag op de boot wachten en ik heb morgen vrij. Neem je de trein, da’s heel goedkoop en maar een half uurtje rijden. Kunnen we ergens samen lunchen, en dan zal ik je wat van de stad laten zien. Prachtige stad hoor, Taormina, neem dat maar van mij aan. Dan ga je aan ‘t eind van de middag gewoon weer met de trein terug naar Catania.” De twee koffie worden voor ons neergezet en hij betaalt.“Wat dacht je ervan? Goed idee?”

Ja, goed idee lijkt me. Hij schrijft zijn adres op, heeft helaas nog geen telefoon, maar zijn huis ligt niet ver van het station, als ik in de loop van de ochtend kom is hij gewoon thuis.

“Kijk, ik teken er een plattegrondje bij, dan hoef je niet te zoeken of te vragen. Zie je, ‘t is heel makkelijk te vinden.”
      We zitten nog wat verder te praten over de geneugten van het leven hier op Sicilië, als een wat louche uitziende man, geruite winterjas aan, kraag op, en stoppels op de kin, zich in onze richting tussen de tafels en stoelen door wringt. Hij kijkt schichtig om zich heen en zeult een bruin koffertje met zich mee. Hij zweet.

“Do you speak English?”, vraagt hij aan ons. No, zegt Gianni met een duidelijk misprijzen in zijn stem. Yes, zeg ik.

Maltezer zeeman

De man heeft een probleem. Hij is een Maltezer zeeman. Ze liggen met hun schip hier in de haven van Catania, maar vertrekken over een uurtje naar Malta. In Schotland had hij tientallen meters Schotse stof gekocht, waarvan hij dacht ze elders in Europa wel te kunnen verkopen, maar door een verandering van vaarplan zijn ze direct naar Sicilië gekoerst.
      Hij heeft de stof nu nog steeds en is bang dat straks op Malta de hele boel door de douane zal worden geconfisqueerd, of dat hij een enorm bedrag aan invoerrecht moet gaan betalen.
      “You know we sailors are always subject to very thorough searches once we arrive back home!” De Maltezer kijkt ons smekend aan. Willen wij dan zijn Schotse stof niet kopen? Absolute bodemprijs.

Gianni heeft de man al die tijd wat ongeïnteresseerd vanuit zijn ooghoeken gadegeslagen en vraagt me nu om het verhaal voor hem in het Duits te vertalen.
      “Waar heeft-ie die stof dan?” Ik vertaal. De Maltezer tikt tegen zijn koffer.
      “Wil ik wel eens zien”, zegt Gianni. “Mijn broer is namelijk kleermaker, en ik weet ook wel iets van stof af. Als het wat is, voor een goede prijs, wil ik het misschien wel kopen. Vraag hem maar om die koffer open te maken.”

Maar de Maltezer wil dat hier niet doen. Nee we moeten naar een beschut plekje, en we wandelen achter hem aan, het plein over een openbaar urinoir binnen. Daar gaat de koffer open en terwijl de Maltezer bij de ingang de wacht houdt, inspecteert Gianni de stof.
      Hij fluit zachtjes tussen zijn tanden. “Echte Shetland wol! Dit is eerste kwaliteit. Prachtig spul. Vraag eens wat hij ervoor moet hebben?”
Dan volgt een over en weer gehandel in het galmende interieur van dit Siciliaanse urinoir, waarbij ik als tolk de Engelse bedragen met Duitse afding. De Maltezer zenuwachtig en gehaast, Gianni rustig en bij ieder bod met mij overleggend. We komen tot een prijs van rond de vijfhonderd gulden, maar Gianni heeft maar tweehonderd bij zich.

“Rolf, kan jij die driehonderd niet voorschieten. Dit is echt een buitenkans! Je zou toch morgen bij me op bezoek komen. Dan hou je de stof vandaag bij je, neem je het morgen mee naar Taormina en dan geef ik je morgen het geld terug.” De Maltezer wil weten wat er gebeurt.
      “Schiet op, ik moet er vandoor, straks mis ik m’n boot en dan zit ik helemaal in de penarie. Wat doet die man nou, koopt-ie of koopt-ie niet.” Ik vertaal.
      “Hangt van jou af, Rolf. Als jij het geld wilt voorschieten wil ik kopen. Wat kan je nou gebeuren? Je hebt m’n naam en adres en bovendien krijg je de stof als onderpand.”

Stom! Stom! Stom!

Ik twijfel. En ik betaal. Ik overhandig de Maltezer het equivalent in Dollars, de helft van mijn budget voor deze reis. Gianni geeft hem de rest in Lire. De Maltezer, de eerste Maltezer die ik ooit ontmoette, telt het vluchtig na en verdwijnt richting haven. Gianni kijkt op zijn horloge.
      “Verdorie, ik moet opschieten, ik ben bijna te laat voor mijn tandartsafspraak. Hé, Grazie Mille. Duizend maal dank voor je hulp. We gaan er een fijne dag van maken morgen. Vergeet de stof niet! Ci vediamo domani. Ciao!”

Daar sta ik dan. Voor een urinoir op een plein in Catania. Mijn portemonnee voor de helft geleegd en een Bruin Koffertje vol Schotse stof in de hand. Aan de overkant van het plein zie ik Gianni in een taxi stappen. Ik geloof dat hij nog even zwaaide, maar het kan ook een ander gebaar zijn geweest. Voor roepen of rennen is het te laat. Alleen vloeken kan nog.
      Ook de volgende dag, toen ik in de hitte zonder hoop maar mét Bruin Koffertje, over de eindeloze weg strompelde die vanaf het station de berg op naar Taormina zigzagde, was er alle ruimte voor vloeken.

Hoe kon ik toch zo stom zijn geweest!

En wat ik vermoedde bleek waarheid: het getekende plattegrondje bleek een verzinsel van lukraak neergezette lijnen zonder enige overeenkomst met de realiteit. Ik vroeg de weg aan allerlei mensen, het papiertje werd in alle richtingen gedraaid, maar niemand kon er wijs uit. Het adres bestond niet.
      Even heb ik overwogen om dat lullige Bruine Koffertje met die waardeloze stof vanaf de rotsen naar beneden te donderen, maar ik besloot om het ding  in mijn pensionnetje in Catania achter te laten en gewoon als gepland naar Malta te varen.

Terug uit Malta zou ik het Koffertje weer ophalen en dan zouden we wel weer verder zien.

Wordt vervolgd …

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen