De slag om PELELIU

           


(Door Rolf Weijburg)

Auntie Margaret pruimde een betelnoot. Samen met haar vriendin Evelyn zat ze in kleermakerszit in de schaduw van het met palmbladeren beklede puntdak van een grote Abai. De noten bewaarde ze samen met een klein sierlijk bakje fijngemalen koraal en een zakje met wat tabak (de ideale mix voor puur betelgenot) in een elegant handtasje van gevlochten riet dat naast haar lag. Terwijl Diane een omeletje voor me maakte, vroeg Auntie Margaret me de oren van het hoofd.
      Margaret was een nieuwsgierige vrouw. Ze was ook grappig, praatte voortdurend en had slimme heen en weer schietende ogen. Al die dingen contrasteerden eigenlijk een beetje met haar mollig Micronesische relaxedheid. Ze was dertig jaar lang stewardess voor Continental Airways geweest, runde op het eiland nog een winkeltje, maar was eigenlijk met pensioen. Ze had van haar salaris een groot huis van twee verdiepingen kunnen bouwen, één van de weinige op Peleliu. Het stond achter ons aan de rand van het strand op een terrein vol bloemen en palmen. Aan de zijkant van het huis vond ik een aantal in karton en plastic verpakte grote pakketten. Er stond een plaatje van een jacuzzi op.

“Jazeker”, zei Diane, “dat is een echte jacuzzi. Helemaal compleet en gloednieuw. Nooit gebruikt. Er zit ook een hele sauna bij. Ligt hier al een jaar of vijf, schat ik.”

Een jaar of vijf terug zag een Filipijns bedrijf in sauna’s, jacuzzi’s en sjieke badkamers een gat in de markt in Palau. Het bedrijf vloog wat mooie voorbeelden van zijn handel naar Koror, waar het een tijdelijke verkooptentoonstelling inrichtte. Maar de handel viel tegen en na een maand was er niet één product verkocht. Vervelend, mede omdat er daardoor onvoldoende geld was om de uitgestalde sauna’s e.d. terug te vliegen naar de Filipijnen.
      Auntie Margaret was er als de kippen bij en kocht een sauna en jacuzzi voor een spotprijs. De grote pakketten werden een paar dagen later in haar tuin gedumpt, maar de installateur was inmiddels naar de Filipijnen teruggevlogen. Op Palau zijn helaas geen jacuzzi-installateurs en Auntie Margaret eiste dat de man terugkeerde om de boel te komen installeren. Maar die wilde dat ze eerst zijn retourticket betaalde en, tja, dát weigerde Auntie Margaret …

And so it is that Palau’s only jacuzzi and sauna remain unpacked …”

Diane schudde afkeurend haar hoofd.

  

Auntie Margaret (links) en haar vriendin Evelyne

We gingen op pad. In Margaret’s Toyota pick-up reden we het eiland in. Margaret achter het stuur, Evelyne er naast en Diane en ik in de achterbak. Lekker uitwaaien, want God wat was het heet.
      Peleliu, zo mooi en vredig als het er nu uitziet, was ooit het toneel van één van de meest bloedige en gruwelijke slagen uit de Tweede Wereldoorlog. De Slag om Peleliu werd aan het einde van de oorlog, najaar 1944, uitgevochten en duurde twee en een halve lange, vreselijke maanden.
      We stopten bij een klein museum dat was ingericht in een enorme bunker die tijdens de oorlog het Japanse commando huisvestte.
Het museum lag vol met verroest oorlogsmateriaal: mitrailleurs, helmen, bajonetten, geweren.

  

Er waren foto’s en artikelen uit Japanse en Amerikaanse kranten en reproducties van schilderijen vol gruwelijke taferelen van een Amerikaanse kunstenaar. Ook zag ik bebloede hoofddoeken met Japanse teksten, die de soldaten meekregen van thuis voordat ze zich ten strijde begaven. Alles lag en hing er een beetje verwaarloosd bij, iets wat alleen maar bijdroeg aan het gevoel van zinloosheid.

      We reden verder over dit prachtige eiland. Door een dichte jungle met hier en daar kleine taro- of bananenplantages.

“Weet je eigenlijk hoe het komt dat de meeste eilandbewoners hier in redelijk luxe huizen wonen en het over het algemeen financieel best wel goed hebben?” vroeg Diane.

Ik had er niet zo over nagedacht, maar nu ze het me zo vroeg, nee, ik had geen idee.

“De meeste mensen hier hebben, verstopt in de jungle, kleine veldjes waar ze marihuana verbouwen. Niemand weet waar ze liggen, zelfs onder elkaar vertellen de eilanders niet waar hun planten groeien. Maar eens in de zoveel tijd wordt er geoogst en wordt de wiet vervoerd naar Guam waar het clandestien aan de Amerikanen wordt verkocht. Het is dé bron van de relatieve welvaart van Peleliu. Een publiek geheim in Palau, maar nog nooit is er onderzoek naar geweest.”

De wegen waren in redelijke staat en dateerden nog uit de oorlogstijd toen ze door de Japanners waren aangelegd. Het waren er veel, kriskras over het eiland. Het eiland lag er vol mee. Ook het flinke en vooral brede vliegveld stamde nog uit de Japanse tijd. Overal groeide onkruid en ik kon me nauwelijks voorstellen dat er hier nog vliegtuigen landden. Maar dat was wel degelijk zo: Palau Air onderhield een paar keer per week een vlucht op het eiland. Tegenwoordig wordt die service aangeboden door Pacific Mission Airways dat als slogan “Serving Jesus Christ” heeft.

“Op woensdag komt het vliegtuig uit Koror hier aan het begin van de avond. Dan branden er lampjes tussen het gras langs de landingsbaan.”
      Even dacht ik dat Diane er romantisch van werd.

  

Misschien was dit vliegveld wel één van de oorzaken van de Slag om Peleliu. In een in 1944 nieuw ontwikkelde Amerikaanse strategie zou het eiland een belangrijk bruggenhoofd moeten worden voor de opmars naar Japan. Eerst Peleliu, dan de Filipijnen, vervolgens via Taiwan op naar Japan, was het plan. Peleliu, met zijn vliegveld, moest als eerste worden veroverd.
      Het begon met bombardementen. Duizenden bommen wierpen de Amerikanen af over het eiland. Het vliegveld werd verwoest, de jungle brandde af en de huizen werden platgebombardeerd. In een vlaag van barmhartigheid hadden de Japanners de lokale bevolking gelukkig overgebracht naar de noordelijke eilanden Koror en Babeldaob. Toen de Amerikanen de bombardementen na enkele dagen staakten verschenen schepen langs de kust van waaruit een paar duizend man de ooit paradijselijke stranden van Peleliu bestormden. Het eiland was letterlijk platgebombardeerd, er was geen tegenvuur geweest en de Amerikanen verwachtten weinig weerstand.

Maar de Japanners waren van tactiek veranderd. Ze hadden zich ingegraven in een gigantisch complex van tunnels en schuilkelders die ze hadden uitgegraven in het relatief zachte kalksteen van de met jungle overgroeide bergen en heuvels. Het hele eiland was ondergraven. 11000 man, nauwelijks aangetast door de zware douche van bommen van de afgelopen dagen, had zich stil gehouden en wachtte verscholen in hun tunnels de Amerikanen op.
      Het werd een strijd van apocalyptische proporties. In de twee en een halve maand die de gevechten duurden kwamen 11.000 Japanners en bijna 2.000 Amerikanen om het leven. Nog eens 8.000 Amerikanen raakten gewond of vermist.
      En om het allemaal nog zinlozer te maken dan oorlog sowieso al is, gaven de Amerikanen later toe dat de hele slag om Peleliu van geen enkel belang is geweest voor de laatste fase van de oorlog …

  

Op het aller-zuidelijkste puntje van het eiland kwamen we bij het Peace Memorial Park waar een groot monument was gebouwd ter nagedachtenis aan de gevallenen. Het stond op een prachtige plek met in de verte zicht op het eiland Angauer. Dit kleine eiland ligt net buiten de gigantische lus van koraal waarbinnen bijna alle Palauaanse eilanden liggen, zodat je sterke stromingen moet trotseren om er te komen.

It looks close by, but it takes ages to get there!”, zei Diane. “De 250 inwoners van het eiland zijn er in een lange strijd verwikkeld met groepen apen, afstammelingen van twee makaken die ooit door Duitse kolonisten aan land waren gebracht. Het zijn de enige apen in heel Micronesië. Ze eten krabben. De eilanders ook. Van daar.”

  

Margaret draaide de auto en we reden weer noordwaarts, langs Orange en White Beach waar de Amerikanen destijds aan land waren gekomen, het binnenland in tot aan een klein parkeerterrein waar een tank lag weg te roesten in het gras.
      Wat verderop stak de loop van een mitrailleur dreigend uit de jungle.

  

Een in de aarde uitgegraven trap leidde tegen de berg op. Dit was Bloody Nose Ridge, de bergrug waar na zware gevechten de Japanse kolonel Nakagawa op 24 november 1944 na twee en een halve maand weerstand de Japanse vlag verbrandde en harakiri pleegde. Zich overgaf, kortom.
      Er stonden Amerikaanse en Japanse monumenten en het uitzicht was fenomenaal.

Ongelofelijk wat een ellende zich hier toen moet hebben afgespeeld.
      Hier op deze plek, waar nu het woord “liefelijk” het enige was dat me te binnen schoot.

  

In het eindeloze gangenstelsel binnen in de berg onder ons hebben 34 Japanse soldaten zich, angstig om door de vijand te worden ontdekt en onbewust van het feit dat hun kolonel zich had overgegeven of zelfs dat een paar maanden later de hele oorlog was afgelopen, nog twee jaar - tot april 1947- schuilgehouden …

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen