Een avond in Kloulklubed


(Door Rolf Weijburg)

De boot vertrok. Op het dek bijna uitsluitend vrouwen, kletsend of verdiept in de krant en betelnoot kauwend.
      De zee was prachtig, de eilanden, de lucht, wat was alles mooi.

  

We voeren zuidwaarts vanuit de haven van Malakal in Koror, langs de Rock Islands naar Peleliu.
      In grootte het derde eiland van Palau en één van de zestien staten van dit op 15 na kleinste land ter wereld.

       

De tocht aan boord van dit vrachtschip, de “Odesangel-dil”, dat eigendom was van de staat Peleliu, duurde zo’n drie uur.

  

We voeren langzaam want het was laag water aan het worden en de kapitein moest voorzichtig door de gebakende kanalen tussen de vele ondieptes door manoeuvreren.
      Grote vlaktes fel wit koraalzand kwamen droog te liggen.
Ik zag reigerachtigen op het drooggevallen koraal, aalscholvers op boomtakken, pelikanen traag vliegend nét boven het water.

  

 

MAYUMI

We voeren het kleine haventje in. Ik stapte van boord en ontmoette onder het op palen gebouwde havengebouwtje Mayumi, de rijkste man van Peleliu. Een wat slonzige man met een paar overgebleven stompjes tand in zijn mond, die vrolijk heen en weer leken te dansen. Knalrood van het vele betelnoot kauwen.
     
We stapten in zijn pick-up en reden over een betonnen weg het eiland op. Al snel werden we omgeven door het intense groen van dicht oerwoud. Enorme bomen, palmen, struiken vol bloemen en hier en daar een veldje waar de grote puntige bladeren van de taro plant uit de rode aarde staken. We reden langs de elementary school en het graf van een president die tijdens de jarenlange onderhandelingen met de USA zijn ideeën over het Compact-verdrag met de dood moest bekopen.
      Al snel kwamen we bij een langgerekte verzameling redelijk goed onderhouden en ruime huizen. Dit was Kloulklubed, de hoofdstad van Peleliu, een dorp met 800 inwoners. Aan de rand van het dorp had Mayumi een supermarkt met een klein guesthouse erbij. De kamers waren wat benauwd, maar geen nood, Mayumi had nog een andere overnachtingsmogelijkheid een eindje terug het dorp in.

      “Wait for Anna, she has the keys.”

Anna was een aardige Filippijnse vrouw die na een uurtje kwam aanfietsen. Als galante Hollander nam ik haar achterop en samen fietsten we het dorp weer in tot aan een winkeltje dat ook eigendom van Mayumi was. Een houten trap leidde langs de buitenkant van het gebouwtje naar een verdieping met een balkon rondom een prachtige kamer. Met badkamer, een klein keukentje en een traag draaiende ventilator. Een waar appartement. Voor 22 dollar per dag huurde ik de plek voor een aantal dagen.
      Beneden in het winkeltje zat Aktar achter de toonbank, een Bangladeshi nota bene, een moslim, die zich hier ongelofelijk verveelde. Eén andere Bangladeshi woonde er nog op het eiland, vertelde hij, en samen telden ze hun geld op en de dagen af tot op het moment dat ze genoeg verdiend hadden, het nieuwe huis in Bangladesh af was, de kinderen naar school waren geweest en ze de lange terugweg naar huis konden betalen. Hoe hij hier ooit verzeild raakte was een lang verhaal, zei hij, maar “when I finally got here, I looked and looked and looked and in the evenings I cried and cried and cried.


HEREMIETKREEFT

  

De dag was bijna voorbij en ik liep terug naar het guesthouse. Er sprongen enorme padden de betonnen weg over en grote landkrabben kropen in de vallende duisternis richting zee. Bij gebrek aan een passende schelp had een heremietkreeft een glazen jampotje geadopteerd en ook hij kroop zeewaarts. Grote vleermuizen landden onhandig met veel kabaal in de bomen.
      Anna had een mooie maaltijd voor me klaar staan in een eetzaaltje met aan de wanden halfvergane foto’s van Japanse vissers met hun buit. De tafels, een stuk of zes, waren allemaal aan elkaar geschoven. Ik was de enige gast.

Toen ik later weer terugliep naar mijn kamer boven de winkel was het donker. Nog steeds schoven de grote krabben en padden over de weg maar nu lagen er ook overal honden op het warme wegdek. Dikke mensen hingen languit op de “abai’s” - van bamboe of takken gemaakte plateaus op palen met een afdakje erboven- voor hun huizen. Iedereen groette vriendelijk.


AKTAR
   

Toen ik bij mijn winkeltje aankwam, zat Aktar achter de toonbank onder een enkel peertje naar de TV te kijken. Achterin het winkeltje zat Mayumi aan een tafeltje bankbiljetten te tellen. Op de onderste treden van de buitentrap die naar mijn kamer leidde hing een groepje mannen. Ze hadden ieder een aangebroken sixpack Asahi, Japans bier, bij zich en zagen eruit alsof ze voorlopig niet zouden vertrekken. Lege blikjes en chipszakjes lagen her en der in het gras. Ik kreeg direct een blikje aangeboden, de mannen schikten zich een beetje en maakten een plaatsje voor me vrij op de trap.

      De dikste van mijn nieuwe vrienden was Wil, een goedlachse jongen van in de twintig met een perfect rond hoofd. Dan was er Wiseman, een stille veertiger met tatoeages en een haarband als een zeerover en Simo die in Japan had gewerkt en aan één stuk door praatte en dronk. Charlie, ook al van omvangrijk formaat en met een torenhoog kroeskapsel, was niet helemaal goed, of misschien wel dronken en stoned tegelijk. Hij reed af en toe op een oranje kinderfietsje een rondje rond het winkeltje. En dan was er nog Old John, een oude dikkerd zonder tanden die zonder iets te zeggen op de grond tegen de muur zat en alleen maar dronk.

      Ik kocht een sixpack bij Aktar (voor wie het allemaal bijdroeg aan zijn ellende: als moslim veel te veel bier verkopen aan veel te dronken mensen.) en toen ik weer buiten kwam had zich een magere vrouw, pakweg 35, opgestoken zwart haar, grote donkere zonnebril op en een joggingpak aan, bij de mannen gevoegd. Ik bood haar ook een blikje bier aan, maar ze zei: “Thanks, but I only drink coffee and Diët Coke.” Dat laatste verkocht Aktar ook.


DIANE

Ze stelde zich voor als Diane. Ze was Palauaanse met een Amerikaanse vader en een Palauaanse moeder, maar was geboren op Guam en had op Saipan op school gezeten, in Amerika gestudeerd, ontmoette daar een Noor en verhuisde naar Noorwegen. Naar Stavanger. Haar ouders scheidden, zij kreeg een zoon en scheidde ook. Vertrok met haar zoon naar Hawaï waar haar moeder inmiddels woonde, maar het boterde niet en twee jaar geleden was ze, zonder zoon, naar Palau teruggekeerd. Nu werkte ze hier als Ranger, op zee rondom de zuidelijke Palauaanse eilanden op zoek naar illegale visserij - vooral Taiwanese schepen kwamen hier nogal eens illegaal haaien vangen - en vervuilers.

      Op de trap was Wiseman inmiddels voorover over Simo heen gezakt en beide mannen probeerden hun zware lichamen weer met veel gevloek enigszins overeind te zetten.

        Diane had veel familie op het eiland. Neven en nichten, halfbroers en -zussen, achterooms en tantes, maar ze hield zich liever afzijdig. Ze voelde zich anders na dat leven ver weg en sprak de moeilijke lokale taal niet helemaal perfect. Er was maar één iemand op Peleliu die ze echt kon vertrouwen. Dat was haar grootste vriendin, Auntie Margaret, bij wie ze was ingetrokken.

“Waarom kom je morgenochtend niet even bij haar op het ontbijt, ze woont vlak naast de supermarkt. She’ll be glad to meet you!” Ze stond op, gaf me een hand en trok in het voorbijgaan een plastic fles met oranje spul uit de zak van Old John, die onderuitgezakt tegen de muur in slaap was gevallen. “Hier, moet je ruiken. This is what he drinks: pure alcohol! Tot twee keer toe hebben we deze man al eens met spoed naar Koror moeten varen omdat hij zich in zware dronkenschap ernstig verwond had!” Ze gooide de fles weg en liep vloekend de duisternis in.

      Mijn vrienden hadden inmiddels gewoon door gedronken, maar het gebral was voorbij en had plaatsgemaakt voor de berustende en onvoorwaardelijke overgave aan de dronkenschap. Ik wenste iedereen goodnight en baande me een weg tussen de ingezakte lichamen door naar boven, naar mijn kamer.

      Toen ik midden in de nacht opstond om te gaan pissen, keek ik even vanaf het balkon naar beneden. De trap was leeg maar in het zwakke schijnsel van een enkele lantarenpaal zag ik het oranje kinderfietsje van Charlie midden op de weg liggen. Zijn enorme lichaam lag ernaast. Ik hoopte maar dat hij slechts in slaap was gevallen.

  

De volgende ochtend waren Charlie en zijn fietsje verdwenen. Er lag geen grote rode vlek op het wegdek, dus ik denk dat alles goed is afgelopen. Aktar had zijn winkeltje allang weer open. Hij had menig inwoner van Kloulklubed al diverse gezinszakken chips kunnen verkopen, standaard ontbijt voor velen in Peleliu en één van de redenen waarom Palau in de lijst van obesitas-landen steevast in de top tien staat.
      De ochtend was alweer ver op weg, de zware hitte had iedereen naar de schaduw teruggedrongen.

Ik liep de trap af de zon in en ging op zoek naar Auntie Margaret.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen