Compact Road; Een zwart tapijt in de jungle


(Door Rolf Weijburg)

Babeldaob is na Guam het grootste eiland in Micronesië en tegelijkertijd ook één van de minst ontwikkelde eilanden in de regio. Het ligt in het noorden van de enorme lus van koraal, die bijna alle eilanden van de Republiek Palau omsluit en is verreweg het grootste eiland van het land.


      
         

396 km2 groot, vier keer zo groot als alle andere Palauaanse eilanden bij elkaar, terwijl het met ruim zesduizend inwoners een bevolkingsdichtheid heeft die tien keer zo laag is als in de rest van Palau. Een heel dun bevolkt eiland dus van heuvels en baaien en dichte jungle.
      De meeste dorpen liggen aan de kust, het binnenland is nauwelijks toegankelijk. 
Lange tijd waren de kustdorpen alleen over zee bereikbaar, de spaarzame wegen waren zandpaden, vaak onbegaanbaar vanwege de heftige regenval die in Palau bijna dagelijks uit de hemel dondert.

         

Toen in 1978 tussen Babeldaob en het er net onder gelegen Koror, waar de hoofdstad van het land lag, een grote 385 meter lange brug werd aangelegd raakte Babeldaob enigszins ontsloten. Al met al veranderde er echter maar weinig.
      Het eiland bleef een backwater en de brug droeg eigenlijk meer bij aan de ontvolking dan aan de ontwikkeling ervan: velen trokken naar Koror.

 

    Bruggen

In 1996 zakte de brug door slecht onderhoud plotseling in elkaar.
      Twee mensen kwamen om, er waren diverse gewonden en opeens was Babeldaob, waar inmiddels ook de internationale luchthaven lag, weer van de rest van het land afgesneden.

 

      De noodtoestand werd afgekondigd. Japan kwam te hulp en bouwde een tijdelijke brug die in 2002 werd vervangen door de prachtige Japan-Palau Friendship Bridge, ook wel Koror-Babeldaob Bridge genoemd, maar iedereen heeft het gewoon over KB.

  

In een verdere poging Babeldaob te ontwikkelen was het Koreaanse Daewoo al enige tijd bezig om een 85 kilometer lange weg helemaal rond het eiland aan te leggen, de zogenaamde Compact Road die werd ontwikkeld door het US Army Corps of Engineers en gefinancierd uit de Compact of Free Association, een samenwerkings- en ontwikkelingsverdrag, waarin Palau sinds 1994 was verbonden met de US.
      Enorme tegenvallers, zowel logistiek, als bouwkundig (álles moest worden ingevoerd maar materieel was moeilijk naar deze uithoek te verschepen, arbeidskracht moest worden ingevoerd en ter plaatse geschoold, de voortdurende regenval zorgde voor herhaaldelijke landverschuivingen die de gedane arbeid vaak volledig verwoestten, fundamenten zakten in, hele landschappen moesten worden aangepast) hadden ervoor gezorgd dat de bouw van de weg met maar liefst zeven jaar was vertraagd.

  

Op 24 augustus 2007 las ik in de Tia Belau, Palau’s grootste krant, een weekblad, dat het dan toch eindelijk zover was. De weg was klaar en kon officieel worden overgedragen aan de zorgen van het Palauaanse ministerie van infrastructuur. Palau had er zomaar 85 kilometer asfalt bijgekregen en telde nu maar liefst 120 kilometer asfaltweg.

Een paar dagen later huurde ik een auto – een zeldzaam exemplaar met links stuur, de meeste auto’s in Palau waren geïmporteerde tweedehandsjes uit Japan en hadden het stuur rechts, niet erg handig in het rechtsrijdende Palauaanse verkeer -, reed de KB over en kwam al snel terecht op een prachtig glad asfaltdek dat als een zwart tapijt de jungle in dook.

  

      Ik reed het hele rondje met de klok mee. De weg kronkelde comfortabel en vrijwel vrij van verkeer langs de groene glooiingen van westelijk Babeldaob. Af en toe stond er een fel gekleurd houten huis langs de weg, maar nooit ging de weg door een dorp of stad. Hier en daar wezen groene borden de afslagen naar de dorpen aan.

     

      Als je zo’n afslag nam, dan stuiterde je steevast na een meter of 50 van het asfalt af en voerde een kronkelend zandpad vol kuilen verder door de jungle naar beneden, om te eindigen aan de kust waar beton of soms asfalt de huizen in lintbebouwing scheidde van het water.
     
  

Je zou het echt niet zeggen, maar deze plaatsen, met vaak niet meer dan een paar honderd inwoners, waren bijna altijd ook hoofdsteden. Palau bestaat uit 16 staten waarvan de grenzen min of meer overeenkomen met de tribale gebieden van weleer en tien van die staten liggen op Babeldaob. Ze hebben mooie namen. Aimeliik, Melekeok, Ngeremlengui, Ngatpang of Airai en vaak zijn ze maar enkele dorpen rijk.

Babeldaob heeft een beetje de vorm van een gitaar, of een luit zo u wilt. De Compact Road gaat de hele klankkast rond en bovenin voert in het noorden een afslag de hals in. Er stond een bord langs het water met daarop de dwingende tekst dat ik mijn handen moest wassen.

  

De 20 kilometer lange hals van Babeldaob bood op vele plaatsen prachtige uitzichten over zee waar de weg soepeltjes tussendoor gleed. De Compact Road ging wat roemloos ten onder in het dorpje Ollei dat samen met het naburige Mengellang de gehele bevolking van de staat Ngarchelong huisvestte. Tot voor kort waren deze plekken alleen bereikbaar per boot, maar het lag er nu al vol met autowrakken.
      Van hieruit liep een pad naar het noordelijkste puntje van het eiland.

  

Op de hellingen lagen grote monolieten, sommige bewerkt als koppen, andere rechthoekig uitgehakt. De steensoort komt in Palau niet voor.
      Waar de dingen vandaan zijn gekomen en wie ze heeft gemaakt is onduidelijk. Diverse theorieën verklaren waartoe ze zouden hebben gediend en de veronderstelling dat de stenen de basis vormden voor enorme bai’s (gemeenschapshuizen) lijkt het meest plausibel.

Ik reed de twintig kilometer terug naar de afslag en draaide de rondweg weer op. Langs de oostkust van het eiland cruisede ik over het diepzwarte, kersverse asfalt terug naar het zuiden. Zachte bochten en lichte hellingen, overal groen om me heen. Nog steeds was ik haast geen andere auto’s tegengekomen en eigenlijk had ik de afgelopen 60 kilometer maar bar weinig teken van menselijk leven gezien.

   De weg gleed nu een heuvel af en liep over een lange dijk dwars door een brede turkooizen baai. Aan het begin van de dijk was een klein winkeltje waar een eenzame, weinig spraakzame man zakjes chips met paprika-, ui- of barbecue-smaak verkocht. Ik ging voor de barbecue en reed de dijk over. De heuvel op aan de andere kant van de baai en daar zag ik het voor het eerst. In de verte schitterde ergens iets dat leek op een helwitte koepel boven het groen. De weg was bochtig en het ding verdween snel weer uit het zicht. Maar ik wist wat het was.

      Ik naderde de staat Melekeok waar een jaar eerder in oktober 2006, de nieuwe hoofdstad was uitgeroepen. Welcome to the new capital of Palau stond er op een bord bij de afslag. Langzaam verdween de begroeiing aan weerskanten van de weg en kwam ik op een plateau met een prachtig uitzicht over de omliggende heuvels van wildernis.
      En daar, boven alles uittorend, prijkte een één op één replica van het Capitool in Washington DC.

  

Palau’s gloednieuwe regeringsgebouw in Palau’s gloednieuwe hoofdstad. 25 Kilometer van Koror, de vroegere hoofdstad, de plaats waar iedereen woonde en de plaats where it all happens. Sinds de oplevering van dit Palauaanse capitool waren de volksvertegenwoordigers, de ambtenaren en de regeringsleiders opeens allemaal forensen geworden.
      Er was een enorm parkeerterrein met een paar auto’s, maar verder was er niets dat op een stad leek, laat staan op een hoofdstad. Ik parkeerde, stapte uit en liep naar het enorme gebouw. Alle deuren waren dicht. Er was helemaal niemand, geen bewaking, niemand.
      Toch had Ik de hoofdstad van het op 15 na kleinste land ter wereld bereikt: Ngerelmud, met tweehonderd onzichtbare inwoners in onzichtbare huizen was het vast wel de dunst bevolkte hoofdstad ter wereld.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

.