Reizen

 

Voorjaar 1991

Zij blond;hij een tarantula

Op de boot van Livorno naar Golfo Aranci waren we ze al tegengekomen. Twee jonge Nederlandse mensen, tieners eigenlijk nog. Zij met lange blonde haren en hij met donkerbruin gemillimeterd haar en een opvallende tatoeage op zijn rechterbovenarm. Een tarantula. Een mooi aantrekkelijk stel, dat veel heimelijke aandacht kreeg van de voornamelijk Italiaanse passagiers. Maar daar hadden ze nauwelijks erg in, omdat ze heel verliefd waren.

Ze hadden geen hut, maar sliepen op het dek.

Het was mei 1991 en al behoorlijk warm. Op de camping aan de Sardijnse kust in de buurt van het plaatsje Olbia verschenen zij ook. Zij en wij waren de enige gasten.
      Onze de Waard-tent stond al; we zaten onder de luifel een eerste glaasje te drinken. Padre Padrone van Gavino Ledda opengeslagen bij het eerste adembenemende hoofdstuk.

Zij kampeerden voor 't eerst.

Het was al weken lang kurkdroog op Sardinië en de grond was keihard. De jongen probeerde de haringen met een steen in de grond te slaan, maar dat leverde alleen maar kromme haringen op. Zij maakte toen maar een gebaar onze richting op. De jongen kwam op ons af en zei: ‘Heeft u misschien een hamer?‘

Wij hadden een hamer.

Na een half uur stond de tent en gingen zij op de grond zitten. Campinggasje in het midden. Hij ging de tent in, zocht wat in zijn spullen, kwam weer naar buiten, maakte een opmerking waarop zij opnieuw in onze richting wees. Hij kwam weer op ons af en zei:
       ’Ja eh.. sorry maar heeft u misschien ook wat lucifers te leen.

Wij hadden lucifers.

De jongen keerde terug, gooide het doosje naar haar toe en ging weer op de grond zitten. Zij pakte een koffiepot en een pak koffie en ging vervolgens de tent in. Even later kwam ze weer naar buiten en maakte een opmerking tegen de jongen. Ze keken elkaar vertwijfeld aan en toen stond hij resoluut op en kwam weer op ons af.
      ‘Eh, u zult het misschien niet geloven, maar we zijn echt goed voorbereid op vakantie gegaan. Maar eh… we zijn koffiefilters vergeten. Heeft u misschien????

Wij hadden filters.

Hij keerde terug; de koffie werd gezet en daarna verdwenen ze snel de tent in. Wij dronken en lazen en hoopten heimelijk dat we nog één keer zo stoetelend jong en verliefd konden zijn.

 

 

Voorjaar 2002

Midzomernacht op Svalbard

Ik ben met de Nederlandse Constance Andersen. Zij werkt bij een plaatselijk reisbureau en woont hier nu twee jaar. Eigenlijk zou ze nooit meer weg willen, want ze is hier ’volmaakt gelukkig’. Lyrisch is ze over het landschap, de natuur en de uitzichten. En met het klimaat kan ze inmiddels goed leven.
      ‘Ja, het doet wel wat met je’, zegt ze. ’s Winters kan het vijftig graden vriezen en in de zomer loopt de temperatuur wel eens op tot twintig graden boven nul. ’Het is hier ondanks dat het een eiland is, een droog klimaat. ’Dat helpt‘

De weinige inwoners van Longyearbyen moeten een huis en een baan hebben, anders mogen ze zich er niet vestigen. Het merendeel van de inwoners komt uit Noorwegen, maar omdat er een universiteit is, waar je arctische wetenschappen kunt studeren zijn er hoogleraren en studenten uit de hele wereld. Op de heenweg in het vliegtuig van Tromsø naar Longyearbyen zat ik naast een IJslandse hoogleraar arctische geologie, op de terugweg naast zijn Deense collega. Beide professoren zijn net zo lyrisch over het eiland als Constance.
      Dat je naar een merkwaardige uithoek in de wereld gaat, blijkt op de heenweg trouwens ook, want als we over het Beren-eiland in de Noordelijke IJszee vliegen, keert de piloot van de Noorse vliegmaatschappij Braathens het lijnstoestel en vliegt nog eens terug, zodat alle passagiers het eiland kunnen zien. “Een zeldzaamheid’, legt hij uit, want vrijwel altijd is het hier zo bewolkt dat het eiland niet te zien is.

De eeuwige zon schijnt dag en nacht fel die week. Zo fel, dat baby’s niet alleen petjes op het hoofd gedrukt krijgen, maar ook een zonnebril op hebben. Bij drie graden boven nul kun je -uit de wind- in een t-shirt op een terras zitten. Rendieren komen zomaar langs. Ze zijn mager, want de afgelopen winter was erg streng. In de stad mogen de dieren niet geschoten worden. Daar buiten wel. Iedere inwoner van Longyearbyen mag per jaar één rendier schieten. Men hoort van tevoren of dat een mannetje, een vrouwtje of een kalf is. Als een dier geschoten wordt, moet bij de overheid ter controle een tand van het beest ingeleverd worden.


EXTREEM DUUR
  

WAPENS  

 Als je het stadje verlaat ben je verplicht om een wapen mee te nemen. Je kunt namelijk zomaar een ijsbeer tegen komen. Sommige toeristen nemen dit zo letterlijk, dat ze het wapen zelfs bij zich dragen in de enige supermarkt van het plaatsje. J., de Noorse echtgenoot van Constance verhuurt die wapens. ’Oefenen moet, zegt hij. ’Oefenen’.
      Hij troont mij mee naar de schietbaan, die een paar kilometer buiten de stad ligt. 
’Ik ben met wapens opgegroeid’, zegt hij.
Dan kijkt hij mijn richting op.
      ‘En jij’.
      ‘Tja’, zeg ik maar eens. Zo’n dertig jaar geleden zat ik in het leger. Toen bleek dat ik wel aardig kon schieten. Maar ja, sinds die tijd heb ik 't nooit meer gedaan’.

Na wat oefenen zet J. een vizier op het geweer en schiet ik een mooie serie. ‘Ongelooflijk’, zegt Johan. ‘Ik geloof bijna niet dat jij zolang niet geoefend hebt’.
      ‘s Avonds, als het groot feest is en er enorme hoeveelheden drank zijn omgezet in Huset, het plaatselijke restaurant annex feestzaal, staat J. op en begint mij luidruchtig te prijzen.
      Applaus klinkt en nog meer drank is ons aller deel.
     
                                Op naar Spitsbergen!

‘s Winters als het 24 uur lang pikkedonker is, schijnt er wel eens een verdwaalde Japanse toerist te komen.

 Zonnebadende walrus 

  

Deze aquarel is van de Noorse kunstenares Ellen Linde-Nielsen. Ik kocht een reproductie (47 x 37 cm) in
Galerie Svalbard te Longyearbyen, waar het schilderij ook gemaakt is. 
Het heet: Soltilbeder 79 N'' (Zonnebaden op 79 graden Noorderbreedte)

 

 

 

Voorjaar 1999

Een mooie stinkende stad

Het contrast kan niet groter zijn.

      Na twaalf dagen rust, ruimte, schone lucht en nauwelijks verkeer in het koninkrijk Bhutan (Reizen 27) kom ik terug in de hoofdstad van Nepal: Kathmandu. Het is er druk & chaotisch. Oude ronkende auto’s, walmende bussen en vrachtwagens, beroete riksja’s en krakende scootertjes.
      Het is er droog en stoffig en het stinkt. Veel mensen lopen of fietsen met stofkapjes op en in veel straten zitten jongetjes, die deze kapjes verkopen. Soms kom je een op gas rijdend voertuig tegen met daarop de tekst: 
      ‘Niet vervuilend vervoermiddel’.

  

Kathmandu ooit het Nirwana van de hippies is niet zo groot. Ik besluit om te gaan lopen. Je moet dan wel voortdurend riksjarijders en taxichauffeurs van je afschudden. Ze zien handel ook al omdat ze niet begrijpen, dat jij met je westerse kleding en zonder twijfel genoeg poen op zak voor je plezier in deze stinkende chaos gaat rondlopen.

Toch is het ook een mooie stad met een rijke historie. Hoog boven de stad ligt de stupa van Swayambudnath, er is het belangrijkste heiligdom van Nepal het tempelcomplex van Pashupatinath en het Durbar Square is volgepropt met grote en kleine tempels.
      Tussen de voormalige hippie-wijk Thamel, waar overigens nog veel toeristen komen en Durbar Square kun je rondzwerven in kleine straatjes en steegjes. Overal zijn kleine gangetjes, die weer uitkomen op binnenpleintjes en andere gangetjes. Complete doolhoven, die het slenteren eigenlijk zeer aantrekkelijk maken.

Aan het eind van die eerste dag ben ik echter bekaf. Stekende ogen. Koppijn. Kotsneigingen.

De volgende dag pak ik de brief erbij, die ik kreeg van Brieke Steenhof, een Nederlandse vrouw, die in het Nepalese stadje Pokhara woont. Zij wist dat ik een tijdje in Kathmandu zou blijven en had mij een paar adviezen gegeven om de drukte, de chaos en de stank even te ontvluchten.

‘Neem’, schreef zij, ’een taxi naar Chobar, een mini-stadje op een heuveltje net buiten de stad, dwaal daar wat rond en loop door de velden via Kokani (weer een mini-stadje) naar Bungumati.

En dan:

Ik heb het allemaal gedaan. ‘t Klopt.

  
Hieronder nog wat tips van Brieke om in Kathmandu te eten:

 

Winter 1984

Plassen & lippen

De taxichauffeur is groot, bonkig en emotioneel. Hij is een kettingroker, die steeds nieuwe gele stinkende sigaretten aansteekt met de peuk van de vorige. Wij rijden over de Sharia Salah Salem, één van de drukste straten in Cairo, de hoofdstad van Egypte. Eigenlijk rijden we niet, maar staan we vrijwel voortdurend in files, die zich soms even oplossen.
      Het is tumultueus en rumoerig in Cairo. De over het algemeen oude auto’s zijn gammel en maken lawaai. Bovendien stinken ze. Iedereen schreeuwt en iedereen toetert hoewel dat eigenlijk verboden is. De jeugdige fietsers piepen overal tussen door. Zij hebben peppers, die ze continue gebruiken. Ook dat mag officieël niet. Voetgangers proberen de overkant van de straat te bereiken door gewoon auto’s tegen te houden.
      De chauffeur wilde voor het ritje naar het Nederlands Instituut veertien Egyptische pond ontvangen. Mijn begeleider Marco, een Egyptoloog die hier al zes jaar woont, moest daar erg om lachen. Na een luidruchtig afdingingsproces wordt de prijs afgemaakt op vijf en een half pond.
      De offciële koers in die dagen is 80 pond voor 100 US $. Maar op de zwarte markt buiten op straat ontvang je voor 100 US $ toch al snel 115 pond. Zeer lucratief dus, hoewel je in hotels en in musea pas kunt betalen als je een briefje laat zien, dat je officieël op een bank gewisseld hebt. Maar ook dat is op te lossen, want voor vijf pond kun je een briefje met een indrukwekkend stempel kopen dat je ''officieel'' voor tweehonderd pond gewisseld hebt.

De chauffeur stopt ineens midden op straat, stapt uit en doet zijn motorkap open. Dan begint hij tegen zijn rechtervoorband te plassen.
      Er staat een mevrouw achter hem, die daar een opmerking over maakt. Er volgt dan een vermakelijke discussie, die Marco vrijwel synchroon vertaalt.
      De chauffeur wordt voor zwijn en pooier uitgemaakt, waarna de vrouw een ezel en kinderverleidster wordt. Vervolgens is de één een hondenzoon en de ander een hoerenjong.
De uitsmijter komt van de taxichauffeur die het volgende zegt:
      ‘Als jouw lippen er beneden net zo uitzien als van boven, moet ik je niet. Echt niet!
Al leg je er geld bij nog niet’.

Goedemorgen!

 

 

 

Voorjaar 2000

De hond van de rattenvanger

                

Het tweede deel van de weg van de hoofdstad Maseru naar Semonkong in het centrum van Lesotho is niet zo best. De weg is niet geasfalteerd, maar bestaat uit keien, stenen, scherpe steentjes, grint en zand met daar tussen kuilen. Veel kuilen.
      Er moeten drie passen genomen worden. Nkesi’s pass (2660 meter), de Ponto (2905 meter) en de Thaba Putsoa (3096 meter). Vangrails zijn er niet en diverse keren smeek ik om alsjeblieft maar geen klapband te krijgen.
      Het is een bloedstollend mooie tocht in een voornamelijk kaal en ruig landschap in een fascinerende schakering van tinten rood, paars, blauw en geel, afwisselend donker en licht. 

     

De mensen zijn gehuld in dekens en hebben een doek om het hoofd, een pet of de karakteristieke Lesotho-hoed op en soms een mijnwerkershelm als souvenir aan werkzaamheden in de Zuid-Afrikaanse koper- of diamantmijnen. Ze zwaaien, steken een duim op of maken het V-teken. Blanken zijn hier nog een bezienswaardigheid.

Lesotho is het koninkrijk in de lucht met –zoals men mij diverse keren uitlegt- het hoogste laagste punt ter wereld; namelijk 1300 meter. Het is ook een geografisch wonder, want het wordt geheel omringd door één land: Zuid Afrika. Een soort landeiland dus. Net als San Marino.  
      Het land is sinds 1966 onafhankelijk en was nooit een thuisland en kende geen apartheid. Eén inwoner heet Masotho, meerdere inwoners zijn Basotho, de taal is Sesotho en het land van de Sotho’s is dus Lesotho; (spreek uit als Lesoetoe).  Ongeveer net zo groot als België met ruim twee miljoen inwoners; vrijwel allemaal Basotho.

 

ONRUSTIG

In het land is het onrustig.. Dat is al zo sinds 23 mei 1998 , toen de regerende LCP ( Lesotho Congres Party) bij verkiezingen 79 van de 80 zetels in het parlement haalde. Een schandaal meende de oppositiepartijen. Er zou sprake zijn geweest van verkiezingsfraude op grote schaal.
      Maar toen een door Zuid Afrika uitgevoerd juridisch onderzoek uitwees, dat het met die fraude wel meeviel en de zittende regering recht van bestaan had, braken ernstige ongeregeldheden uit. En toen in september van datzelfde jaar een staatsgreep dreigde riep de regering Zuid Afrika te hulp. President Nelson Mandela, die op dat moment in de Verenigde Staten was, gaf opdracht een zogeheten vredesmissie naar Lesotho te sturen. Het Zuid-Afrikaanse leger viel het land binnen, maar stuitte op onverwachte tegenstand. En ging al spoedig over tot grof geweld.Veel doden; nog meer gewonden.

Daarna verkeerde het land enige tijd in een volstrekte anarchie. Plunderingen gevolgd door brandstichting waren aan de orde van de dag. Vooral winkels en bedrijven van Zuid-Afrikanen moesten het ontgelden. Anno 2000 is de hoofdstad Maseru nog lang niet hersteld van die activiteiten. Langs de belangrijkste straat de Kingsway staan overal nog zwartgeblakerde panden, er zijn gaten geslagen in de weg, spullen worden in stalletjes op straat verkocht of middenstanders zijn in containers getrokken.

                                                                                                      GEZELLIGE CHAOS  

Het is er overigens wel een uiterst gezellige chaos. Overal wordt muziek gedraaid of gemaakt, de mensen lijken vrolijk en spreken je voortdurend aan. Dat gebeurt overigens niet alleen om hun Engels uit te proberen, maar heeft ook nogal eens een bijbedoeling.
      “Ach u komt uit Nederland. Mooi land. Heel mooi land. Ik heb er nog een zuster wonen. Misschien kan ik ook bij u langskomen als ik daar naartoe ga. By the way: hebt u wellicht interesse om diamanten te kopen. Ik heb prachtige exemplaren, die bij u veel geld waard zijn. Heel veel geld. Mister, u kunt miljoenen verdienen. Miljoenen”.
      Om tot besluit vijf Rand te vragen als ik daar niet op inga. Kennelijk was zijn eigen handel niet zo lucratief als hij voorstelde. En de diamanten waren waarschijnlijk gewoon bergkristallen.

De zestiende mei zou een spannende dag worden in Maseru. De oppositie had geëist, dat er een datum genoemd zou worden voor nieuwe verkiezingen. Er zou die dag ook een nationale staking plaatsvinden en tegen stakingsbrekers zou streng worden opgetreden. In anonieme pamfletten, die in de stad verspreid werden, werd opgeroepen opnieuw tot actie over te gaan als geen datum genoemd zou worden. Vooral buitenlanders zouden hard worden aangepakt. Nieuws, dat in Zuid-Afrikaanse kranten heel veel aandacht kreeg.

Als ik een paar dagen voor die zestiende mei in het noorden van het land met de auto vlak voor de grensovergang Ficksburg-Maputsoe arriveer, word ik tegengehouden door de Zuid-Afrikaanse politie.
     
      “U weet toch wat zich daar in dat land afspeelt?

      'Ja? Goed!
      U bent gewaarschuwd!”.

In Lesotho blijken inderdaad veel roadblocks te zijn opgeworpen. Soms controleert de politie, soms het leger. Regelmatig moet je een formulier invullen, waar je denkt heen te gaan. Verder zijn er overigens in die tijd geen ernstige ongeregeldheden geweest. Men vermoedt dat er geen belangwekkende organisatie achter de anoniem verspreide pamfletten zit, maar dat het om individuele acties gaat. Vrij algemeen is men overigens wel van mening, dat het tijd wordt om nieuwe verkiezingen uit te schrijven.

                                                                                            HEY MISTER  

In Semonkong in het centrum van het land is van al die opwinding niets terug te vinden. Ik ben de enige gast in de plaatselijke lodge en dat zal ik weten ook.
      De plaatselijke bevolking komt en masse langs.
     
      'Hey daddy, you want something? Koffie, thee, zelfgemaakt gebak? Fruit? Een poppetje kopen, mister? Een Lesotho-hoed wellicht. 
      Hey father, goedemorgen, wil je paard rijden? 
      Heb je een gids nodig? Wat is het koud hè. Heb je misschien een deken nodig? Een trui, een jas?' 
      Hey boss! Ik heb diamanten bij mij thuis. Kom maar kijken. Very, very cheap''.

Een kilometer of zes buiten Semonkong liggen de Maletsunyane watervallen, die maar liefst 192 meter hoog zijn.
      Ik wil er naar toe.
In Lesotho hoor je dat op een paard of een pony te doen, maar ik heb van mijn leven nog nooit op zo’n beest gezeten. Bovendien heb ik geen zin in een gids.

Dan maar lopend.

Men legt mij omstandig uit hoe ik moet lopen om daar te komen, want groene of rode stippen zijn hier gelukkig nog niet. Eigenlijk is het een kwestie van de rivier volgen, maar die is vaak niet te vinden tussen het kreupelhout.
      De hond van de lodge vertrouwt het -waarschijnlijk terecht- niet en besluit dat hele eind voor mij uit te lopen. Ik noem hem Lucky.

We komen door hele kleine dorpjes, waar de mensen in de karakteristieke ronde Rondavels wonen. Ze zijn vriendelijk en niet opdringerig. De kinderen vinden het allemaal prachtig en lopen met ons mee. Als een soort rattenvanger van Hamelen bereik ik met hond en zo’n dertig kinderen de watervallen. Ik ga zitten en kijk. Haal de frisse lucht diep naar binnen.
      Heel even is het leven volmaakt.
    


VOLKSLIED  

        

’s Avonds laat de eigenaar van de Semonkong-lodge mij het volkslied horen.