Reizen (167)

 

Zomer 1968/ Herfst 2009

''Ik heb jullie vertroeteld alsof jullie mijn eigen kindern waren''

Jong, naïef & twee maanden zwanger

Geen tent; geen kleren;geen voedsel 

Genereus aanbod 

Omstreden vertrek 

 41 jaar later

  

(Eerder geplaatst 25-11-'09)

 

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische

 

 

 

Winter 1992

“Die beer heef de varketje gepak en is met de hoofd onder de arm op de voeten gegaan’.

Botsingen in TRANSSYLVANIË

Ergens tussen de achtste verdieping en de begane grond stokt de lift. Een klein stinkend ding in een gore Ceausescu-flat in een buitenwijk van het Roemeense stadje Tirgu Mures. Ik sta alleen in het donkere liftje en raak even behoorlijk in paniek.

Er zitten gelukkig kieren in die lift. Ik zie dat er in de flat geen lampen meer branden. De elektriciteit is uitgevallen. Ik hoor mensen lopen. Ze roepen. Er wordt op de liftschacht geklopt. Ik klop maar eens terug.
      Tien? Vijftien? Twintig? minuten later gaat het licht weer aan. Ik druk op een knopje en het liftje zet zich steunend in beweging. Dan ga ik naar de garage waar de gehuurde Citroën BX wordt gerepareerd. Ik haal er een pakketje uit en ga terug naar het flatgebouw. Acht trappen omhoog, want die lift ga ik niet meer in.

                                                                                                         TRANSSYLVANIË

Dit is Transsylvanië, het noordwestelijk deel van Roemenië dat ooit onderdeel was van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Ik ben hier met Klaas Vos om een radioprogramma te maken over de twee en een half miljoen etnische Hongaren, die in dit gebied een gediscrimineerde minderheid vormen. 
      Klaas Vos woonde twee jaar in de Transsylvaanse ''hoofdstad" Cluj waar hij studeerde aan het Hongaarstalig Protestants Theologisch Instituut. Klaas spreekt bijvoorbeeld Hongaars, een Fins-Oegrische taal waar ik geen touw aan vast kan knopen.
      Tirgu Mures (Hongaars: Márosvásarhely) was op 20 maart 1990 het centrum van bloedige rellen tussen Hongaren en Roemenen. 
De dag daarvoor hadden zo’n duizend Roemenen het gebouw van de Hongaarse Democratische Unie bestormd. Hongaarse betogers werden daarna door Roemenen uit elkaar geslagen. 
      Er vielen zes doden en honderden gewonden.

Een dag voor het liftincident vertrokken wij uit Cluj (Hongaars: Kolozsvar). Er lag een dik pak sneeuw en het was 22 graden onder nul. In hotel Belvedere werd bij gebrek aan brandstof maar een paar uur per dag gestookt, zodat je bijvoorbeeld met een jas aan in bed moest liggen. 
      De sneeuw werd niet geruimd, waardoor de wegen spekglad waren. Omdat wij tóch het land in wilden had Klaas een student van het Theologisch Instituut ingehuurd. Die kende immers beter de weg dan wij.

  

                                                                                                                          VADASD  

Al na een paar honderd meter had ik spijt van deze beslissing. László -zoals hij heette- kende dan wel de weg, maar hij was heel jong en had weinig rijervaring. Gelukkig reed hij langzaam en voorzichtig. 
      Wij gleden door Turda en gingen na Tirgu Mures richting Brasov. En dan verderop linksaf richting Sovata langs het riviertje de Havad. Uiteindelijk bereikten we het puur Hongaarse dorpje Vadasd, waar een kennis van Klaas woonde: dominee Kiss Karoly. (Eerst achternaam, dan voornaam) 
      Een man, die een klein beetje Nederlands sprak omdat hij Bijbels in alle mogelijke talen spaarde en ze ook las. 
Hij had de Nederlandse editie gelezen en zich op die manier een aantal woorden eigen gemaakt. Hij vertelde bijvoorbeeld over een beer, die de week tevoren in het dorpje een biggetje had gepakt:

De mensen in het dorpje woonden in vrij kleine huizen. Ze hadden hout genoeg om te stoken en werden vooral in leven gehouden door dominee Kiss, die regelmatig voedselpakketten uit Nederland ontving. 
      In het plaatselijke winkeltje was vrijwel niets voorradig. Al maandenlang was de bus niet verschenen. Aan de rand van het dorpje woonden enkele zigeuner-gezinnen in gammele tochtige krotten.
      Genegeerd en uitgekotst door de plaatselijke bevolking.
Wij gingen zo'n hutje binnen. In een hoek lag een oude vrouw op een gammele bank. Ze was er heel erg aan toe. Ze zuchtte, steunde en huilde af en toe. 
"Armoe is dit'', zei dominee Kiss. ''Onstellend grote armoe. Vreselijk om jullie dit te moeten laten zien. Vreselijk".

                                                 DE MOEIZAME TERUGTOCHT 

Op de terugweg bleek de ventilator van de auto kapotgevroren. De ruiten besloegen en wij moesten om de paar honderd meter stoppen om het ijs van de ramen te krabben. 

      Het was vrijwel ondoenlijk en onze jonge chauffeur kreeg het steeds benauwder. Maar hij wist in Tirgu Mures een garage, waar ze klanten uit het westen natuurlijk direct konden helpen om ze daarna een financiële poot uit te kunnen draaien.

Kennissen van László woonden acht hoog in de Ceaucescu-flat in Tirgu Mures. Ook hier was de stadsverwarming maar een paar uur per dag actief. Wij zaten in onze jas en dronken een kopje thee tot ik het pakketje ging halen, dat nog in de auto lag.

                                                                                                                              LUNA  

Op de weg terug naar Cluj gebeurde het toch nog. Het was op de hoofdweg in het dorpje Luna (Hong: Aranyoslona). De auto slipte en onze chauffeur deed wat je juist niet moet doen: hij ging op zijn rem staan.
      Wij botsten langzaam maar vrij luidruchtig op een geparkeerd staande auto. 
Onmiddellijk kwamen er uit diverse huizen mensen aanstormen. Ze waren agressief en eisten dat wij mee naar het politiebureau gingen. 
      Onze auto had een forse deuk aan de voorkant; de oude Lada van de luidruchtigste Roemeen had nauwelijks schade.

De politieman vulde wat formulieren in, maar het was duidelijk dat de Roemeense eigenaar geld wilde zien. (In sommige boekjes kan je dan lezen, dat je niet moet betalen, maar die dingen worden volgens mij altijd opgeschreven door mensen, die zoiets zelf nog nooit hebben meegemaakt). 
      Honderd Amerikaanse dollars moest de man hebben. Voor Roemeense begrippen in die tijd waanzinnig veel. (Ongeveer twee maandlonen). Klaas en ik keken elkaar aan. De situatie was gespannen en werd enigszins beangstigend toen deze Roemenen in de gaten hadden, dat onze chauffeur een Hongaar was. 
      Ik deed toen maar een greep in mijn binnenzak en haalde er twee biljetten van vijftig dollar uit.

                                                                                             TWEE FLESJES PALINKA  

De man lachte; alle omstanders lachten en wij werden uitgenodigd om binnen te komen. 
      Daar had een oude oma de fles Pálinka al tevoorschijn gehaald. 
De fles was snel leeg; een tweede volgde en de stemming werd bepaald vrolijk.

László dronk niet en reed rustig met een rammelende voorbumper terug naar Cluj. 
      De verwarming in het hotel was zowaar aan.

EEN KAARTJE VAN DOMINEE KISS

 (Eerder geplaatst 07-03-'08)

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië

 

 

 

 
Gerommel in het paradijs

(Door Rolf Weijburg)

Het paradijselijke imago van de Seychelles dat de wereld werd voorgeschoteld was slechts een dun laagje aan de buitenkant van een land dat zijn onschuld allang had verloren.


Couppogingen

Tijdens een staatsgreep in 1977, een jaar na de onafhankelijkheid, greep premier France-Albert René de macht.
      Het nieuwe regime werd herhaaldelijk geconfronteerd met couppogingen waardoor de paranoia toenam en René zich ging omringen met Tanzaniaanse militairen en Noord Koreaanse elitetroepen.
      Tegelijkertijd werd de repressie steeds groter.

Het was maart 1986.

Ik had de hele dag door het zuidelijk deel van Mahé eiland gelift en gelopen. Ik had geluncht in een klein restaurant aan de Anse aux Poules Bleues.
      De kippen liepen er los en waren blauw geverfd.
De Belgische uitbater, een persoonlijke vriend van President René, had me trots een reeks littekens laten zien die diagonaal over zijn borst liepen.
      “Mitrailleurkogels uit mijn huurlingentijd”, had hij grijnzend verkondigd.

Aan het eind van de middag was ik beland op het fraaie strand van Anse Royale waar talloze kinderen verkoeling zochten in het lauwe water.
      Ik was op zoek naar bier voor de dorst.
Seybrew heet dat hier, en omdat er buiten de hotels nauwelijks bars of cafés waren, dronken de mensen het in de winkels.

Er stond zo’n winkeltje langs de weg, ik liep er naar binnen en bestelde een biertje. Ik was de enige klant. De dame achter de toonbank schoof me een koele Seybrew toe en begon een praatje.
      Eerst voorzichtig informerend maar al gauw als een waterval.  
Of ik die groepjes Noord-Koreanen niet had gezien die alles hier in de gaten hielden.

Beesten zijn het. Ze moeten president René in het zadel houden en in ruil daarvoor mag Noord-Korea alle vis uit onze wateren vissen. Zo blijft er voor ons niks over. En kijkt U eens naar uzelf, U staat hier te drinken omdat de regering bang is voor opstandjes als er gewone bars zouden zijn. De regering is bang en wij zijn de dupe. Om zes uur is alles gesloten en verlaten op Mahé, dan durft niemand meer op straat uit angst voor de Noord-Koreanen die je ondervragen, je slaan soms, of erger. Ik wil hier zo graag weg. Naar mijn kinderen. Naar Engeland, daar hebben we ze van ons gespaarde geld naar toe kunnen sturen. Als ze hier waren gebleven hadden ze op veertienjarige leeftijd naar Saint Anne Island moeten gaan, waar ze twee jaar lang gedrild en gehersenspoeld en tot robots van de regering zouden worden gemaakt. National Youth Service heet dat, maar onder het mom van Dienst aan de Natie is het gewoon een strafkamp. Een jeugdgevangenis. En als ze er dan na twee jaar uit waren gekomen hadden ze nog niet eens zelf een baan of beroep mogen kiezen. Dat bepaalt de regering. En de rest van de wereld denkt dat dit het paradijs is?

Er kwam nog een klant binnen. Angstig keek de dame naar de donkere schaduw in het felle licht van de deuropening. De man bestelde een bier, ik dronk mijn flesje leeg, betaalde en wilde de deur uitlopen.

“Hey Mister”.

De nieuwe klant pakte het ingelijste portretje van president René dat hier overal verplicht aan de muur hing, en veegde het langs zijn achterste.

“Welcome to Seychelles!” 

France-Albert René (1935), zoon van plantagehouders, zogenaamde Grands Blancs, op het verre Farquhar Island, studeerde rechten in Londen en keerde in 1958 terug naar de Seychellen waar hij als advocaat aan het werk ging.
      Hij was oprichter van de SPUP, de Seychelles People’s United Party en in 1976 werd René premier onder de eerste president van een onafhankelijk Seychelles, James Mancham.

      Ontevreden met het bewind van Mancham die werd verweten een dandy te zijn die zich slechts wilde inzetten voor feesten en braspartijen voor de internationale jetset en vaker in het buitenland was dan in de Seychellen, pleegden in juni 1977 militante aanhangers van de SPUP die in het Tanzania van Julius Nyerere waren opgeleid, een coup terwijl President Mancham voor een congres in Londen was. Hoewel René altijd heeft volgehouden niet op de hoogte te zijn geweest van de op handen zijnde staatsgreep, liet hij zich gewillig tot president uitroepen.

      Binnen een jaar hadden de Seychellen een nieuwe grondwet waarin de president belangrijke bevoegdheden kreeg toebedeeld en het land officieel een eenpartijstaat werd. Onzeker van hun toekomst ontvluchtten vele, vooral rijke, Seychellers het land terwijl de rest van de bevolking te maken kreeg met avondklokken, intimidatie en repressie.

      Meerdere couppogingen volgden, ditmaal opgezet door aanhangers van Mancham die in Londen in ballingschap was gegaan, maar ze werden telkenmaal in de kiem gesmoord. Ook Amerika werd verdacht van een couppoging omdat het ''t socialistische regime een gevaar achtte voor zijn net operationeel geworden basis op Diego Garcia in  het British Indian Ocean Territory ten oosten van de Seychellen.

Kortom: het rommelde flink in het paradijs.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1993

"Sorry!: Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’

Amsterdam-Athene-Larnaca

Wij zijn nog geen tien minuten in de lucht, de gordels zijn net los en de eerste consumptie moet nog komen. De mevrouw naast me is bleek. Ze is ook nerveus. Laat de tas vallen als ze die in het bagagedepot wil leggen. ‘’Sorry’’, zeg ze. 
      Het KLM-toestel zit vol. We zitten in het middendeel van de Economy-Class. Vijf stoelen. Zij zit aan het gangpad, ik ernaast. Collega Klaas Vos zit in het midden. We gaan naar Larnaca Cyprus, maar maken een tussenstop in Athene.

‘’Sorry’’, zegt ze nog een keer. ‘’Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’.

Zo. Dat heb ik weer. Altijd in vliegtuigen. 
       Ik kijk haar aan. Een jaar of 45/50. Vrij lang. Volslank. Verzorgd gekleed. 
‘’Ik ga naar mijn zuster’’, vervolgt ze. ‘’Zij heeft me uitgenodigd om bij te komen. Ze woont al heel lang in Athene. Ik kan goed met haar opschieten. Daar kan ik uithuilen’’.

      ‘’Ik zal me even voorstellen’’, zegt ze. ‘’Jolande. Niet Jolanda. En mijn psychiater heeft me aangeraden om er vooral niet over te zwijgen. Praat er maar over, zei hij. Als je een willig oor vindt, kan dat geen kwaad’’.

‘’Ik ben een willig oor, Jolande. Wat is er gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’’.

      ‘’Het begon zes jaar geleden. We waren nog niet eens zo lang samen. Hevige buikpijn. Krampen. Niets meer binnen kunnen houden. En het ergste: bloed in de ontlasting’’.

Ze praat monotoon. Legt vrijwel nergens klemtonen. Kijkt mij ook nauwelijks aan, maar staart voor zich uit.

‘’De huisarts verwees hem nadat hij zijn klachten had verteld direct naar de maag-darmspecialist. Er volgde een darmonderzoek, waarbij ze weefsel wegnamen. En toen ging het snel, want hij had kanker. Dikkedarmkanker’’.

Ze wendt zich even terzijde. Neemt mij op en lijkt zich af te vragen hoe ver ze kan gaan. 

‘’Wil je iets drinken Jolande? Ik haal wel even wat’’.

“Nee’’, zegt ze. ‘’Hij moest geopereerd worden. Ze moesten de buik openen en de tumor weghalen. Lymfeklieren en bloedvaten in die buurt moesten ook weg. De specialist legde het goed uit. Ik was erbij. Dat was in zekere zin wel prettig. Maar mijn vriend had 't er moeilijk mee. Hij was zijn hele leven al een hypochonder. En nu was het echt zo ver. Eigenlijk nog in de bloei van zijn leven. 45 jaar. Hij vroeg zich direct af of hij dit allemaal zou overleven. Maar daar kon die dokter natuurlijk ook geen uitspraak over doen. We zijn er redelijk vroeg bij, zei hij. Dat scheelt. Maar nogmaals; een voorspelling kan ik niet doen’’.

‘’En?’’, vraag ik. ‘’Hoe ging die operatie?’’

‘’Goed’’, zegt ze. ‘’Heel goed. Na een tijdje ging hij weer werken en werd een beetje vrolijker. We hadden veel aandacht voor elkaar, want kinderen hebben we niet. Eigenlijk hadden we een hele mooie tijd’’.

Ze zegt het met enige reserve. En ik weet dat er meer komt. Veel meer en nog veel meer ellende.

‘’Ik ga even een drankje halen’’.

We vliegen al zo’n twee uur. Nog anderhalf uur. Zij gaat daar de tijd mee volmaken. Ach, als het haar helpt wil ik daar graag aan meewerken. Zij heeft intussen bedacht dat ze mij ook maar eens wat moet vragen dus: ‘’Je gaat naar Cyprus. Wat gaan jullie daar doen? Vakantie?’’

‘’Nee. We gaan naar Nicosia en gaan ook naar Noord-Cyprus. Een radioprogramma maken over de laatste Muur in Europa’’.

Maar ze luistert nauwelijks en gaat direct weer door. Dreunend. Repeterend. Alsof ze in een soort trance is.

      ’Na twee jaar kreeg hij weer klachten. Het was teruggekeerd. Hij werd opnieuw geopereerd. Maar nu waren er complicaties. Een stoma. En die moest blijven. Verder kon hij nauwelijks eten. En toen kreeg hij na een tijdje ook nog een longontsteking. Het was vreselijk allemaal. Hij zag het niet meer. Wilde het liefst dat er maar een eind aan kwam. En ja. Wat moet je dan?’’

      ‘’En?’’, zeg ik. ‘’Wat moest je?’’

‘’We gingen weer naar die specialist. Om te informeren of er nog iets te redden viel. Hij zei dat chemotherapie nog een mogelijkheid was. Niet om te genezen, maar om het hele proces te verlichten. Een soort palliatieve behandeling. Maar dat zou ook bijwerkingen kunnen geven”.

Ze kijkt naar buiten. Merkt dat het toestel aan het dalen is. En zegt

‘’Enfin. Hij heeft dat laten doen. Maar er waren bijwerkingen. Veel bijwerkingen. Geen kwaliteit van leven meer. En zo hebben we er op ’t laatst een eind aan laten maken. Iedereen zegt altijd dat zoiets wel mooi is. Nou, Ik vond er geen moer aan. Geen rooie rotmoer’’.

     

    Uit: Stranger than paradise

 (Eerder geplaatst 26-02-'17)


Ontmoetingen in de lucht:
 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan


 

 

Voorjaar 2004  

‘Opnieuw verscheen de vrouw met een jerrycan vol benzine. Ze maakte er geen probleem van hem helemal onder te gieten'

Een gebrandmerkte man

Als we uit de bus stappen bij het stadion wijst Theo de plaatselijke parkeerwachter aan. 
       ‘Dat is Marco’. 
Ik kijk de man aan en zie een gebrandmerkt gezicht met verschrikkelijke littekens. Hij is dik aangekleed en heeft een doek over zijn hoofd. Pas 26 jaar oud.
Het gebeurde acht jaar eerder hier in Cochabamba, een stad in het centrum van Bolivia. Marco logeerde bij zijn vriend Victor. Toen hij in zijn eentje het huis verliet, dachten buurtbewoners dat hij een inbreker was. Ze pakten hem, bonden hem vast aan een lantaarnpaal, goten benzine over hem heen en staken hem in brand. 
      Lynchen noemen ze dat in Bolivia.

Cochabamba is een stad van bijna één miljoen inwoners. Heel druk, lawaaiig, divers, gezellig en crimineel. Een mengelmoes van Indianen, Mestiezen, Latino’s en blanke afstammelingen van Spanjaarden, die allemaal één ding gemeen hebben. Ze kauwen op Cocabladeren.
       De stad ligt op 2600 meter hoogte en heeft volgens de Lonely Planet gids het meest plezierige klimaat ter wereld. (There is hardly a healthier or more ideal climate on earth with clear, beautiful skies.). 
      Theo Roncken, een Nederlander die hier woont, vindt dit laatste een beetje onzin. Cochabamba ligt in een dal en als het warmer wordt, blijven de uitlaatgassen hangen.‘Smog is hier jammer genoeg een heel normaal verschijnsel‘.

In de stad publiceerde de organisatie Accion Andina de getuigenis van Marco onder de kop ‘Gebrandmerkt’ als schrikwekkend voorbeeld van dit soort wraakacties.
      
Uit het rapport:

      Marco was een straatkind. Nooit naar school geweest. Zijn ouders werkten op de markt en gingen iedere dag s’ochtends om vier uur weg om pas ‘s avonds laat terug te komen. Victor, een buschauffeur ontfermde zich over de jongen, die uit huis wegliep toen hij zeven jaar oud was. Ze verloren elkaar een tijd uit het oog tot Marco achttien jaar was en -met die noodlottige gevolgen- bij Victor in huis werd opgenomen.


Politie steelt luxe jeep


Het is maar één verhaal uit een lange reeks van criminaliteit, geweld, seksueel misbruik, corruptie, oplichting, wraak en uitbuiting.

Daniël bijvoorbeeld had een winkel met hebbedingetjes, die hij zelf uit China haalde. Hij boerde goed en kocht op zeker moment een luxe Jeep. Een paar weken later werd de auto gestolen. Daniël deed uiteraard aangifte, hoewel hij -zoals vrijwel alle inwoners van Cochabamba- weinig vertrouwen in de politie had. Wekenlang hoorde hij niets, tot hij een telefoontje kreeg van iemand uit de San Antonio gevangenis.
      Volgens deze gesprekspartner was de auto ’ontvoerd’. Hij kon hem voor 3.000 US$ terugkrijgen. Daniël bracht een bezoek aan de gevangene, die hem uiterst professioneel uitlegde dat hij niets met de diefstal van doen had, maar hem als tussenpersoon van dienst kon zijn.

Daniël ging direct op het aanbod in. Zijn verzekeringsagent was namelijk zeer blij met deze nieuwe situatie en zag -ook zonder betaalbon- geen problemen om de afkoopsom op zich te nemen. Ook de contactpersoon in de gevangenis handelde de zaak natuurlijk zonder enig papierwerk af. 
      Daniël vond na een paar aanwijzingen zijn auto terug op een braakliggend stuk land. In goede staat en zelfs met een half gevulde tank. Alleen de ingebouwde cassetterecorder ontbrak. Van de politie kreeg hij een complimentje dat de zaak zo probleemloos was opgelost.

Toen hij met een paar vrienden naar het beste restaurant van de stad ging om de terugkeer van zijn auto te vieren, zag hij zijn ’tussenpersoon’ in gezelschap van een aantal politiemensen. 
      Zij hadden ook wat te vieren.

 (Eerder geplaatst 18-09-'07)

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan

 

 

 

      

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh