Reizen (181)

 

De Walgvogel van de Admiraal

 


Zomer 1996

Een aandoenlijke dodo

Wij zijn die ochtend de enige bezoekers in het scheepvaartmuseum van Mahébourg, een stadje op Mauritius, eiland in de Indische Oceaan. 
      Een mooi museum in een vorstelijk pand, dat daar door de Nederlanders is opgericht.
Je vindt er prachtige oude scheepswrakken, kaarten en mappen -o.a. van Abel Tasman- , schelpen , beeltenissen van Paul & Virginie, de Romeo & Julia van het zuidelijk halfrond en fossielen van vissen.
      En uiteraard zijn er reconstructies van dodo’s, het nationaal symbool van dit eiland.
Overal vind je souvenirs met de –vermeende – afbeelding van deze vogel, die alleen op Mauritius voorkwam. 
      Een wat onbeholpen, aandoenlijke dikke vogel met een rudimentaire staart en onderontwikkelde vleugels. 
De vogel die uiteraard niet kon vliegen, stierf uit in de zeventiende eeuw. 
      Dat gebeurde door de activiteiten van de Nederlanders, die toen de scepter zwaaiden op het eiland.

Alice in Wonderland  

Onzin; grote onzin  


Ontmoetingen in de lucht:
 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr. een Yank
14: Stefan, een tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan

 

 

Een kapotte voorruit

De weg van Szigetvar naar Vásárosbéc in het zuidwesten van Hongarije is niet zo best. De laatste paar kilometer gaan over een zand-en stenenpad vol kuilen, drempels en verzakkingen, door plassen en gaten. Hoewel twee auto’s elkaar nauwelijks kunnen passeren raast de plaatselijke bevolking met onvoorstelbare snelheden over dit pad. 
      Dat doet niet alleen veel stof opwaaien; het zorgt ook voor steenslag.
Gevolg: Een barst in de voorruit van mijn Citroen XM. Zo’n vijftien centimeter.

Je kunt dan twee dingen doen. Ter plaatse proberen een reparatie te laten verrichten of wachten tot je weer thuis bent. Ik koos voor ’t laatste, maar moest de weg toen nog een aantal malen rijden.
      Gevolg: de barst werd steeds groter. Bij vertrek een halve meter; bij thuiskomst over de hele breedte van mijn ruit (Foto boven).
Ik nam contact op met Autotaalglas. Al de volgende dag kon ik terecht bij het dichtstbijzijnde filiaal op een industrieterrein in Hoogvliet. 

Ik kwam daar ‘s middags om één uur en werd geholpen door Stefan. Een zeer energieke man met getatoeëerde armen. Hij was vrij klein, had weinig haar en een gedrongen postuur. Precies Wesley Sneijder. Dat vond hijzelf trouwens ook. Maar ‘die tuinkabouter’ stond wel terecht in de basis van het Nederlands elftal. Dat vonden wij allebei.


Stefan was een vakman. Een soort tovenaar. Dat was vanaf het eerste begin duidelijk. 
      Ook was duidelijk dat de voorruit vervangen van een Citroen XM (1997) meer dan een routineklusje was. De grote ruit was er nog op een ouderwetse manier in gelijmd en de lijst moest behouden blijven, want die was niet voorradig. 



Er werd gesneden, geslepen, gezaagd, geboord, geduwd en getrokken. Toen om twee uur een volgende klant kwam voor een nieuwe ruit, was de mijne er nog steeds niet uit. Vanaf dat moment ging Stefan in looppas van de ene naar de andere auto, beantwoordde telefoontjes, rookte shagjes en maakte geintjes met andere automobilisten die sterretjes in hun voorruit hadden. 
      Om drie uur kwam een volgende klant voor een nieuwe ruit, zodat Stefan vanaf dat moment zijn aandacht op drie auto’s moest richten. Hij werd er geen moment zenuwachtig van. En ach die Wesley Sneijder zou het wel goed doen op het wereldkampioenschap. Maar hij moest ook niet al te goed worden, want Stefan was getrouwd met een Braziliaanse. En ja: ook bij dat voetbal moest hij zijn aandacht op twee teams tegelijk richten. Hij sprak trouwens behoorlijk goed Portugees. Zei hij.
      Ik geloofde hem onmiddellijk.

        

Nog voor vijf uur zat mijn nieuwe voorruit erin. Ik hoefde maar de helft van mijn eigen risico af te dragen. En alle vignetten die ik de afgelopen jaren op mijn voorruit had geplakt -Tsjechië, Slowakije, Slovenië (2x), Oostenrijk (2x) en Zwitserland (2x)- was ik ook kwijt.

(Eerder geplaatst: 06-06-'14) 

 

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr. een Yank
14: Stefan, een tovenaar 

 

 

 

         


n grote smeltkroes

(Door Rolf Weijburg)

Malta, het op 9 na kleinste land ter wereld, ligt midden in de Middellandse Zee.
      Niet verwonderlijk dus dat het door vele volkeren is bezet en bevochten, bebouwd en bevolkt. Feniciërs, Noormannen, Carthagers, Byzantijnen, Grieken, Arabieren, Spanjaarden, Romeinen, Sicilianen, Fransen en uiteindelijk, tot aan de onafhankelijkheid in 1964, de Britten. Allemaal heersten ze gedurende zekere tijd over de kleine archipel, lieten sporen achter in het land, de architectuur, de taal en de cultuur.

Malta is één grote smeltkroes.
      Maar hoe Malta, en in het bijzonder de hoofdstad Valletta, er vandaag de dag nog uitziet, danken we vooral aan de Soevereine Militaire Hospitaal Orde van Sint Jan van Jeruzalem, van Rhodos en van Malta, kortweg de Orde van Malta, die van 1530 tot 1799 over de eilanden heerste.

De Orde van St. Jan van Jeruzalem was oorspronkelijk een kloostergemeenschap die de pelgrims in het Heilig Land in een hospitaal van medische hulp voorzagen. De activiteiten van de Orde breidden zich tijdens de kruisvaarten uit tot militaire bescherming van de kruisvaarders, en de verdediging van het Katholiek geloof.
      Al gauw verwierven de Ridders en het hospitaal grote faam waardoor in heel Europa edelen en gegoede burgers geld, goederen, gebouwen en land aan de Orde schonken. De exploitatie van al deze schenkingen genereerde voldoende geld om de activiteiten van de Orde in het Heilig Land en later ook in hulphospitalen langs de pelgrimsroutes mogelijk te maken.

Bezittingen

Jeruzalem werd in 1187 veroverd door de Turken, de Ridders vluchtten naar Akko, net boven Haifa in het huidige Israël, maar ook daar werden ze verdreven en via Cyprus kwam de Orde op Rhodos terecht. Na ruim 200 jaar werden de Ridders ook daar door de Turken verjaagd. De Grootmeester van de Orde, Philippe Villiers de l'Isle-Adam, zwierf vervolgens met de weinige overlevende Ridders en 4.000 Rhodenzers 7 jaar door Italië.
      In 1530 kreeg de Orde  van keizer Karel V Malta toebedeeld en hoewel het eigenlijk een lening was die de Ridders één valk per jaar kostte, was Malta met zijn Ridders de facto onafhankelijk.
      In 1565 verscheen Sultan Süleyman II de Grote  met een enorme vloot voor de kusten van Malta. Het kleine Fort San’Elmo op het puntje van de landtong waarop nu Valletta ligt, werd veroverd, de Turken vochten zich landinwaarts. Maar Fort San Angelo, op de landtong waarop Birgu, het hoofdkwartier van de Ridders lag, hield net lang genoeg stand om een leger Sicilianen dat door de Ridders te hulp was geroepen, de kans te geven Malta te bereiken.  Met deze versterking konden de Turken worden verslagen.

Valletta, sublieme hoofdstad

Door ervaring wijs geworden, kon nu onder Grootmeester de la Valette met financiële steun van Paus Pius V en Koning Filips II van Spanje aan de bouw van een nieuwe, enorme vesting worden begonnen: Valletta, ook nu nog de hoofdstad van Malta.
      Het moest een stad worden als een fort ter verdediging van het christendom, maar tegelijkertijd en vooral moest het ook een cultureel meesterwerk worden. Befaamde architecten werden uit Italië aangetrokken en in het rechte stratenplan binnen de formidabele verdedigingsmuren verschenen somptueuze gebouwen en prachtige kerken en kathedralen.
      Beroemde kunstenaars als Caravaggio werkten er aan grote schilderijen voor rijke en/of religieuze opdrachtgevers. Er werd een groot ziekenhuis gebouwd met wel 15 ziekenzalen en er kwam een school voor anatomie, chirurgie en algemene geneeskunde.  Een periode van rijkdom en vooruitgang brak aan waarin de Grand Harbour en de sublieme hoofdstad Valletta de hoofdrol speelden.

Maar er kwamen kinken in de kabel. Tijdens de Napoleontische oorlogen verloor de Orde het overgrote deel van haar Europese bezittingen en raakte daarmee veel van haar inkomstenbronnen kwijt. Toen in 1798 Napoleon op weg naar Egypte voor de Maltezer kust verscheen, konden de Ridders, die moeite hadden om tegen christenen de wapens op te nemen, nog maar weinig uitrichten. Ook de Maltezer bevolking was niet meer bereid te strijden voor het behoud van de ridderlijke overheersing.
      De grandioze verdedigingswerken ten spijt, viel Malta bijna zonder strijd na vijf dagen in Franse handen.

Napoleontische oorlog

De Ridders moesten het eiland verlaten en de Soevereine Militaire Hospitaal Orde van Sint Jan van Jeruzalem, van Rhodos en van Malta, was wederom zetelloos. Na jarenlange omzwervingen door Europa - met zelfs een korte periode waarin de Orde haar zetel had in Sint Petersburg en de Russische Tsaar Paul I even Grootmeester was - vestigde de Orde zich in 1834 uiteindelijk onder bescherming van het Vaticaan in de Via dei Condotti, hartje Rome.
      En daar bevindt het zich nog steeds.

Palazzo

Weinigen van de winkelende toeristen in de Via dei Condotti aan de voet van de Spaanse Trappen in het centrum van Rome, beseffen dat het fraaie pand, het Palazzo Magistrale op nummer 68 tussen de sjieke kledingwinkels eigenlijk een onafhankelijk land is.
      Als je via de monumentale poort het gebouw binnen bent gelopen heb je officieel het Italiaanse territorium verlaten.
Het Palazzo is het hart van het wereldwijde instituut dat de Orde tegenwoordig is, met diplomatieke relaties met 106 landen en een waarnemersstatus bij de Verenigde Naties.


Ambassades

De Orde heeft haar eigen ambassades en haar ambassadeurs en hun gezinnen hebben  diplomatieke SMOM (Sovrano Militare Ordine di Malta) paspoorten. Alleen de Grootmeester zelf, de Groot Commandeur en de Groot Kanselier hebben “gewone” SMOM paspoorten.

 

Het militaire karakter heeft de Orde inmiddels, behalve in de naam, laten vallen en de Ridders (13000 zijn het er inmiddels wereldwijd) richten zich sinds het vertrek uit Malta weer op hun oorspronkelijke charitatieve en humanitaire doelstellingen: de verzorging van zieken en behoeftigen met het katholieke geloof als inspiratie. Honderden ziekenhuizen en klinieken met duizenden medewerkers over de hele wereld worden door de Orde gerund, terwijl het zich ook internationaal inzet voor vluchtelingenhulp en bij rampen.

 

 KENTEKEN

 

Op de binnenplaats van het Palazzo - met een groot Maltees kruis in het plaveisel - staan enkele auto’s met SMOM kentekens.
      Het gebouw herbergt o.a. de residentie van de Grootmeester, de Magistrale Bibliotheek, een ziekenhuis, een kapel en het Magistrale postkantoor.

 

 

 

COURT


Poste Magistrali

Hier kan je SMOM (Magistrale) postzegels kopen waarmee je post kunt versturen naar 57 landen. Je kunt er ook setjes Scudi kopen, de Magistrale munteenheid die in 2005 is vervangen door de Euro.
      Met Nederland heeft SMOM geen postale verdragen, dus kon ik vanuit het Palazzo geen kaartje naar Utrecht versturen. Ik liet de postzegels wel afstempelen en kreeg daar vervolgens een mooi stempel bij: Busta filatelica non viaggiata (niet gereisd filatelistisch poststuk). Met mijn Fiat 127 reed ik het kaartje zelf naar Utrecht en stempelde bij thuiskomst een streep over het woordje “non”.

De SMOM is dan wel “onafhankelijk”, maar als het een echt land zou zijn (dat is het niet omdat er haast geen territorium is, er eigenlijk maar één inwoner is, en te veel landen het niet als zodanig erkennen) dan zou het by far het kleinste land ter wereld zijn. Ruim 200 keer kleiner dan het Vaticaan.

Villa
Toch is de Orde groter dan je denkt. Op de Aventino heuvel in het zuiden van Rome bevindt zich een tweede SMOM gebouw, de Villa Magistrale. Hier ontvangt de Grootmeester staatshoofden en ambassadeurs en hier is ook de Ambassade van de SMOM in Italië gevestigd (vreemd eigenlijk want het gebouw staat net als het Palazzo en de Villa, officieel niet in Italië).


De grote poort die toegang geeft tot een fraaie allee die door de tuinen naar de Villa leidt zit bijna altijd op slot. Als je door het sleutelgat kijkt zie je achter de Magistrale tuinen een stukje Italië met daarachter de koepel van de Sint Pieter in het Vaticaan.

Met een beetje goede wil zou je kunnen zeggen dat je hier drie landen in één oogopslag ziet.

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

 


 Voorjaar 1988

'‘Past u op voor reëen en herten, want die zitten daar volop’.


Hidden Valley Ranch;
 een privé gevangenis

 

Meneer T. F. Keohane Jr. legde het enthousiast en uitvoerig uit. Je neemt in San Francisco de uitvalsweg naar het zuiden richting Mateo County. 
      Je rijdt langs de kust via Pacifica en Half Moon Bay naar San Gregorio. Sla linksaf en ongeveer een kilometer voor het plaatsje La Honda ga je rechtsaf een onverharde weg op. 
      Na een paar honderd meter staat er een klein bordje met ‘Hidden Valley ranch’. Midden in het bos op een inderdaad verborgen plek. ‘Past u op voor reëen en herten, want die zitten daar volop’.

      Ik ben hier met Lida Iburg voor een radioprogramma van de VPRO. De Hidden Valley Ranch is een privé-gevangenis. In Nederland is -1988- een plan gepresenteerd om te gaan onderzoeken of het gevangeniswezen -deels- geprivatiseerd kan worden.    
      Nu zijn die plannen er weer. De VVD begon er mee, maar ook bij de P.v.d.A. en een paar andere partijen is het niet onbespreekbaar. Volgens voorzichtige ramingen zou er zo’n 200 tot 400 miljoen  mee bespaard kunnen worden.

     

Meneer T.F. Keohane Jr. ziet er uit zoals hij door de telefoon klonk. Fris, opgewekt, enthousiast. Sterke after-shave. Hij zal ons rondleiden en vertellen wat de voordelen van privatisering zijn. We kunnen met gedetineerden spreken en mogen een counseling meemaken.

‘U treft het’, zegt hij. ’Dat doen we één maal per week. Onder mijn leiding. Goede resultaten behalen we hier. Absoluut goede resultaten’.

      In de gevangenis zitten 112 gedetineerden. Vrijwel allemaal zijn het drugsverslaafden, die ‘gewone’ misdaden hebben gepleegd. Overvallen, inbraken, geweld.

      Ze hebben een cel voor zichzelf en kunnen in de inrichting simpele klusjes doen. Daarnaast hebben ze een enkelband om zodat de leiding voortdurend op de hoogte is waar ze zijn. (Dat bespaart personeel). Ze kunnen bovendien ieder moment te horen krijgen dat ze onverwacht gecontroleerd kunnen worden. Controles op bezit en gebruik van drugs. 
      Als ze eenmaal gepakt worden krijgen ze een waarschuwing; na een tweede keer worden ze onherroepelijk teruggestuurd naar een staatsgevangenis.

En dat laatste willen ze in geen geval. Ze gaan dan meestal naar de St. Quentin gevangenis bij San Francisco. En het kan wel dat Johnny Cash daar zijn bekende lied heeft opgenomen, maar de regel ‘St, Quentin I hate every inch of you’ gaat voor deze gevangenen echt op. In de Hidden Valley hebben ze een eigen cel en redelijke bewegingsvrijheid; in St. Quentin zitten ze met zes op cel, hebben ze weinig bewegingsvrijheid en er is hiërarchie, corruptie, uitbuiting, seksuele intimidatie en seksueel misbruik.

      Dat horen we van alle gevangenen die we spreken. Alles, echt alles liever dan terug te moeten keren naar St. Quentin of -als ze bijvoorbeeld HIV besmet zijn- naar de California Medical Facility in Vacaville, waar plaats is voor 4.730 inmates, maar waar er op dat moment 8.035 zitten.

     

Bij de counseling is het druk. Lida is een aantrekkelijke vrouw en dat heeft zich snel rondgepraat. Zo’n 60 gevangenen zitten in een cirkel rond een tafel waar mister Keohane -''Het is hier nog nooit zo druk geweest'-' heeft plaatsgenomen. Wij moeten er gewoon tussen zitten en dan wordt Frank naar voren geroepen. Een man van een jaar of vijftig, die zijn hele leven al crimineel is. Alles bij elkaar heeft hij ruim twintig jaar gevangen gezeten.

      Frank moet zijn verhaal vertellen, Hoe het allemaal zo gekomen is en wat hij eraan denkt te doen om een 'normaal' burger te worden. Frank kan dat goed. Hij heeft ’t kennelijk al vaker gedaan. Hij schetst een ontroerend beeld van zijn jeugd, compleet met een dronken vader, die er op los ramde, een moeder die de hoer speelde, een jeugd van miskenning, misbruik, armoede en ellende. Iedere keer probeerde Frank er bovenop te komen, maar altijd gebeurde er weer wat, zodat hij terugviel.

      Het is een clichéverhaal, dat aanslaat vanwege de manier waarop hij het vertelt. Gedragen met beheerste pathos, stemverheffing hier en daar en soms bijna een traan.

      Als hij klaar is moeten alle inmates hun indruk geven. Eerst de negatieve indrukken, dan de positieve. Lida en ik moeten ook meedoen. Dat vinden de gevangenen prachtig. Als ik zeg dat hij een geboren loser lijkt, volgt er een beleefd applaus, maar als Lida ferm te kennen geeft dat zij hem ’een push’ wil geven -onderstreept met een vuist naar boven- , volgt hard instemmend gebrul.

      Na afloop als we weer terugrijden naar San Francisco bespreken we natuurlijk ons bezoek. Nederland is ver weg. 
        Bovendien is de situatie in de V.S. totaal niet te vergelijken met Nederland. 
En Teeven was in 1988 nog veel te jong.

 

 


(Eerder geplaatst 07-04-'13)

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr. Een Yank

 

 


Valletta, een prachtige hoofdstad


(Door Rolf Weijburg)

In de late middag verscheen Malta aan de horizon. De enorme koepel van de Carmelite Church stak als een baken overal bovenuit. Langzaam gleed de ferry Valletta’s Grand Harbour binnen. Indrukwekkende bastions en hoge fortificaties schoven voorbij. Met erkers behangen huizen, kerktorens en -koepels en grote monumentale gebouwen staken boven de muren uit.
      Hier en daar kon je, terwijl we langzaam landinwaarts voeren, vanaf het bovenste dek de nauwe rechte straten van Valletta in kijken. Aan de oostkant staken drie lange landtongen, volgebouwd met huizen allemaal in dezelfde gelige kleur, als vingers het water in. The Three Cities. Er tussenin havens met grote zeeschepen. Kranen en nog meer kerken. Het was een indrukwekkend gezicht.

Niets mooiers dan in Malta aankomen per schip.

De ferry legde aan. Vrachtwagens en personenauto’s startten hun motoren. De meeste hadden Maltezer kentekens. Het schip zat aardig vol, maar in Italië, of in heel Europa for that matter, had ik nog nooit een Maltezer auto zien rijden. De wagens hobbelden de laadklep af en reden aan de linker kant van de weg langs de hoge gelige verdedigingsmuren naar huis.

Ik liep de boot af, Malta in.

STEMPEL

      In het douanekantoor kreeg ik een stempel met de poëtische vermelding “By Sea” in mijn paspoort.

      Gezien mijn onverwachte investering in Schotse stof in Catania, moest ik op Malta een zo goedkoop mogelijke overnachtingplaats vinden. Ik liep het douanekantoor uit en zag een eindje verderop een jongeman op een muurtje zitten. Ik sprak hem aan, legde hem min of meer mijn financiële situatie uit en vroeg of hij niet een super goedkope overnachtingplaats voor me wist.
      Hij nam me van top tot teen op.
”Ben je helemaal alleen op Malta? Helemaal uit Nederland en zonder geld?”
      Zijn blik verraadde een mengeling van afgunst, ongeloof en medelijden. Hij stelde zich voor als Marco Attard.

Ik vertelde hem over mijn reis, mijn fascinatie voor Malta en mijn avonturen op Catania.
      ”Why don’t you stay in my parent’s house?”, zei hij zonder aarzelen toen ik was uitverteld. “The Vincent House is het vakantiehuisje van mijn ouders. Keukentje, huiskamer, slaapkamer, zelfs een televisie. Aan de kust in Bugibba, een klein dorpje niet ver van Valletta. Uitzicht op St.Paul’s Island”

Hij had het zeker niet goed begrepen. Ik bedoelde meer een jeugdherberg of zo, iets wat echt heel goedkoop was. Gedeelde kamers geen probleem. Als het maar een dak en wat muren had.
      Maar natúúrlijk had het huisje van zijn ouders muren en een dak. Wat dacht ik wel? Bovendien kon ik er mijn eigen maaltijden koken en niks gedeelde kamers.
      ”It’s for you alone, and it’s for free! Ik moet alleen even de sleutels gaan halen.”

The Vincent House was een comfortabel onderkomen. Niet groot, maar van alle gemakken voorzien. Marco kwam ‘s avonds langs met flessen drank uit de reserves van zijn ouders, en nam zelfs enkele keren complete maaltijden voor me mee, door zijn moeder liefdevol op Maltezer wijze geprepareerd en stiekem het ouderlijk huis uit gesmokkeld. Zijn ouders mochten immers van mijn verblijf in het huisje niks weten.
      Overdag, als Marco naar school was, was ik toerist. Ik bezocht het prachtige Valletta natuurlijk, maar ook Mdina, Marsaxlokk, Birzebbuga en Zebbug. Ik ging naar Mosta en Naxxar en naar de cliffs of Dingli,
      Maar echt eenvoudig gaan de dingen nooit.

Direct na aankomst had ik op Malta bij de scheepvaartmaatschappij mijn terugvaart gereserveerd en bij die gelegenheid had ik mijn nieuwe adres in Bugibba achtergelaten. Gelukkig maar, want na een paar dagen kreeg ik van een in zwart leer geklede motorkoerier een telegram van de scheepvaartmaatschappij. De ferry naar Catania moest acuut in reparatie en zou pas over een week weer in de vaart worden genomen.

           

Ik had niet genoeg geld over om daar op te kunnen wachten en kreeg op het scheepvaartkantoor mijn geld voor de terugreis terug.

In de Times of Malta vond ik onder het kopje “Shipping News” een aantal schepen dat in de havens van Valletta lag en naar Italië zou vertrekken. Een middag lopen langs hoge scheepsrompen leverde in eerste instantie weinig meer op dan argwanende blikken en stellige afwijzingen maar uiteindelijk bij het onder Britse vlag varende containerschip Endeavor II, had ik beet.
      De kapitein was allervriendelijkst, ik kon zelfs gratis mee mits ik er geen bezwaar tegen zou hebben om een hut met een andere “verstekeling”, een jonge gevluchte Libische leraar, te delen. ’s Avonds, toen we op volle zee waren, nodigde hij ons uit voor een glaasje whisky in zijn eigen verblijf. Glunderend leunde hij achterover, keek ons aan, hief het glas en sprak de legendarische woorden:

“Ah, cosmopolitan lot as we are!”

Het Bruine Koffertje (Vervolg)

We voeren naar Reggio Calabria, op het puntje van de laars en zo’n 120 kilometer ten noorden van Catania. De verleiding was groot om maar direct door te treinen naar Nederland, maar ik ging terug naar Catania waar het Bruine Koffertje nog geduldig op me stond te wachten.
      Van de pensionbaas kreeg ik een kamertje zonder ramen en buiten zag ik alleen maar auto’s met Gianni, de Maltezer of allebei samen, langs rijden. Ik werd door ze achtervolgd op grijze Vespa’s en ze zaten me op alle terrassen te bespieden vanachter hun Corriere della Sera’s. Ik was er zeker van dat ze het Bruine Koffertje terug wilden. Maar dat ging zo maar niet!

‘s Avonds barricadeerde ik mijn kamerdeur en de volgende dag heel vroeg sloop ik naar het station en nam de allereerste Rapido naar Messina.

In Messina had ik een paar uurtjes vóór dat de trein naar Rome zou vertrekken en ik probeerde mijn kostbare Schotse schat te verkopen aan kleermakers die handig allemaal bij elkaar in een paar straatjes hun nering hadden. Niemand wilde de stof, niemand wilde er ook maar iets mee te maken hebben en uiteindelijk, na de laatste kleermaker aan het eind van de laatste straat, haalde ik de stof uit het Bruine Koffertje en smeet de rol van de rotsen naar beneden, de zee in. Het lege koffertje nam ik mee naar huis.

    

Ik ben nooit meer in Catania terug geweest.
      Maar wél op Malta.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh