Poëzie (216)

 

Spelletjes & liefdeslesjes


Dit is de Spaanse dichter Almudena Guzmán. (Madrid 1964).

      Zij kijkt op deze foto een beetje ondeugend. Tevreden ook.
Alsof ze het aftelspelletje in dit gedicht inderdaad naar haar hand heeft gezet.


Spelletje met de plavuizen

Als ik er drie haal loop ik langs zijn huis,
als dat niet lukt blijf ik in het mijne.

De laatste metro is al weg en ik ben snipverkouden,
maar ik doe de kast open om mijn mooiste trui te pakken.
Wie weet kom ik hem wel tegen
                               in het trapportaal wachtend op me……..

Spelletje met de plavuizen.
Omdat ik er geen drie gehaald heb maar vier,
speel ik vals.


Het gedicht komt uit de bundel Usted. (Jullie).
      In het Nederlands opgenomen in de bundel ‘’Ik heb tien benen’’ (De Geus). Vertaald door Dini Zanders,

Nog één:

 

Nu

nu de auto’s achter ons jaloers toeteren
omdat we niet ophouden elkaar te kussen op het kruispunt,
nu ben ik echt bang voor u
en ik vraag me af of het niet beter zou zijn
-je bent nog op tijd-
uit uw ogen te vluchten zoals je vlucht uit een verkeersopstopping
want u maakt me gek,
en we zullen vervallen in hetzelfde oude liedje,
en misschien wilde ik niet dat dit wat nu gebeurt
ooit zou zijn gebeurd.

 


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

God wat is dit land verlaten

Chris Engels (1907-1980) was een multitalent. Hij was arts, schilder en maakte gedichten onder het pseudoniem Luc Tournier.
      Het beviel hem niet in Nederland. Dat uitte zich ondermeer in dit gedicht, dat hij in 1933 schreef.

Kwatrijn

God wat is dit land verlaten.
Honden janken in de straten.
Konkelaars en middelmaten
heten staten-generaal.

Maar anders dan de boze medemens van nu, trok hij consequenties uit zijn gevoel.
     
Hij vertrok uit Nederland, nadat hij deze oneliner had gelanceerd:
‘’De koloniën lijden aan randangst, het moederland aan centrumwaan’’.

In 1936 vestigde hij zich in Curaçao, waar hij een artsenpraktijk opzette.
      Aan het begin van de tweede wereldoorlog begon hij het literaire blad De Stoep, waarin niet alleen plaats was voor Nederlandse schrijvers en dichters, maar ook voor auteurs uit het Caribisch gebied. Hij gaf dit blad uit in eigen beheer.
      Directe aanleiding was het -achteraf- valse bericht dat Ter Braak, Du Perron en Marsman waren gefusilleerd.

Om zijn ‘’gespletenheid'' te illustreren schreef hij bijvoorbeeld:

tussen het klooster

aan de maas

en de veranda in de tropen

- zij is dood -

zijn god en ik

cirkelend aan 't lopen.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

De Nieuwe Toren van Kampen

Het carillon van Ida Gerhardt is één van de bekendste gedichten uit de Tweede Wereldoorlog. Geschreven in ‘’Oorlogsjaar 1941’’.
      Voor het eerst gepubliceerd in De Gids en in 1945 opgenomen in de bundel Het Veerhuis.
Het speelt zich af in Kampen, waar Ida Gerhardt destijds lerares klassieke talen was op een plaatselijk lyceum.
      In de Nieuwe Toren hangt het carillon.
Er worden anno 2016 nog regelmatig concerten gegeven door beiaardiers uit de hele wereld.

Met Valerius bedoelt zij Adriaen Valerius (1575-1625), tekstdichter en componist; ondermeer van Oud-Nederlandsche liederen uit den Nederlantsche gedenck-clanck


Van Ida Gerhardt

Het carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht,-
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: -een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen
‘’Wij slaan het oog tot U omhoog”.

En één tussen de naamloos velen
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad-
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie


Een vermoeden van zelfmoord

In de winter van 1998 pleegde mijn vriend Hans zelfmoord. ‘’Eindelijk vrij!!’’.
      Hij had het goed voorbereid.

Een paar weken daarvoor hadden wij van hem een dichtbundel cadeau gekregen.

      ‘’Ik heb tien benen’’. (Uitgeverij De Geus).
     
Een verzameling gedichten van 34 vrouwelijke dichters uit 24 landen.

Hij las toen bij ons thuis dit gedicht voor, dat hem bijzonder had aangesproken.
      Ik heb dat op mijn beurt bij zijn begrafenis voorgelezen.  
     
Het gaat zo:

 

Van Birgitta Boucht
Wij bewegen ons niet in onbewoonde streken
En onbevolkte tijd

Wij trekken ons door de geschiedenis
die door mensen is gevuld.
Vandaar alle problemen.
Alle behoeften
aan liederen en sprookjes, sagen, gedichten,
Mythen, zeden, ritualen,
gemeenschappelijke woorden.
Weet je, mijn kind,
dat de geest in de fles
lang geleden
Uit zijn omhulling is gesprongen?
Hij is hier, in ons.

Vertaling:
Willem Sinninghe Damsté

Birgitta Boucht werd in 1940 geboren in Helsinki Finland. Of in haar geval wellicht beter Helsingfors.

      Zij behoort namelijk tot de Zweeds sprekende minderheid in Finland. 
Zij schrijft in een taal, die Finland-Zweeds wordt genoemd.   

 

 

 

De Brent Bridge te Londen

Welk vreemd land bedoelt P.N. van Eyck in dit weemoedig gedicht? In Cincinnati USA is de Brent Spence Bridge over de Ohio. Maar die kan het niet zijn. Van Eyck leefde van 1887 tot 1954 en die brug werd pas in 1963 geopend.
      We moeten het dichter bij huis zoeken. Van Eyck was tussen 1920 en 1935 correspondent voor de NRC in Londen. En daar in het noordwesten van die stad bevindt zich de Brent River; 29 kilometer lang met behoorlijk wat bruggen. Maar geen van die bruggen heeft -voor zover ik heb kunnen nagaan- de naam Brent Bridge.
     
Lees eerst het gedicht voordat we verder gaan speculeren


Brent bridge

Van P.N. van Eyck

Een vreemd man, in een vreemd land
En vaak is er niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van zwanen, dicht bij de rand
Gras voor de bank waar hij zit,
En straks aan de overkant

Een man die even leest,
Het stil begin van een lied
Dan omkijkt en om zich ziet
En iets in hem denkt, bedeesd:
Hoe vreemd, nog ken ik het niet,
En toch is het altijd geweest.

Vreemd, in dit vreemde land
Alleen, met niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van een zwaan die talmt bij de kant,
Dicht langs de bank waar ik zit
Wat avond-zon op mijn hand.


Een rustige brug

 We moeten het volgens mij zoeken bij een rustige niet te grote brug. Vooral geen brug waar verkeer overheen raast.
      Ik heb er een paar gevonden, die model zouden kunnen staan voor een plek, waar je -zittend op een bankje- het eenzame leven doorneemt..

De Brent mondt bij Brentford uit in de Theems. Vlak voor dat punt bevindt zich deze brug, die Clithero’s Lock heet.
      Met wat fantasie kun je in het witte afval aan de kant zwanen zien.
En we zien een man die omkijkt.


Clithero’s Lock

   

 

Brent Lodge bridge

  

Deze voetgangersbrug verbindt het Brent Lodge Park met een golfbaan in de stad. Midden op de voorgrond zien we twee witte lotusbloemen, die ook zwanen zouden kunnen zijn.

Na zijn tijd in Londen werd Van Eyck hoogleraar Nederlandse Taal & Letterkunde aan de Universiteit van Leiden. Hij volgde daar Albert Verweij op. Het gedicht komt uit de bundel Herwaarts (1949) opgedragen aan zijn zoon Aldo, de architect. Daarvoor had hij al de Constantijn Huygensprijs ontvangen voor zijn gehele oeuvre.
      Was hij een vreemd man? Ach. Hij heette gewoon Van Eik, maar liet dat veranderen in Van Eyck.
Je zou dat een beetje snobbish kunnen noemen.
      Mijn opa had dat ook. Hij heette gewoon Glas, maar schreef nogal eens Glass. En toen moest Philip Glass nog geboren worden.

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje