Poëzie (220)

 

Gedichten als dunne bomen

Van Jan Arends

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen

Wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

Misschien
is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

Uit: Lunchpauzegedichten (1974)

1. Remco Campert: Dichten is een daad
2. Gerrit Komrij: De dichter
3. A van Collem: Als ge me leest, dan moet ge mededichten

4. Rutger Kopland: Lijsterbessen 
5. Sybren Polet: De dichter als dokter
6. R,J,Resink: Versklaar
7. Jan Arends: Gedichten als dunne bomen

 

 

Van Albert Verwey

De grote hond en de kleine kat

Een grote hond en een kleine kat
Die zaten op de kamermat:
En de hond, die zei: Zeg, scheelt jou wat?
Scheer je weg!

En de kat, die zei: Jij bent een hond,
En ik een kat, niet zonder grond:
Hou jij dus nou jouw groten mond:
Scheer je weg!

Scheer je weg: waf, waf! Scheer je weg: sis, sis-
Scheer je weg: die is raak! Scheer je weg: die’s nie mis!
Waf waf! Sis sis! Woef woef! Mauw mauw!
En een houw en een beet en een blaf en een grauw:
En de grote hond en de kleine kat,
Die vlogen van de kamermat,
En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat?

En hij trapte op een teen,
En zij beet in een been
Van de meid, die riep: ga je heen! O mijn been!
Scheert je weg!

En de grote hond en de kleine kat,
Die zaten weer samen op de kamermat.
En ze lachten en praatten: och hemeltje, wat
Trapte ik op haar teen!
En beet ik in haar been!
’t Is gek, maar zo’n mens krijgt ook altijd wat!

 

 

Ballade van de ter dood veroordeelden

  


Dit gedenkraam werd in 1947 geplaatst in de Sint Jan’s kerk in Gouda. Het is het zogenaamde Bevrijdingsglas, ter herinnering aan bezetting en bevrijding, naar een ontwerp van Charles Eyck.
      In het midden Nederlandse vlaggen die weer vrij in de wind wapperen. Maar omlijst door ondermeer vliegtuigen in duikvlucht, afgebrande kerktorens, ruïnes en vernielde gebouwen, uitgehongerde mensen in vernietigingskampen en een Duitse soldaat die een document laat zien met daarop ‘’Befehl’’.
     
Maar mij gaat het in dit geval vooral om de regels onderaan het paneel.
Daar staat:
Gedenken hen die, toen het land verslagen
en machtloos scheen,
de vaan der vrijheid hoog hebben gedragen,
door alles heen
   

Het is een strofe uit een gedicht van Yge Foppema (1901-1993). Het heet Ongenoemde Doden met als ondertitel 13 maart 1941. Dit heeft betrekking op de eerste massaexecutie in Nederland, waar op de Waalsdorper vlakte achttien mensen werden geëxecuteerd door een Duits vuurpeloton. Het was ’t eerste gedicht dat Foppema in zijn leven schreef. Het gaat zo:

Van Yge Foppema

Ongenoemde doden
13 maart 1941

Zij traden aan bij ’t eerste morgenklaren,
zonder een woord.
Zo hebben hen de knechten der barbaren
haastig vermoord:

achttien der onzen, zwijgend aangetreden
op ’t laatst bevel.
Het salvo viel. Hun strijd was uitgestreden.
God hield appėl.

Geen krans, geen vlag dekte de smalle baren,
Geen doodsbericht
verkondt den volke wie de achttien waren
van dit gericht.

Het licht glijdt aan over de lage landen
van wad tot ven,
en wij, gebukt onder het juk der schande,
gedenken hen.

Gedenken hen die, toen het land verslagen
en machtloos scheen
de vaan der vrijheid hoog hebben gedragen,
door alles heen,

die ’t fiere wachtwoord hebben doorgegeven
van mond tot mond:
dat eens de tirannie zal zijn verdreven
die ’t hert doorwondt.

Iedere morgen, als de zon komt rijzen
op Hollands wei,
en elke avond als het licht gaat grijzen,
gedenken wij.

Maar ’t licht in onze ogen wordt niet doffer,
noch zwak de hand,
wanneer wij denken aan hun bloedig offer
voor ’t vaderland.

Tegen de tirannie di zij bestreden,
vechten ook wij.
Naar ’t ene doel richten zich onze schreden.
Wij zweren trouw de leus die zij beleden:
Nederland vrij!

Na dit debuut bleef Yge Foppema verzetspoëzie schrijven. Hij werd opgepakt en kwam terecht in de strafgevangenis van Scheveningen, die eufemistisch Oranjehotel werd genoemd. Hij zat daar in cel 595 samen met de Haarlemmer Jan Verhagen. Hij schreef in 1943 na een lang nachtelijk gesprek met zijn celgenoot zijn beroemdste gedicht: Ballade van de ter dood veroordeelden. Het werk is opgedragen aan Jan Verhagen, die beschreven wordt In de tweede strofe .

Van Yge Foppema

Ballade van de ter dood veroordeelden

‘’God help mijn vrouw en kinderen. Ik kom wel terecht’’.
Opschrift, haastig met potlood gekrabbeld op de binnenkant van een celdeur in het Haagse Binnenhof.

Voor Jan

Een zware hand legde zich op zijn schouder
en onderbrak zijn dagelijkse gang.
Heel even ging zijn adem wat benauwder,
toen ging hij rustig mee. Hij was niet bang.
Dat dit eens komen moest , wist hij lang.
Wie die de strijd aanbindt, schuwt de gevaren?
Menig soldaat sterft in zijn jonge jaren,
maar het land riep en hij volgde die drang.
Op ’t Binnenhof heeft hij heel zacht gezegd:
Heer, help de mijnen! Ik kom wel terecht.

Er zat een jonge man in Scheveningen,
die had gesaboteerd en opgeruid,
wapens gesmokkeld en nog andre dingen,
tot hij verraden werd. Toen was het uit.
een paar cellen verder zat zijn bruid.
Zij waren altijd in elkaars gedachten,
ze wisten beiden wat hun stond te wachten:
een vonnis, en zes kogels tot besluit.
Iedere avond hebben zij gezegd:
Heer, help de ander! Ik kom wel terecht.

En in de cel daarnaast een jonge jongen
die steeds de vreugde van zijn ouders was.
Toen hij thuis was, had hij altijd gezongen,
zijn ogen waren klaar als helder glas.
Hij nam zijn leven toen hij nog maar pas
begon en lei het in de schaal der vrijheid.
Hij offerde het met dezelfde blijheid
waarmee hij door zijn jeugd gedarteld was.
Steeds heeft hij dit gebed door God gelegd:
Heer, help mijn ouders! Ik kom wel terecht.

Allen, allen: de man met grijze haren
die elke avond psalmzingt in zijn cel,
de jeugdigen, en die op rijper jaren
gehoorzamen het innerlijk bevel,
Zij stonden op hun post en wisten wel:
wij zijn gering in aantal, weinig krachtig,
de vijand is barbaars en overmachtig
en als hij toeslaat, treft zijn wraak ons fel
en het vergaat ons en de onzen slecht….
God sta hen bij! Wij komen wel terecht.

Prinsesse van Oranje, hoog verheven,
die het symbool van ons verlangen zijt,
wij weten wel: dit kost ons straks het leven,
wij zien het licht nog mar een korte tijd.
Maar als wij aanstonds vallen in de strijd
en eenzaam sterven op de hei in Haaren,
dan willen wij een laatste zucht bewaren
voor dit gebed op weg naar de eeuwigheid:
Heer, Uw soldaat, die sneuvelt in ’t gevecht,
smeekt U: Help Holland! Ik kom wel terecht.

(Haaren was een executieplaats bij Vught)

Volgens de dbnl, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren, is de tekst van dit gedicht in de tweede wereldoorlog enigszins verminkt. De zevende regel in de tweede strofe: ‘’ze wisten beiden wat hun stond te wachten’’ zou moeten zijn : ’’terwijl zij samen op het einde wachtten’’.
     
Hoe betrouwbaar dit is weet ik niet, want de dbnl meldt ten onrechte dat de tekst op het Bevrijdingsraam in Gouda uit de Ballade van de ter dood veroordeelden komt. En dat het ook hier zou gaan om een verminkte tekst. En aangezien de dbnl een instituut is met een keurige reputatie hebben veel andere instanties en bloggers dit overgenomen.
     
Ik zou dat waarschijnlijk ook gedaan hebben als ik niet zelf naar die kerk in Gouda was gegaan om een foto te maken.

 

Dezelfde regels uit het gedicht Ongenoemde doden staan overigens ook op het verzetsmonument Rustenburg in Amersfoort.
      Yge Foppema bundelde zijn gedichten uit de oorlog in Spijkerschrift, mei 1940-mei 1945.
      Hij kreeg er de Verzetsprijs voor letterkundigen voor.
Na het eind van de oorlog heeft hij geen gedicht meer geschreven.


Klik HIER voor alle Zoekpoëzie

 

 

Wat is een Koning nog in dit land?


Van mijn oud VPRO-collega Theo Uittenbogaard ontving ik deze revolutionaire bewerking van De Dapperstraat van J.C.Bloem.


ZIJNE MANESCHIJN


Oranje is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is een Koning nog in dit land?

Een stukje tekst, een foto in een krant,

Een eiland met wat villaatjes ertegen.


Geef mij gauw een redelijker overwegen

Dan het vastgeklonken argument

Dat God en schijn het lot van deze vent

Bepalen. Vooralsnog ben ik daartegen.


Alles is teveel voor wie niet veel verwacht.

Zijn leven houdt zich wonderlijk verborgen

Tot het zich, opeens, toont in Zijne naakten staat.


Dit heb ik bij mijzelven overdacht:

"Fuck you!', op een miezerigen morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

Van J.C.Bloem


De Dapperstraat


Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.


Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.


Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 


Klik HIER voor alle bijdrages van Theo


 

 

De blinde krantenverkoper van Parijs

J.J.Slauerhoff was een ‘’leven lang’’ zeer gecharmeerd van het werk van Rainer Maria Rilke (Praag 1875) . Hij hield van zijn gedichten en las ze vooral in zijn laatste levensjaren heel intensief. In 1925 schreef Slauerhoff zijn gedicht De Krantenverkooper (Rue Dauphine) , duidelijk geïnspireerd door Rilkes enige roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge uit 1910.
     
Hierin treft hoofdpersoon en Rilkes alter ego Malte een blinde krantenverkoper in de Parijse Jardin du Luxembourg. Hij durft hem niet aan te spreken.
De krantenverkoper van Slauerhoff gaat door de Rue Dauphine, een drukke straat in het centrum van Parijs, die loopt van de Rue Mazarine naar Le Pont Neuf.

          


Van J.J. Slauerhoff

De krantenverkooper
(Rue Dauphine)

Als sterren, welker zon tot mist verging,
Een nauwe en reeds niet meer ronde baan
Tusschen der andre glansrijke onderling
Gesloten schittring blindlings begaan,

Doolde hij nog een tijdlang in de koude
Verlatenheid van oorsprongloos bestaan
Vervallend voort, te moe om op te houden.

Een eendre ronde nam hij steeds in acht:
Een park, drie straten en een boulevard.
Lang strekte de omloopstijd van ’s middags naar
De vage uren achter middernacht.

’n Stervende lichtstraal leek zijn roep: ‘’La Presse!”
Hij had nooit meer dan enkele voorradig.
De Heilige Maagd, een draaglijke maîtresse
Waren hem even ver en ongenadig.

’s Nachts werd zijn ‘’Troisième Ėdition’’
Weer iedren keer ontmoedigder volbracht;
De tusschenpoos steeds angstiger afgewacht,
Of hij de volgende verheffen kon;
Zoo zwaar, zoo zwaar, zoo zwaar bonsde zijn klacht
Tegen ’t bestaan van warmte, vreugde, zon.

God, dit zijn dus uw martlende vermaken!
Daarom zal ‘k zonder U mij wel vergeven
De enkele frivole woorden hier geschreven
Die van mijn dof gedicht de wil verzaken.

God, daaraan hebt Gij dus u welgevallen!
Geef mij de zonnen en de sterrenbeelden
Dan zal ik ze te pletter laten vallen
Volhoudende dat Gij ’t lichtzinnigst speelde

De grote Slauerhoff-kenner Kees Lekkerkerker vraagt zich in zijn voorwoord van de gedichtenbundel ‘’Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’’ af waar die God zo ineens vandaan komt.
     
Hij schijft: ‘’In welk gedicht van welke andere dichter wordt God uitgedaagd als in het vers over die Parijse krantenverkoper?”

Hieronder een passage van de ontmoeting tussen Malte en de blinde Zeitungsverkȁufer uit de roman van Rilke:

In meiner Feigheit, nicht hinzusehen, brachte ich es so weit, daß das Bild dieses Mannes sich schließlich oft auch ohne Anlaß stark und schmerzhaft in mir zusammenzog zu so hartem Elend (…) daß ich mich entschloß (…) sofort aufmerksam an ihm vorbeizugehen.

 

Klik HIER voor alle Zoekpoezie

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje