Poëzie (216)

 

De blinde krantenverkoper van Parijs

J.J.Slauerhoff was een ‘’leven lang’’ zeer gecharmeerd van het werk van Rainer Maria Rilke (Praag 1875) . Hij hield van zijn gedichten en las ze vooral in zijn laatste levensjaren heel intensief. In 1925 schreef Slauerhoff zijn gedicht De Krantenverkooper (Rue Dauphine) , duidelijk geïnspireerd door Rilkes enige roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge uit 1910.
     
Hierin treft hoofdpersoon en Rilkes alter ego Malte een blinde krantenverkoper in de Parijse Jardin du Luxembourg. Hij durft hem niet aan te spreken.
De krantenverkoper van Slauerhoff gaat door de Rue Dauphine, een drukke straat in het centrum van Parijs, die loopt van de Rue Mazarine naar Le Pont Neuf.

          


Van J.J. Slauerhoff

De krantenverkooper
(Rue Dauphine)

Als sterren, welker zon tot mist verging,
Een nauwe en reeds niet meer ronde baan
Tusschen der andre glansrijke onderling
Gesloten schittring blindlings begaan,

Doolde hij nog een tijdlang in de koude
Verlatenheid van oorsprongloos bestaan
Vervallend voort, te moe om op te houden.

Een eendre ronde nam hij steeds in acht:
Een park, drie straten en een boulevard.
Lang strekte de omloopstijd van ’s middags naar
De vage uren achter middernacht.

’n Stervende lichtstraal leek zijn roep: ‘’La Presse!”
Hij had nooit meer dan enkele voorradig.
De Heilige Maagd, een draaglijke maîtresse
Waren hem even ver en ongenadig.

’s Nachts werd zijn ‘’Troisième Ėdition’’
Weer iedren keer ontmoedigder volbracht;
De tusschenpoos steeds angstiger afgewacht,
Of hij de volgende verheffen kon;
Zoo zwaar, zoo zwaar, zoo zwaar bonsde zijn klacht
Tegen ’t bestaan van warmte, vreugde, zon.

God, dit zijn dus uw martlende vermaken!
Daarom zal ‘k zonder U mij wel vergeven
De enkele frivole woorden hier geschreven
Die van mijn dof gedicht de wil verzaken.

God, daaraan hebt Gij dus u welgevallen!
Geef mij de zonnen en de sterrenbeelden
Dan zal ik ze te pletter laten vallen
Volhoudende dat Gij ’t lichtzinnigst speelde

De grote Slauerhoff-kenner Kees Lekkerkerker vraagt zich in zijn voorwoord van de gedichtenbundel ‘’Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’’ af waar die God zo ineens vandaan komt.
     
Hij schijft: ‘’In welk gedicht van welke andere dichter wordt God uitgedaagd als in het vers over die Parijse krantenverkoper?”

Hieronder een passage van de ontmoeting tussen Malte en de blinde Zeitungsverkȁufer uit de roman van Rilke:

In meiner Feigheit, nicht hinzusehen, brachte ich es so weit, daß das Bild dieses Mannes sich schließlich oft auch ohne Anlaß stark und schmerzhaft in mir zusammenzog zu so hartem Elend (…) daß ich mich entschloß (…) sofort aufmerksam an ihm vorbeizugehen.

 

Klik HIER voor alle Zoekpoezie

 


De Vinger Gods

Dit is De vinger Gods. Gefotografeerd door scheepsarts-dichter J.J.Slauerhoff in 1930. Hij schreef er een gedicht over: Fernando de Noronha. Een archipel van 21 eilandjes in de Atlantische Oceaan, 340 kilometer uit de kust van Brazilië en geen duizend mijlen ver zoals Slauerhoff met dichterlijke vrijheid schrijft.
      Hij was er niet erg blij mee. Hij verlangde zelfs naar de Nederlandse wolken. Hij, die ooit de regels dichtte: ‘’In Nederland wil ik niet sterven en in de natte grond bederven’’.  
     
Hoe zou het er anno 2015 op Fernando de Noronho uitzien? Die vraag komt natuurlijk op als je het gedicht leest.

Van J.J.Slauerhoff

Fernando de Noronha

De vinger Gods –een steile, plompe rots-
Staat op ’t genaadloos strak azuur gericht.
De ballingen op deze bruine rots
Zijn ook gevangenen van zee en licht

Ontsnappingspogingen mislukken steeds
Het vasteland is duizend mijlen ver;
Wel zijn drie hunner, vroeger, zeilend er
Geland, maar als verdorste lijken reeds.

Nooit heb ik in de neevlen van het Noorden-
Die winters dempen weiden, slooten dicht
Waarin wanhopige boeren zich vermoorden
Door Godsdienst en Geweten streng gericht-

Bevroed dat er een land van zonneschijn
Waar ook de dorste rots bloei moet ontvangen
Zoo godvergeten desolaat kon zijn
Dat het naar ’t land der wolken doet verlangen.

Een eiland, wel voor eeuwig vastgelopen
In den staalblauwen harden hemelkring
Een ballingschap die niets meer heeft te hopen
Van een aardbeving of omwenteling.



Fernado de Noronha is het grootste eiland. Maar wat heet groot?: 18 vierkante kilometer. 4.000 inwoners, die tegenwoordig vrijwel allemaal leven van het eco-toerisme. Want het zijn paradijselijke eilanden met witte stranden; de zee is inderdaad azuurblauw en je schijnt er fantastisch te kunnen duiken.
      Het aantal toeristen blijft beperkt want er mogen er om de boel niet te verzieken niet meer dan 450 tegelijk zijn. Hoe serieus men zich daaraan houdt weet ik niet, want als je op Internet zoekt zie je een stuk of honderd hotels en andere overnachtingsmogelijkheden.
      Fernando de Noronha werd in het begin van de zestiende eeuw ontdekt door de Portugezen. Fransen, Engelsen en Spanjaarden zetten er ook hun sporen uit en vanaf 1635 was het een tijdje in handen van de Nederlandse West-Indische Compagnie.
      Maar de Portugezen kwamen terug, bouwden forten op het hoofdeiland en maakten er inderdaad een soort gevangenis van; een oord voor bannelingen. Dat zou het zo’n 200 jaar blijven. Om ontsnappingen te voorkomen werden alle bomen op dit subtropische eiland gekapt, zodat de gevangenen geen boten konden bouwen.Charles Darwin deed het eiland aan.
      In de tweede wereldoorlog werd het gebruikt als een Amerikaanse militaire basis. Vanaf 1988 is het toerisme op gang gekomen en Fernando de Noronha staat inmiddels ook op de lijst van Unesco werelderfgoederen.


Klik HIER voor alle Zoekpoezie

 

 

Van R.J.Resink

Versklaar

Als krabbesporen op het strand,
als vogeltrekken door de luchten,
als vissenkringen in het water,
als verse vonken van elk vuur
zo moeten ook gedichten zijn:
voortvluchtig in hun element.


1. Remco Campert: Dichten is een daad
2. Gerrit Komrij: De dichter
3. A van Collem: Als ge me leest, dan moet ge mededichten

4. Rutger Kopland: Lijsterbessen 
5. Sybren Polet: De dichter als dokter
6. R,J,Resink: Versklaar

 

 

Sjin Nam Po of Tsjennampo of Chin Nampo

Het werk Sjin Nam Po van J.J. Slauerhoff lijkt meer op een dagboekaantekening dan op een gedicht.
     
Ik vond het in een verzamelbundel. Het gaat zo:

Van J.J. Slauerhoff

Sjin Nam Po

Op een landtong staat de witte tank der Standard Oil,
Een dikke zwarte pier draag haar vuurtoren als een neushoorn
Daartussen de haven, waar jonken meren en sampans kruisen,
De Yaniga Maru van slechts 900 ton lost aan de lege kade
Vannacht vertrekt zij naar Chefu, een missionaris en zijn zoon als passagier.

Havenstad in het oosten

Waar ligt Sjin Nam Po? Dat moest een havenstad zijn in het verre oosten. China leek mij het meest voor de hand liggend.
     
Ik raadpleegde een aantal atlassen. Niets. Nada.
Ik zocht op Internet. Maar daar verscheen alleen het gedicht.
Hoewel…. Het gedicht bleek uit de bundel Oost-Azië (1928) te komen. Daar staat het onder het hoofdstuk Korea.
     
Ik zocht onder Korea in de vuistdikke Slauerhoff-biografie van Wim Hazeu.
Daar wordt de poëtische impressie opgevoerd en heet de havenstad Tsjennampo.
     
Ik raadpleegde opnieuw een aantal atlassen. Niets. Nada.


Noord-Korea


          

Ik zocht op Internet naar kaarten van Korea.
En jawel: We moeten zijn in het huidige Noord-Korea.
     
Daar ligt aan een baai de havenstad Nampo en daartegenover Chin Nampo. Zo’n 50 kilometer ten zuid-westen van de hoofdstad Pyongyang.

Vuurtoren

Een vuurtoren heb ik ook gevonden. Geen zwarte pier overigens en of dit lichthuis lijkt op een neushoorn moet u zelf maar uitmaken.
In de baai ligt overigens inmiddels een soort Deltadam, die de twee havensteden met elkaar verbindt. Dit is de Nampo-dam met daarin 34 sluizen; 8 kilometer lang. Geopend in 1986.
      Het lijkt veel op de Haringvlietdam. Ondermeer aangelegd om te voorkomen dat er zout water in de Taedang rivier komt. Kosten: 5 miljard US$. Gemiddeld inkomen van een Noord-Koreaan anno 2015: 47 US$ per maand.


Afsluitdam

Chefu of Cheju

De Yaniga Maru was overigens een Japanse kustvaarder. Chefu kon ik ook niet vinden. Ik denk dat het schip naar het eiland Cheju ging, ten zuiden van Zuid-Korea richting Japan

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Een fadozanger te Mozambique

Vlak voor zijn dood in oktober 1936 verscheen van J.J.Slauerhoff zijn gedicht Compagnie de Mozambique. Dat was in De Gemeenschap, een cultureel tijdschrift dat bestond tussen 1925 en 1941. In dit prachtige gedicht hekelt Slauerhoff niet alleen de activiteiten van deze Portugese VOC, maar hij besteedt hierin vooral aandacht aan de fadozanger António Menano. Befaamd en gezegend met een ‘’donkere befloersde stem’’ , waar alle vrouwen ‘’voor bezwijmen’’.
      Maar ook een opportunist die zich als arts min of meer uitleverde aan de Compagnie.

Voordat u het gedicht leest is het wellicht leuk om even te luisteren naar Menano (1895-1969).
HIER is zijn Passarinho Da Ribiera en HIER zijn O mundo dá tanta volta

Van J.J.Slauerhoff

Compagnie de Mozambique

Aan de Compagnie de Mozambique
Behoort Beira
En het land daarachter
En ook Manga
En de negers die daar werken
En de heesters in de perken,
Alles hier behoort
Aan de Compagnie de Mozambique

Ook de dieren die hier leven:
Niet alleen de kreupele ossen
Met hun tsetsevliegen,
Fladderende vogels en onzichtbare insecten
Eveneens

’t Wordt vervelend
Alles op te noemen,
Maar wat zal men anders doen
Als men zit te wachten
Op een bus (ook van de Compagnie)
Die niet komt,
Luisterend naar de karekiet
Die het midden houdt
Met zijn vreemd tweetonig lied
Tusschen nachtegaal en krekel!
(Hierop maakt de Compagnie de Mozambique
Geen aanspraak.)

Ook António Menano,
De befaamde fadozanger
Bij wiens donkere befloerste stem
Alle vrouwen weenen en bezwijmen:
Die al ’t leed van Portugal opbeurde,
Ook Manano
Hoort nu aan de Compagnie de Mozambique

Acht mijl verder
Werkt hij op een onderneming;
Rijk werd hij want ieder wou hem hooren,
Arm werd hij want hij moest spelen en verloor
En natuurlijk speculeerend in aandelen
Van de Compagnie de Mozambique

Nu is hij voor zeven jaar
Daar verbonden als plantagedokter,
Geeft injecties en beslist
Of een neger die zich heeft vergist
Sterk genoeg is voor de geeseling,
Want de reglementen zijn
Streng en toch humaan
Bij de Compagnie de Mozambique.

Brengen wij het losgeld niet bijeen,
Dat hij weer van droeve zaligheid kan zingen?
Neen.
Ook Menano dronk zich al lang schor
Aan de whisky die, hier ingevoerd
Voor verlaagd tarief,
Wordt verstrekt aan de employe’s
Van de Compagnie de Mozambique.

Zo’n gedicht is natuurlijk ook een soort fado. Dat gold overigens voor veel werk van Slauerhoff.
De Portugese dichteres Mila Vidal Paletti, die al heel lang in Nederland woont vertaalde een aantal gedichten voor fado-zangeres Cristina Branco.
      Luister HIER naar Os Solitáros
en HIER naar Vida Triste.
Dit inspireerde de Friese zangeres Nynke Laverman op haar beurt weer om gedichten van de FRIES Slauerhoff te vertalen en in die taal uit te voeren.
Luister  HIER naar haar uitvoering van Vida Triste. En HIER naar Foar die fiere prins

En ga naar REIZEN 29 voor mijn eigen bezoek aan Beira Mozambique.

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje