Poëzie (227)

 

Das Lied ist aus….

Willem van Iependaal (1891-1970) schreef in de jaren dertig van de vorige eeuw dit liefdesversje. Geïnspireerd door de titelsong van de beroemde Duitse liefdesfilm Das lied ist aus onder regie van Géza von Bolváry.
      Met die beroemde regel: Frag nicht warum ich gehe; Frag nicht warum.

Van Willem van Iependaal

Het lied is uit…

Ik zocht in riet en wilgenblad
Een schuil met jou, Marie,
Omdat jij last van sproeten had
En ik van poëzie

Ik zong van Maan en Wereldwee
Voor jou, mijn koningin
En jij sprak over H.V.V.
En ijsies van Jamin.

Ik noemde je mijn troeliefras,
Mijn snuitebout en snoes…
Jij veegde met mijn flodderdas
De kruimels van je bloes!

Jij trouwde met een makelaar,
Een sof, een bankroutier…
’t Verschoten lintje uit je haar
Treurt aan mijn stomme lier.

Ik koop nou shag van Dobbelman,
Die kost maar negen spie
En draai er saffiaantjes van:
Das Lied ist aus, Marie…

Veel liefdesverdriet lijkt Willem niet te hebben. Hij werd geboren in Rotterdam en Marie komt uit Den Haag, getuige haar liefde voor HVV, een Haagse voetbalclub die tussen 1891 en 1914 maar liefst tien maal kampioen van Nederland werd. En die ijsies van Jamin klinken ook al niet erg verliefd. Een spie was overigens een cent.

Een rustig straatje in Tuindorp-Vreewijk

Willem van Iependaal was het pseudoniem van Willem van der Kulk. Hij nam in 1915 dienst in het Britse leger, raakte verzeild in de Belgische loopgraven en keerde gedesillusioneerd terug als een overtuigd pacifist. Later kreeg hij grote bekendheid door zijn roman Polletje Piekhaar.
In 1932 ging hij terug naar Rotterdam en vestigde zich in Tuindorp-Vreewijk. Daar woonde hij in de Iependaal, dat tevens voor zijn pseudoniem diende. Ik ben er even gaan kijken. De Iependaal is een rustige, wat smalle straat met mooie hoge bomen. Geen iepen maar platanen.

    


Luister naar Das Lied ist aus…


Door Marlene Dietrich


Hildegard Knef


Richard Tauber


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie


 ©2016 Ronald van den Boogaard 

 

 

 

Amsterdam: Een Hergeboortestad

De stad in onderstaand gedicht is Amsterdam. Niet zijn geboortestad, maar zijn hergeboortestad.
     
Sybren Polet werd in 1924 in Kampen geboren en overleed in 2015 in Amsterdam. Daar ging hij in 1949 naartoe, nadat hij in de naoorlogse jaren in Zweden had gewoond en door Europa en Noord-Afrika had gereisd.
      Hij voelde zich direct thuis in Amsterdam en publiceerde in 1958 de dichtbundel Geboorte-Stad, waarvoor hij de Jan Campertprijs kreeg.


Van Sybren Polet


Proloog

De stad waar wij in huis zijn

is een gedenksteen vol leven
is een geboortestad.

Is een geboortestad van
wit gehoorsteen.

Ik ken de stad, zij is goed, zij is
welluidend van leven, ik ken haar

zij is goed, zij is
beminnelijk middeleeuws

van zien, van zien
kent zij geen kwaad,

geen goed geen kwaad, want
alle dingen staan er voor

andere dingen en alle dingen
zijn mij en mijn schaduw

even goed. Zijn mij en mijn schaduw even
wit. -Laat daar- en daarom alleen

uit mijn slaap die ene witte schaduw
opstaan en wankelend, lichtwiegend, wankelend

zijn eerste geteende schreden zetten
in het zichtbare, vandaag. Hier zit ik,

blind van slaap, ogen om in te keren
wanneer de dag voorbij is. En nu,

mijn vriend de Geest: tijd
voor je transformatie, tijd voor vlees!

Beide zijn nuttig voor de dichter,-
hoewel misschien een goede lichte

spirituele huid het meest.


Bewustzijnsstad

Op deze site over leven en werk van Sybren Polet, legt de dichter zelf uit wat Amsterdam voor hem betekende:

 Amsterdam was na enkele jaren voor mij een ingeleefde stad geworden, een stad die zichzelf steeds meer had ingevuld en die één van de weinige leefbare steden in Europa zou blijven. Stad waar ik mij thuis voelde en waar ik thuis hoorde: mijn geboortestad, met terugwerkende kracht, en ik werd met terugwerkende kracht een geboren-Amsterdammer. Behalve een aantrekkelijke culturele stad was Amsterdam ook een overzichtelijk-chaotische stad, één waarin je verloren kon gaan én jezelf zonder veel moeite kon hervinden, een soort hergeboortestad dus; je trof er je eigen projecties in aan in de vorm van bestaande & veelzeggende symbolen; praktisch alles kon als symbool dienen, al was het maar van zichzelf; en bijna automatisch werd alles tot symbool als je erover ging schrijven, zeker in de poëzie. En toen ik er eenmaal over begon te schrijven en mijn taalfiguren en hun activiteiten, plus mijzelf erin onderbracht, bleek dat ik me er volledig in kon uitleven, op een manier zoals mij nergens anders natuurlijk of denkbaar leek. Ik begon uitzinnig veel van die stad te houden en net als voor een hergeboortebaby werd de realiteit letterlijk en woordelijk een beetje van mij: bewustzijnsstad. Een stad waarin alles kon plaatsvinden, in heden en verleden, waarin zich alles dagelijks voor mijn verliefde ogen transformeerde, metamorfoseerde en waar alles in elkaar over gleed. Die stad kwam centraal te staan in bijna al mijn proza en in vrijwel alle langere poëziecycli.

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Belgische oplossing voor de zwarte toren

Van 1968 tot 1972 woonde ik in Roosendaal vlakbij de Belgisch-Nederlandse grens. Ik werkte toen bij het dagblad De Stem, dat ook verscheen in de Belgische grensplaatsen Essen & Kalmthout. Zo kwam ik nogal eens bij onze zuiderburen en verwonderde mij vrijwel voortdurend over de manier waarop de Belgen bepaalde problemen aanpakten. ‘’Belgische oplossingen’’ noemde ik dat. Een combinatie van onvermogen, losbandigheid en ideeënrijkdom, van waan en naijver, een steekpenninkje hier en daar, van administratieve creativiteit en een zekere flair om het zoveel mogelijk mensen een beetje naar de zin te maken.
  

Kijk even naar deze foto. We zien hier De Zwarte Toren in Brussel. Het eerste beschermde stadsmonument. De toren stamt uit de twaalfde eeuw en was onderdeel van de eerste Brusselse stadsomwalling. De toren werd eind negentiende eeuw gerestaureerd en was sinds die tijd een toeristische attractie.
      Tot er daar aan het Sint Kathelijneplein een plan werd gemaakt voor de vestiging van een Novotel. De toren moest worden afgebroken, maar daar kwamen mensen tegen in verzet. Uiteindelijk kwam er zo’n Belgische oplossing. Het hotel werd om de toren heen gebouwd.
     
Deze zwarte toren komt prominent naar voren in het volgende larmoyante gedicht van Prosper van Langendonck (1862-1920; Brussel), geschreven in 1893.

Mijn hart klopt hoorbaar…

Mijn hart klopt hoorbaar in den zwarten toren
boven de straten en haar dof gerucht,
en ’t hijgt in zwenkende en geknotte vlucht
en klaagt in klamme duisternis verloren…

Mijn harte weeklaagt in den zwarten toren,
al zijne smarten in de jammerlucht
uitwenend in een langen stervenszucht,
en weer tot nieuwe jammerklacht herboren.

Hoor! ’t Is mijn hart, dat ze te morzel trekken,
dat, afgebeuld van ’t pijnlijk vezeltrekken,
in d’’eeuwgen nood der aarde om deernis schreit,

En boven hen, die ’t martlen, hoog verheven,

hoog boven mensenlust en vreugdeleven,

zijn zwaren rouwmoed langs de steden spreidt.

Als je dit leest kan je vermoeden dat het met Prosper niet goed zou aflopen. Hij was schizofreen en dat uitte zich in depressies en zwerfdwang. Hij werd krankzinnig verklaard en stierf in het hospitaal. Te morzel trekken betekent vermorzelen en met vezeltrekken bedoelt hij volgens mij ‘’tot in elke vezel gespannen’’.
      Er zou maar één dichtbundel van hem verschijnen: Verzen in 1900.



Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

De grote poëet Mohammed Ali


Ik vond dit boekje. Juli 1976. Gestencilde velletjes samengebonden met een nietje. Een bundeltje poëzie uitgegeven in Dordrecht. Te koop voor twee gulden.

Is het leuk?

Ja.

Heel leuk!.

De mooiste bijdrage is van Sybren Polet, die voor deze gelegenheid geen eigen poëzie levert, maar een vermakelijke bijdrage schrijft over de grote dichter Mohammed Ali, pseudoniem voor Cassius Clay.

Clay, de grootste bokser aller tijden en in de VS uitgeroepen tot sportman van de twintigste eeuw, stuurde namelijk vanaf het moment dat hij in 1960 Olympisch kampioen werd zijn voorspellingen in versmaat de wereld in.

Zijn grootste klassieker: 
      ‘They all must fall in the round I call’.

Op 15 november 1962 bereikt Cassius Clay zijn hoogtepunt als poëet, wanneer hij in Los Angeles moet boksen tegen de wereldkampioen Archie Moore.

Clay -hij heette toen nog niet Mohammed Ali- kondigt zijn komende overwinning aan in het volgende gedicht:

      ‘When you come home to the fight , don’t block the aisle and don’t block the door.

       You will all go home after round four’’.

En zijn voorspelling kwam uit.

      Moore gaat neer in de vierde ronde.

Kijk maar naar dit filmpje:
     
Als u haast heeft of ongeduldig wordt ga dan naar 08’16’’.
Daar begint ronde vier.


Poëzie en zelfvertrouwen

Poëzie en zelfvertrouwen heet de bijdrage van Sybren Polet.

Hij schrijft dit:
(Let op de spelling in die dagen)

 

          

 

 

 

Over Alcest & een Zangberg

Een jaar of veertig geleden las ik het puntdicht voor ’t eerst. Toen keek ik er over heen, want ik las zandberg. Tien jaar later dacht ik dat ’t een drukfout was en meende ik nog steeds dat het zandberg moest zijn.
     
Inmiddels weet ik beter.
Lees eerst het puntdicht:


Van A.C.W. Staring


Aan een' navolger

Alcest, wilt gij den Zangberg op?
Zo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.

1789


Er staat inderdaad Zangberg. Dat is de bijnaam voor de Helikon, een berg in Griekenland waar volgens de mythologie de muzen woonden. Op de berg ontspringt een bron waaruit in de Griekse oudheid de inspiratie rijkelijk vloeide.
      Staring wijst dus op originaliteit en verfoeit navolgers en plagiaatplegers. Hij doet dat met ‘’rijd’’ in de gebiedende wijs.
Dit werpt vervolgens de vraag op: wie is Alcest?
     
Welaan: Alcest (Alcestis) is een vrouw uit de Griekse mythologie, een klassiek voorbeeld van liefde en huwelijkstrouw. Alcest komt diverse malen voor in het werk van Staring’s tijdgenoot Willem Bilderdijk. Een door Staring bewonderd dichter. Maar ook iemand die hij van plagiaat beschuldigde.

Later bleek Staring op zijn beurt plagiaat gepleegd te hebben, toen duidelijk werd dat ''zijn'' beroemde Oogstlied een soort vrije bewerking was van het Erntelied van Ludwig Hölty (1748-1776).

Vergelijk maar even de beginregels:

Sicheln schallen,

Ähren fallen

Unter Sichelschall;

Auf den Mädchenhüten

Zittern blaue Blüten,

Freud' ist überall.

 

Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruischend valt het graan
Zie de bindster gaaren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje