Joop den Uyl en zijn ceder

In april 1977 werd ik door de afdeling Oud-Beijerland van de P.v.d.A. tot afgevaardigde gekozen voor het partijcongres dat in diezelfde maand werd gehouden. Het was een beladen bijeenkomst.
      Het kabinet Den Uyl, dat in 1973 kon aantreden dankzij een paar dissidenten van de KVP en de ARP, had moeilijke tijden beleefd. De oliecrisis, een treinkaping, de Lockheed-affaire om maar wat te noemen. Er waren ook positieve punten. De AOW was verhoogd en er was een minimum-jeugdloon ingevoerd.    
      Maar nog voor het congres viel het kabinet, omdat de dissidenten onder leiding van Van Agt eruit stapten.
Op 25 mei zouden er nieuwe verkiezingen komen. Joop den Uyl hield aan het slot van het congres een fenomenale toespraak, waar hij een staande ovatie voor kreeg.  Hij eindigde met het gedicht De Ceder van Han G. Hoekstra (1906-1988).
En .....hij debiteerde uit zijn hoofd. 

      
DE CEDER

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats, meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

Het ideaal

Een ceder is een statige naaldboom, die 40 tot 50 meter hoog kan worden. De symboliek van het gedicht wordt hiermee duidelijk. Een mens moet zijn idealen nastreven en kan zelfs een mooie boom planten op een kleine binnenplaats, die vol ligt met rotzooi. En als een ander zegt dat ’t niet kan, blijf je er zelf gewoon in geloven.

Het gedicht is uit 1946 en komt uit de bundel Panopticum.
      Han G. Hoekstra was niet alleen dichter; hij was journalist bij Het Parool. Joop den Uyl was dat ook geweest, dus ze kenden elkaar goed.

De verkiezingen verliepen zeer voorspoedig voor de P.v.d.A. De partij behaalde een ongekende winst en groeide uit naar 53 zetels. De coalitiebesprekingen verliepen daarna heel moeizaam. Er volgde in oktober een nieuw congres, waar diverse partijleden -de ''Reckmannen''- vrijwel onhaalbare wensen naar voren brachten. Maar die arrogantie van vermeende macht werd gestraft nadat Van Agt en Wiegel een pact sloten, waarbij Den Uyl aan de kant werd gezet.
       Ook bij dit congres was ik aanwezig. Dit keer als eindredacteur van het VPRO-radioprogramma Embargo. De toespraak van Den Uyl was minder bevlogen. Hij was door het gedram van zijn eigen achterban en het gezeik van Van Agt kennelijk enigszins murw gebeukt. 

De ceder moest nodig water hebben.  

Het gedicht is ook opgenomen in de route van Muurgedichten te Leiden. Aan de Oude Vest.
Dat ziet er dan zo uit:

 

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie