Poëzie

 

De dichter (half vier)

 
Dit schilderij van Marc Chagall heet De Dichter (half vier).
     
Het is olieverf op linnen, gemaakt in 1911 in Parijs.
Het is één van zijn bekendste werken uit zijn jonge jaren.

 

 

Hoofd op hol

De dichter zit eenzaam aan een cafétafeltje, een kop koffie in de hand.
      Zijn hoofd is op hol gebracht en zoekt inspiratie; het gedicht ligt op zijn knie, op het tafeltje een appeltje voor de dorst en de kat likt verwachtingsvol.
De fles met Eau de Vie is half leeg en dat completeert het beeld van de straalbezopen dichter, die zichzelf -het is immers half vier- met sterke koffie weer enigszins in het gareel hoopt te krijgen om zo het gedicht nog te redden.

Is dit zomaar een dichter?
      Nee!

Het is Blaise Cendrars, die in datzelfde jaar een ‘nogal wild’ gedicht had gemaakt onder de titel Marc Chagall.

In de mooie Volkskrantreeks Moderne Meesters vond ik een Nederlandse vertaling van dit gedicht.

Het gaat zo:


Marc Chagall


Hij slaapt

Nu ontwaakt hij

Ineens schildert hij

Grijpt naar een kerk schildert met een kerk

Grijpt naar een koe schildert met een koe

Een sardine

Met schedels handen meten

Schildert met de zenuwpees van een os

Al het smerige lijden van kleine jodenstadjes

Gekweld door liefdeshartstochten uit de

Russische diepte.

 

Voor Frankrijk

Dood hart en lusten

Hij schildert met dijen

Draagt in zijn achterste de ogen

Daar ligt uw aangezicht

U bent het geliefde lezer

Ik ben het

Hij is het

De eigen bruid

De winkelier op de hoek

De koeienmeid

De baker

In emmers bloed worden de jonggeborenen

Gespoeld

 

Hemelse waanzin

Muilen sproeien het modieuze

De Eiffeltoren lijkt op een proppeschieter

Gevouwen handen

Christus

Hijzelf Jezus Christus

Aan het kruis heeft hij zijn hele jeugd geleefd

Een nieuwe zelfmoord elke dag opnieuw

Ineens schildert hij niet meer

Hij was net wakker

Nu slaapt hij

Wurgt zich met een dasspeld

Chagall verbaast

Hem draagt de onsterfelijkheid

 

‘De cafédichter’ was een ode van de ene buitenlander aan de andere.

Marc Chagall werd in 1887 in een groot Joods gezin geboren in Vitebsk in Wit-Rusland.
      Hij ging in 1910 naar Parijs, betrok daar een atelier en sloot vriendschap met ondermeer Guillaume Apollinaire en Cendrars.

Blaise Cendrars werd in 1887 geboren in Chaud-de-Fonds Zwitserland.
      Hij verhuisde ook in 1910 naar Parijs, nadat hij al de hele wereld over geweest was.
Hij verzon diverse titels voor werken van Chagall, ondermeer ‘Rusland, de ezels en de anderen’.

    

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Touretappe 12

De wielrenners in de Tour de France fietsen vandaag op de Franse nationale feestdag van Montpellier naar de Mont Ventoux.
     
Een verschrikkelijke berg. Ik heb het eens met de auto gedaan en dat was al afzien.

In januari 2012 schreef ik het volgende stukje over de kale berg.

 

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux

 

Sport & poëzie verdragen elkaar niet zo goed.
      Een enkele auteur en een spaarzame programmamaker hebben wel eens pogingen gedaan om het één met het ander te verbinden.
Het werd vrijwel altijd een geforceerde mislukking.
      Sport is prestatiegericht. Hard en meedogenloos. Een ratrace, waar minderbedeelden het altijd afleggen.
      Poëzie stokt hier, kan niet gedijen en sterft in schoonheid.

Jan Kal schreef op 1 augustus 1971 een mooi sonnet: Mont Ventoux.
      Hij had de berg op de fiets beklommen en schreef direct daarna het gedicht. Met die prachtige eerste regel:

      ‘Dichten is fietsen op de Mont Ventoux’.

Jan Kal is een dichter, die als fietsende liefhebber een aardige prestatie leverde.
      Maar een groot kenner van ‘t professionele wielrennen lijkt hij mij niet.
Hij veroorlooft zich een dichterlijke vrijheid.
     
Tom Simpson overleed op de berg in 1967, maar was wereldkampioen in 1965. Okee.

Maar hij maakt ook een zeer merkwaardige fout, namelijk dat de berg daarna tabu (taboe) verklaard werd.
     En dat is grote onzin. 

Lees eerst het sonnet;



Van Jan Kal


Mont Ventoux


Dichten is fietsen op de Mont Ventoux
waar Tommy Simpson nog is overleden
Onder zo tragische omstandigheden
werd hier de wereldkampioen doodmoe

Op deze col zijn velen losgereden,
eerste categorie, sindsdien tabu.
Het ruikt naar dennengeur, Sunsilk Shampoo,
die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.

Alles is onuitsprekelijk vermoeiend
de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg
Waarvoor ook geldt; bezint eer gij begint.

Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,
de top van deze kaalgeslagen berg:
ijdelheid en het najagen van wind.

 
Het nonnenklooster voorbij


De Mont Ventoux is bijna twee kilometer hoog. Vanuit het plaatsje Bédoin is de beklimming het zwaarst.
      De renners hebben hier natuurlijk geen oog meer voor wijngaarden of het oude nonnenklooster, maar richten zich op het wegdek.
Ze moeten in 21 kilometer een hoogte van 1589 meter overwinnen.
      Het gemiddeld stijgingspercentage is 7.6% met uitschieters tot 10.5%.

De berg werd tot nu toe veertien maal in de Tour de France beklommen. Het meest dramatische moment was op 13 juli 1967. 
      Tom Simpson raakte bewusteloos bij de beklimming. Hij had amfetaminen gebruikt en zou aan de voet van de berg ook een glaasje cognac gedronken hebben. Hij werd bevangen door de hitte en overleed.

De organisatoren hebben toen overwogen om de berg te schrappen. (Tabu te verklaren).
     
Maar dat gebeurde niet.

In 1970 stond de Mont Ventoux alweer op het programma.
     
En opnieuw kwam er iemand in grote problemen. EDDY MERCKX zelf
Hij lijkt met grote overmacht te winnen, maar krijgt het steeds moeilijker.
     
Kijk maar naar dit filmpje! 

Als hij de finish gepasseerd is raakt ook hij even bewusteloos.
      Onbegrijpelijk dat Jan Kal dit destijds ontgaan is.
     
Of zou hij het gedicht vòòr de Tour de France van 1970 geschreven hebben?

Nee!

Het gedicht Mont Ventoux werd in 1974 opgenomen in de bundel Fietsen op de Mont Ventoux.
     
En daarin staat ook het volgende sonnet, waarin hij toch echt meedeelt dat het gedicht op 1 augustus 1971 geschreven is:


Van jan Kal


Topprestaties

Toevalligheid van de toevalligheden
ik kocht de dichtbundel van Tim Krabbé
Vijftien goede gedichten, en daarmee
is niets te veel gezegd; dat stemt tevreden.

Mogelijk meer nog dan het wel en wee
hier door de dichter-wielrenner beleden,
trof mij het omslag, en niet zonder reden:
exact de uitwerking van mijn idee!

Op 1 augustus ‘71
schreef ik, nadat ik de berg beklom:
‘Dichten is fietsen op de Mont Ventoux’

 Ik dacht: ‘Als ik in de boekhandel lig
wil ik een kiek van deze klim erom’
Er is niets nieuws onder de zon, Poupou.

 

 

 


De olieman uitgelicht


Het lijkt een simpel lied met een overigens mooie tekst:
      De olieman heeft een Fordje opgedaan.
Maar er is veel mee aan de hand.
      Het werd in 1933 gemaakt door Jacques van Tol. Louis Davids kocht voor honderd gulden de tekst en zette er zijn eigen naam onder. Dat stelde hem -vond hijzelf- ook in de gelegenheid om veranderingen in de tekst aan te brengen.
     
In het refrein bijvoorbeeld veranderde hij de regel:
     
      ‘En dan neemt zijn vrouw de slinger mee naar bed’  in :
      ‘Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder ‘t bed’.
Dat was minder aanstootgevend.


Ook de laatste regels van het tweede couplet werden veranderd:

      ‘De buren gluurden door de ruit, van nijd waren ze groen
     
En zeien:’Ja zo gaat het als de mensen dik gaan doen’.

Dat werd:

      ‘Een jochie uit de buurt riep met z’n petje op één oor:
      Dat ding het astma Nelis, zet er maar een bokkie voor’.

Waarom dit gebeurd is, is mij niet duidelijk. De tekst wordt er bepaald niet beter van.

De P.C. Hooft was een passagiersschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland.
      Dit schip vloog in 1932 in Amsterdam in brand en werd volledig in as gelegd.

Amsterdammers gingen in die dagen naar de hei bij Bussum.
      Naar het strand in Zandvoort of Bakkum, naar de bollen in Hillegom en naar de speeltuin in Vinkeveen.
Louis Davids was trouwens geen Amsterdammer maar werd geboren in Rotterdam.

Deterding was Sir Henri W.A. Deterding, directeur-generaal van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij en later directeur van de Shell.
      Deterding lanceerde in 1937 het merkwaardige plan om voor tien miljoen gulden Nederlandse agrarische producten aan te kopen en te schenken aan de Duitse bevolking, omdat daar op dat moment voedselschaarste was.
      Ons Ministerie van Landbouw was daar toen blij mee. Net als de landbouworganisaties.
Omzet en winst. Opportunisme is van alle tijden.
     
Deterding overleed in 1939 en werd begraven in het Duitse Dobbin.
Er was ondermeer een krans van Adolf Hitler.

Ook Jacques van Tol had een dubieuze reputatie.
      Hij schreef naast zijn 'gewone' werk anti-semitische liedjes en Nazi-propaganda.
Na de oorlog zat hij drie jaar gevangen.

Luister hier naar de vertolking van Louis Davids

 
Van Jacques van Tol

De olieman heeft een Fordje opgedaan

De olieman van ‘t pleintje ging zijn radio verpanden

Hij was blasé van ‘t goede en verbrak de etherbanden

En toen met ome Jan zijn zeven tientjes in zijn handen

Had hij op ‘t autokerkhof een vehikeltje gekocht

Een onecht kind van Ford , vol deuken, bulten en hiaten

In lang verleden tijden op de mensheid losgelaten

Dat zich met korte sprongen voorwaarts repte langs de straten

En hartverscheurend kreunde als je remde in de bocht

Maar als hij met zijn wagen door zijn eigen buurtje ging

Dan riep de hele buurt: ‘Opzij … daar hè je Deterding’


(Refrein)

De olieman heeft een Fordje opgedaan

Daar rijdt ‘ie mee als een vorst door de Jordaan

Maar ’s avonds om tien uur is het uit met de pret

En dan neemt zijn vrouw de slinger mee naar bed

Tuf, tuf, tuf

 

Op zeek’ren zondagmorgen die het noodlot extra schikte

Geviel het dat ook Ma haar meer dan ongewone dikte

Etapsgewijze, deel na deel, in ’t wrak vehikel wrikte

Om met haar man en kroost een dag naar Bussum toe te gaan

Pa trachtte met de slinger ’s monsters ingewand te zoeken

Maar ’t reageerde niet, het kraakte slechts in alle hoeken

En Pa gaf de premiè re van twee splinternieuwe vloeken

Omdat Ma lijzig vroeg of ‘ie misschien niet aan wou slaan

De buren gluurden door de ruit, van nijd waren ze groen

En zeien: ‘Ja zo gaat het als de mensen dik gaan doen’

(Refrein)

Pa wierp zich onder ‘t voertuig en forceerde enkele moeren

Ma zei: ‘Doe eerst je strikkie recht, de buren staan te loeren’

Pa vroeg beleefd maar kort of zij haar claxon niet wou roeren

En ging weer in de olie liggen met z’n goeie goed

Het kroost verpoosde zich met aan de hendeltjes te knoeien

Zodat er diep in ’t mechanisme iets begon te loeien

Pa dreigde met zijn sleutel de familie uit te roeien

En ‘t uitstapje te wijzigen in een begraaf’nisstoet

Maar ‘t Fordje was gaan kuchen en het hoofd van het gezin

Riep: ’Vrouw, je kaken op mekaar, hou vast, ik schakel in’


(Refrein)


‘t Gedrocht liet plots een schreeuw, of het er vreugde in ging krijgen

En trachtte eerst een onbeheerde handkar te bestijgen

Ma gilde: ’Me vergaan!’. Pa ging met demontering dreigen

Van haar en beider nakroost, en dat maakte haar weer klein

Toen nam het beest zijn sidderende wieletjes tezamen

En startte ten verderf. Verschrikte buurtgenoten kwamen

Naar buiten, of ze keken eens misprijzend door de ramen

Wie of er weer met zevenklappers speelde op het plein

Een wijze oude opa riep, door het geknal verdoofd

‘Dat ding rijdt naar z’n ondergang, net als de P.C.Hooft’


(Refrein)


Twee uur na dit gebeuren arriveerde er een wagen

Met paard voor Nelis’ deur en de verblijde buren zagen

Hoe Ma met een gezwollen oog de trap werd opgedragen

Luidop onschone dingen zeggend over autosport

Daarachter man en kroost, vol olie, wegenstof en deuken

De voerman van de kar bracht nog een baalzak in de keuken

Slechts hij die veel had gestudeerd in de tiendeel’ge breuken

Kon zien dat dit het afgekloven rif was van de Ford

De buren hadden hun revanche en glimlachten verblijd

En Nelis, als ’ie uitging, hoorde nog een hele tijd:


(Refrein)

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

 

DENDERMONDE 1963: TUMULT IN VLAANDEREN


Het gebeurde op 3 februari 1963.
      Een paar Nederlanders onder wie Robert Jasper Grootveld, Bart Huges en Johnny the Selfkicker zetten in het  plaatsje Dendermonde -halverwege Gent en Brussel- een deel van Vlaanderen op zijn kop.
     

Dat ging op hilarische wijze, waarbij de Belgische politie totaal op het verkeerde been werd gezet. Een happening, die nog wel even nadreunde.


Wat er precies gebeurde zal ik direct uiteenzetten, maar lees eerst even dit gedicht van Johnny van Doorn, alias Johnny the Selfkicker; alias Electronic Jezus.


Dendermonde 63

Voor een Vlaams cultureel café
Waar ik een expositie zal openen,
Wordt ons Volkswagenbusje met
Minstens 25 inzittenden door
De plaatselijke Wouten tot
Staan gebracht & in de tussen-
Tijd dat er rechtsomkeert
Naar het bureau wordt gereden
Wordt de nu gevaarlijke Pot
Door alle aanwezigen snel
Verorberd of in de bilspleet
Gestopt. Triomfantelijk wordt
Met ons de hoofdverdachte (ivm 5 kilo Marihu -dat is tijm,
Stramonium, laurier etcetc)
Aan fouillering en verhoor
Onderworpen. Op de vraag hoe
Ik wel heten mag, antwoord ik
Johnny the Selfkicker &
Spijtig betreurt men dat
The Electronic Jezus (dat ben ik ook!)
Niet aanwezig is &
De oerdomme vertoning zet
Zich voort: als men mijn zakken
Beklopt roep ik schertsend Kijk
Voor De Zekerheid Eens In M’n
Tokus (plat Vlaams voor kont) &
Een deskundige uit Brussel
Wordt opgebeld om snel per taxi
Over te komen & men toont hem
Meteen bij aankomst een gevonden
Stukje kattebrood (dat hij
Gewichtig met een heetgemaakt
Zakmesje onderzoekt):
Waarbij hij verrast constateert
Mijne Heren Dit Is De Befaamde Hasjies!!


Celbeton Gentsesteenweg

Het genoemde Vlaams cultureel café was Celbeton, dat gevestigd was in een zaaltje aan de Gentsesteenweg in het kleine en katholieke Dendermonde.
      Een initiatief uit 1957 van de leraar Adolf Merckx. Het gebeurde allemaal in een kleine ruimte achter het café ’Het Zaaltje. De zogenaamde ‘hut voor avantgarde kunstenaars’.

Kunstuitingen, manifestaties, vernissages, die steeds meer belangstelling kregen van schrijvers, kunstenaars en kunstliefhebbers uit ondermeer Gent, Brussel en Antwerpen.
      Ook Nederlanders als Simon Vinkenoog en Remco Campert verschijnen er met zekere regelmaat. De inwoners van Dendermonde moesten er overigens niets van hebben.

Johnny the Selfkicker treedt voor ’t eerst op in Celbeton in 1962 als hij pas zeventien jaar is.
      Dat was tijdens de vernissage van ’De Spelen van Hugo Claus’ waar zeker 200 toeschouwers zorgen voor een zeer luidruchtige avond. Ook Louis Paul Boon trekt grote aandacht als hij zijn ‘Boontjes‘ leest.

Het jaar daarop in februari wordt Johnny van Doorn uitgenodigd om de tentoonstelling van schilder Fred Wessels te openen. Hij en zijn maten ’waarschuwen’ anoniem de Nederlandse en Belgische politie, dat een gezelschap op weg is naar Dendermonde. Het gezelschap zou grote hoeveelheden drugs vervoeren.
      Maar in plaats van marihuana, pepmiddelen, LSD etc. hebben ze ’Marihu’ bij zich.
Spullen die alleen maar een beetje op drugs lijken. Inderdaad: kattebrokjes, tijm en laurier.
       Later in Amsterdam zullen zij min of meer vooruitlopend op de Provo-acties Marihu-happenings in Amsterdam houden.

Celbeton bleef overigens tot 1975 open.
      Toen was het allemaal wel genoeg geweest.


Klik HIER voor alle Zoekpoëzie

 

 

 

Droom in Tenochtitlán

Toen de Spanjaarden rond 1500 in Mexico arriveerden was Tenochtitlán de belangrijkste stad van het Aztekenrijk.
      Het had zo’n 200.000 inwoners. De stad was gesticht op een eiland in het Texcocomeer.
Op deze tekening van de Nederlandse ‘zeeschilder’ Jan Karel Donatus van Beecq (1638-1722) zien we hoe de stad er ongeveer moet hebben uitgezien.
      Toen was de stad overigens al vernield, want dat gebeurde rond 1520 tijdens een belegering.
Op diezelfde plek werd later Mexico-Stad gebouwd.

 

Huizenrijen met kanalen

Dit gedicht van de Mexicaan Homero Aridjis (1940) gaat terug naar de tijd van Tenochtitlán.
      Op de tekening zie je inderdaad hoe de huizenrijen met kanalen verbonden zijn en dat het verkeer per boot moest gaan.
Dit is het gedicht in de vertaling van Judith Uyterlinde.


Van Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

Heel de nacht
tussen witte huizen
stak ik het kanaal over
in het water doorkliefden de riemen
het stille groen van de wilgen
en beroerden de schaduwen van de tempels.

Van de overzijde van het kanaal
kwam jij in een gele boot
je gelaat rood geschilderd
en even waren onze boten langszij
onder de blauwe brug
en ik kon niet meer voort
jouw ogen die mij aankeken
troffen mijn hart
met pijlen van licht

Jouw ogen vulden de lucht
met blauwe vogels
en je lichaam liet in het voorbijgaan
stralende lichamen achter
om je heen daalde rust neer
voorbijgangers in de straten
gingen elkaar binnen
zonder zichzelf te verlaten
ik betrad jouw transparante hoofd
ik lichtte jouw ontastbare handen op
Ik dronk licht van jouw borst
ik

een zwarte haan wekte ons


Dichters in Durban

Ik vond dit gedicht in de bundel Dichters in Durban, uitgegeven door de Novib.
      Dit naar aanleiding van het eerste internationale poëziefestival dat in 1997 in Durban Zuid-Afrika werd gehouden.
De organisatoren van Poetry Africa , waaronder Breyten Breytenbach, kregen bij de organisatie van dit evenement hulp van Martin Mooij van Poetry International in Rotterdam.
      Remco Campert en Hugo Claus traden namens de lage landen op.
Bram Peper, toen nog burgemeester van Rotterdam verzorgde de opening. Hij deed dat samen met zijn collega uit Durban, Obed Mlaba.

De keus om juist dit gedicht in de bundel op te nemen is gedaan door Homero Aridjis zelf.