Poëzie (216)

 

Huldegedicht aan Singer

Paul van Ostaijen werd niet oud. 32 jaar. Hij overleed in 1928 aan TBC en had toen een klein maar indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven. Vooral poëzie: Alpenjagerslied, Boem Paukeslag, Avondgeluiden, Melopee. Maar zijn bekendste, meest besproken, vereerde en verguisde werk is Huldegedicht aan Singer.
      Hij schreef het in Berlijn direct na afloop van de eerste Wereldoorlog toen hij daar tot in 1921 in zelfverkozen ballingschap verkeerde. Hem wachtte namelijk een veroordeling in België, omdat hij als linkse flamingant had geschreven voor de activistische Vlaamsche Courant.

Het gedicht heeft een zeer kenmerkende layout. Geschreven als een soort partituur. Lees het eerst nog even, leg er ritme in en verbaas u over de belezenheid van de dichter, de kracht van de woorden, de humor en de onderhuidse kritiek op het cultuurklimaat.
      Verwonder u over de actualiteit van dit gedicht, dat bijna honderd jaar geleden geschreven is. Daarna zal ik iets vertellen over een paar hoofdpersonen: Floris Jespers, Hans Sachs, Genoveva van Brabant en de Jungfrau van Orleans.
      En bedenk ook dat Panem et Singerem staat voor Brood en Singers (Singer naaimachines). Daarna moet u er nog eens naar luisteren.    

 


HULDEGEDICHT AAN SINGER



Slinger
       Singer
             naaimasjien
Hoort
    Hoort
       Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht
Wat
   Wat
jawel
   Jespers Singer naaimasjien
hoe zo
   jawel
       ik zeg het u
       Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht
Waarom
       waardoor
               wat wil hij
Jawel
    hij zal
          hoe zo
               Circulez
                       want
  SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE

de beste
        waarom
              hoe kan dat
                      wie weet
                              alles is schijn
Singer en Sint Augustinus
Genoveva van Brabant
                      bezit ook een Singer
                                  die Jungfrau von Orleans

Een Singer?
jawel
jawel jawel jawel ik zeg het u een Singer
versta-je geen nederlands mijnheer
Circulez
      Bitte auf Garderobe selbst zu achten
ik wil een naaimasjien
iedereen heeft recht op een naaimasjien
ik wil een Singer
iedereen een Singer
Singer
         zanger
                   meesterzangers
                                 Hans Sachs
heeft Hans Sachs geen Singermasjien
waarom heeft Hans Sachs geen Singer
Hans Sachs heeft recht op een Singer
Hans Sachs moet een Singer hebben
Jawel
         dat is zijn recht
              Recht door zee
                    Leve Hans Sachs
                          Hans Sachs heeft gelijk
hij heeft recht op

  SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE

alle mensen zijn gelijk voor Singer
Circulez
een Singer
Panem et Singerem

Panem et Singerem    Panem et Singerem    Panem et Singerem

                   et Singerem et Singerem

Ik wil een Singer
wij willen een Singer
wij eisen een Singer
wat wij willen is ons recht
                        ein fester Burg ist unser Gott

Panem et Singerem    Panem et Singerem    Panem et Singerem

                   et Singerem et Singerem

Waarom
      hoe zo
            wat wil hij
                       wat zal hij
Salvation army
Bananas atque Panama
          de man heeft gelijk
          hij heeft gelijk
gelijk heeft hij jawel
                      jawel
                           jawel
                                waarom
                                wie zegt dat
                                waar is het bewijs
            jawel hij heeft gelijk

Panem et Singerem    Panem et Singerem    Panem et Singerem

                     Singerem Singerem

  SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE

 

Er is veel over dit gedicht geschreven. Veel gespeculeerd. Veel geïnterpreteerd en gefilosofeerd.   
      Wie is bijvoorbeeld de ‘’ik-figuur’’? Is dat van Ostaijen zelf? Een politieagent, een dorpsomroeper, marktkoopman, krantenverkoper?  
      Ach, het is in ieder geval iemand die de mensen oproept om ergens naartoe te komen en te circuleren of door te lopen.

Floris Jespers was een vriend van Van Ostaijen. Een schilder. Hij zou mogelijk concessies aan zijn kunstenaarschap hebben gedaan door zoiets burgerlijks als een Singer naaimasjien aan te schaffen. Een metafoor wellicht: Buigen voor commercie. 
      Van de andere kant: als je dan toch een naaimasjien aanschaft kun je maar beter een Singer nemen, want dat is de beste. En dat lijkt dan weer erg op een vuige reclameslogan.
      Genoveva van Brabant leefde in een tijd dar er nog geen Singers waren. Stijn Streuvels schreef een boek over haar. Zij was getrouwd met Graaf Siegfried en werd -vals- beschuldigd van ontrouw door hofmeester Golo. Zij en haar pasgeboren kind werden veroordeeld tot verdrinking, maar zij werd gespaard door haar beul. Gun haar dus tenminste een Singer.  
      En dan is er Hans Sachs. Een schoenmaker, die dichter en toneelschrijver werd. Meistersinger in Nürnberg. Tevens de titel van een opera die Richard Wagner aan hem wijdde. Van Ostaijen had geen hoge pet op van Sachs.  Hij heeft geen Singer, maar zelfs hij zou er wel recht op hebben.    
      De Jungfrau van Orleans verwijst naar het toneelstuk over Jeanne d’Arc van Friedrich Schiller uit 1801. Er zijn diverse Sinten Augustinus, maar wie bedoeld wordt is volgens allerlei bronnen onduidelijk.
      Ein fester Burg ist inser Gott is een hymne, geschreven in 1529 door Maarten Luther. Bach maakte daar later een cantate van.

Maar bedenk voor u gaat interpreteren en concluderen: Alles is schijn. Paul van Ostaijen schrijft dat nadrukkelijk in zijn werk.     

Luister HIER naar de uitvoering van mezzo-sopraan Marijke Persijn met pianist Peter Visser.

En luister HIER naar een wat meer boertige uitvoering door Marcel Vanthilt en Evi de Jean.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

 

 

Vogels & een Dorpsschool

Martinus Nijhoff was zo’n dichter, die altijd bleef schaven en klooien aan zijn teksten. Uiteraard voordat ze gepubliceerd werden, maar ook daarna nog.
      Iedere nieuwe publicatie en vrijwel iedere nieuwe druk van een bundel laat veranderingen zien. Fascinerend wel om dat eens te volgen.
      Ik heb daarvoor één van zijn meer bekende gedichten genomen.


Van Martinus Nijhoff


De Vogels

De arbeiders der fabriek aan de overkant
wanneer de stoomfluit schaften heeft gefloten
gaan op een wei, door muren ingesloten,
in groepjes liggen eten. Onderhand
verzamelen de vogels langs de goten.
De hemel vraagt om kruimels aan het land.
De meeuw zwenkt boven de uitgestreken hand
en bij de schoen zijn mussen toegeschoten.

Andere vogels hebben het niet zo.
Ik heb hen vaak op de brug găgeslagen
zij haalden brood op het stempelbureau

Wanneer de kruimels van den hemel vragen,
een bioscoop, een fiets, een radio,
komt de cavalerie den hoek om jagen.

Dit gedicht verscheen in de bundel Nieuwe Gedichten (1934)
      Maar twee jaar eerder had hij het al gepubliceerd in het poëzietijdschrift Helikon (1931-1939).
Toen heette het Fabriek & Dorpsschool. Dat gaat zo:


Van Martinus Nijhoff

Fabriek & Dorpsschool

De arbeiders der fabriek aan de overkant
Gaan als ’t signaal voor schaften heeft gefloten
Op ’t stukje wei door muren ingesloten,
Voetballen, vechten, etend onderhand,

Dan snelt er een gerucht langs alle goten
De hemel krijgt de kruimels van het land
De meeuw komt zwermen om de werkmanshand
En bij zijn voet zijn mussen toegeschoten

‘k Herinner me den ouden dorpsschoolmeester
Die na zijn maaltijd altijd een homp bruin brood
In ’t kippenhok tussen de tralies drukte

Zoo vindt de eenvoudigheid uit ’s levens drukte
Haar weg naar vrijheid. Woord! Wees onbevreesder!
Ook gij hebt de natuur tot bondgenoot.

De eerste kwatrijnen lijken enigszins op elkaar, maar de terzinen zijn totaal anders.

   Is dit esthetiek, taalgevoel of is er iets anders aan de hand?

Theun de Vries had er wel een verklaring voor. Nijhoff zou zijn sonnet aangepast hebben omdat de dichtbundel in 1934 verscheen. Vlak na het Jordaanoproer, toen stakende arbeiders uit en in elkaar werden geslagen door eenheden van de politie. Maar of dit werkelijk zo is, valt te betwijfelen.
      Misschien was hier wel de wens de vader van de gedachte, want Theun de Vries was een overtuigd communist en redacteur van De Tribune, voorloper van De Waarheid.
      Hij lanceerde zijn theorie in het essay Wandelaar in de werkelijkheid in 1946. In datzelfde jaar verscheen de zesde druk van Nieuwe Gedichten, waarin Nijhoff opnieuw enkele wijzigingen aanbrengt.

In de laatste regel bijvoorbeeld wordt de cavalerie, die de hoek komt omjagen vervangen door:

dan geven antwoord tank en pantserwagen.

Dat was direct na de oorlog kennelijk toepasselijker.


  

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Een funest drinkgelag

Op 5 oktober 1947 werd de 26-jarige student J.M.W. Scheltema in Leiden door de politie doodgeschoten. Hij was dronken en gedroeg zich vervelend. Sloeg hoedjes van het hoofd bij andere mensen. 
      Er ontstond een opstootje, de politie kwam erbij en toen liep het allemaal vreselijk uit de hand. Een agent haalde zijn wapen tevoorschijn en voelde zich zo bedreigd dat hij schoot.
      J.M.W. Scheltema werd getroffen en overleed ‘s avonds in het Academisch Ziekenhuis.
De agent werd later ontslagen van rechtsvervolging.

   

   Leidsch Dagblad, maandag 6 oktober 1947

Hij was een veelbelovend dichter. Een maand na zijn verscheiden werd zijn gedicht ''Morgen is ’t licht'' opgenomen in het literaire maandblad Criterium.
      Dat gebeurde op voorspraak van Adriaan Morriën.
Zijn vriend en studiegenoot Louis Th. Lehmann vulde in 1948 in De Vrije Bladen een hele aflevering met gedichten en liederen van Pim Scheltema, zoals hij door intimi genoemd werd.   

Ik heb een mooi vers van hem gevonden, dat in zekere zin symbool staat voor zijn eigen gedrag.


Van J.M.W. Scheltema

Overwerk

In het bleke ochtendgloren
Stapelt Dora nachtclubstoelen,
Want dat doet ze van tevoren
Omdat ze de vloer moet spoelen.

Zo maar schrobben is zo zonde;
Even doet ze snel de ronde
Om vooral de driekwart peuken
Voor het knechie in de keuken
En de bandjes van sigaren
Voor haar nichie te bewaren;

En vergetene corsasies
Zet ze thuis in kleine vasies
En de glazen met de ressies
Giet ze uit in doktersflessies,
Want vanavond is het feest:
Vijfentwintig jaar is Dora
Werkster op die club geweest.

's Avonds zit ze stil te dromen
Of de directeur zal komen
Met een dichte enveloppe,
Maar geen mens komt bij haar kloppen.
Somber zet ze alle flesjes
Met de restjes op een rijtje,
Zit te wachten nog een tijdje,
Maar zo tegen half elf
Proeft ze alle drankjes zelf
En na nog een drie kwartier
Heeft ze stilletjes plezier.
Sloeg het daar niet half negen?
Nee, ze kan er niet goed tegen,
Restjes zijn merakel sterk:
Zwaaiend gaat ze naar haar werk.

Toen ze binnenkwam, toen spoog ze
Eerst een paar keer in haar handen,
Schoof de mensen van de stoelen,
Maakte stapels aan de wanden.
Daarna ging ze op haar ronde:
Nam de peuken uit de monden,
Brak de brandende sigaren
Om de bandjes te bewaren,
Trok de dure orchideeën
Uit de halsdecolleteeën;
Schuimende champagneflessen
Sjouwde zij bijeen als resten.
Dora zong haar morgendeunen
Samen met de lady-kreuner.
Ze kroop stotend tegen benen
Om de dansvloer af te nemen
En ze plaste met de emmer
Op de divans en de paren
En ze stak de ruwe bezem
In gepermanente haren;
Met een pekinees begon ze
Toen de tafels af te sponzen;
Alle poten moest ze boenen,
Ook al stonden ze in schoenen.

Eindelijk na veel proberen,
Wisten obers en wat heren
Dora in een hoek te trekken,
Waar ze met een zucht in slaap viel
Met een dweil om toe te dekken.
Dora moest wel drie keer vragen
Waarom Dora werd ontslagen:
Dora zelf had niets gemerkt,
Maar haar plicht gedaan: gewerkt.

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Omeros te Leiden

Nobelprijswinnaar Derek Walcott is dood. Zijn bekendste werk is Omeros, een episch gedicht dat zich afspeelt op zijn geboorte-eiland Saint Lucia in de Caraïben. Kern van het verhaal is een ordinaire ruzie tussen de vissers Achilles en Hector, die dingen naar de hand van de mooie Helena.

      Ik heb het boek in het origineel, maar ook in de vertaling van Jan Eijkelboom. Dat is op zich wel handig, want het oorspronkelijke werk vind ik niet echt eenvoudig om te lezen.

      Een strofe van het werk is te vinden als muurgedicht in Leiden. (Reuversplaats 2)  

            


Van Derek Walcott

This was the shout on which each odyssey pivots,
that silent cry for a reef, or familiar bird,
not the outcry of battle, not the tangled plots

of a fishnet, but when a wave rhymes with one's grave,
a canoe with a coffin, once that parallel
is crossed, and cancels the line of master and slave.

Then an uplifted oar is stronger than marble
Caesar's arresting palm, and a swift outrigger
fleeter than his galleys in its skittering bliss.

(uit Omeros, Boek 3, Hoofdstuk 30, Vers 2, Faber & Faber, 1990)

Vertaling Jan Eijkelboom

Dit was de schreeuw waar iedere odyssee om draait,
die stille roep om een rif of een vertrouwde vogel,
niet de oorlogskreet, niet de verwarde intriges

van een visnet, maar als een golf rijmt op iemands dood,
een doodkist op een boot, die parallel wordt overschreden,
de scheiding tussen meester en slaaf gesloopt.

Dan is een opgestoken riem sterker dan marmeren
Caesars geheven handpalm, en een snelle zeilboot
gezwinder dan zijn galeien in haar heerlijke vaart.

(Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1993)

 

 

 

De anatomische les

Riekus Waskowski (1932-1977) was een curieuze man. In de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw kon je hem zomaar in Rotterdam tegenkomen. Op straat, maar eerder in een café. Hij was een dichter. Geen twijfel over. Maar om in zijn levensonderhoud te voorzien deed hij allerlei klusjes.
      Hij was erudiet, had een brede belangstelling en grote talenkennis. Maar hij was ook in de war, leed aan achtervolgingswanen, dronk buitensporig veel en werd diverse malen opgenomen in psychiatrische inrichtingen.
      Hij is een vrijwel vergeten dichter en werd maar 44 jaar.

Zijn eerste bundel kwam uit in 1966 en had de mooie titel Tant pis pour le clown.
      Maar de titel van zijn tweede bundel was veelzeggender: Slechts de namen der grote drinkers leven voort.

Ik herinnerde mij dat hij ooit een gedicht had gemaakt over de P.v.d.A. Niet zozeer een geëngageerd gedicht; eerder een satirisch.
      Na wat zoeken heb ik ’t gevonden:

Van Riekus Waskowsky

De anatomische les

Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis
ter gelegenheid van het jubileum van de VARA
een echte oude socialist ontleed.

Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam:
halfvergane rode vlaggen, strijdliederen,
internationale broederschappen en solidariteit,
AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken
door P/Quack (antiquarisch).

In plaats van de hersenen vonden wij: ‘’Een ver-
ontrustend rapport over de afnemende belangstel-
ling van de jongere generatie voor het dem.soc”.

Volgens diverse bronnen heeft Waskowsky dit gedicht geschreven in 1966.
     
Ik houd het maar op eind 1965, want de VARA werd opgericht op 1 november 1925.

Het Amsterdamse Wilhelminagasthuis bestond in 1966 overigens 75 jaar.

Ruim vijftig jaar later met verkiezingen in zicht is dit gedicht nog zeer actueel.
     
De belangstelling voor politiek onder jongeren is gering en de belangstelling voor het democratisch-socialisme nog geringer.
Niets nieuws onder de zon dus.

Waskowsky schreef verhalende poëzie. Daarmee valt hij te vergelijken met Johnny de Selfkicker en C. Buddingh’.
      Van hem is ook:

Dichten is net als koken!
Je pleurt maar wat
in de pan
als je koken kan


Van C.Buddingh’

Denkend aan Riekus Waskowsky

De laatste keer dat we samen schaakten

(in 'De Lantaren' in Rotterdam)

won je warempel van me.


Je dood beroofde me van mijn revanche.

En wat had ik je graag nog een paar keer ingemaakt,

al was het alleen maar om klaarheid te scheppen:

juist achter het bord moet er een standsverschil zijn.


Maar wat zou ik nu iedere week

graag een paar keer van je verliezen.



Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje