Goedemorgen

 

Abuis

Het dorpscafé is klein en ruikt naar verschaald bier en geheime sigarenrook. Buiten is het nat. Windvlagen en afgerukte takken. Tijd voor een versterking!  
      Een jongen van een jaar of twintig komt naar mij toe en neemt de bestelling op.

Een koffie en een -het staat echt op de kaart- Rémy Martin.
      Hij kijkt me een beetje vertwijfeld aan, maar vraagt verder niets.

Na een tijdje komt hij terug en zegt: ‘Uw bestelling meneer!’
      Hij zet een kop koffie op mijn tafeltje en legt daar een papiertje met inhoud naast.

      ‘En uw repie Mars meneer’..


Goedemorgen!

 

 

Mamma & het brandalarm

Het hotel bjj het Amsterdamse Vondelpark wordt mede gerund door de inbreng van werkstudenten. Als we bij de balie arriveren is de receptioniste in een vurig telefoongesprek gewikkeld. Ze neemt ons op, zegt nog even in de telefoon dat ze echt geen tijd had en na een kort ’momentje’ legt ze het toestel even weg.
      Ze heet ons in het Engels welkom.
Ik heb drie dagen geleden per e-mail gereserveerd, maar zij kan onze namen niet vinden. Ze zegt ter geruststelling, dat er in ieder geval nog een kamer over is, neemt de telefoon op en zegt:
      ‘Mam. Ik heb hier een probleemgeval. Ik bel je zo terug’.
Ze bladert wat door de papieren en ziet dan dat de reservering op de verkeerde maand is geboekt.   
       ‘Ik ga u upgraden’, zegt ze triomfantelijk. ’In onze dependance hebben we namelijk nog een suite. Een hele mooie. Die is 75 Euro duurder, maar u krijgt hem voor dezelfde prijs.’

Ze roept een jongetje, dat niet ouder is dan achttien en zegt dat hij ons wel even voor zal gaan.
      In de gang ruikt het naar verf. ’Het klopt dat u verf ruikt’, zegt de jongeman. 
      ’Vier maanden geleden is de boel hier opgeknapt’.
Mijn echtgenote pakt de leuning vast en heeft prompt een grijze verfvlek op haar hand. 
      ‘Die verf blijft dan wel lang nat’, zeggen we maar eens.
In de inderdaad mooie suite blijft de jongen een tijdje plakken. Hij is duidelijk op zoek naar fooi.
      ‘Dit hier’, zegt hij bijvoorbeeld,’ is het bed. Dat is pas nieuw.’
Dan loopt hij naar de badkamer.
      ‘Hier is de douche en daar het toilet’.
Hij blijft talmen en loopt naar de straatzijde van de kamer. 
      ‘Als u het gordijn opzij schuift kunt u -kijk daar- het raam open doen.’

We zitten twee hoog. Er zijn geen balkons.
      ‘s Nachts om zeven minuten over half drie worden we gewekt door het angstaanjagende geluid van het brandalarm in de kamer. We schieten snel wat kleren aan, constateren dat we te hoog zitten om eventueel uit het raam te springen en gaan richting de trap.
      Het is heel rustig in de dependance. We horen niets en ruiken ook niets. Nergens paniek. Dan stopt het alarm abrupt.

De volgende ochtend zit er weer een andere jongeman achter de balie. 
      ’Is het u bevallen?’, vraagt hij.
      ’Ach ja; alleen dat brandalarm was een beetje vervelend’.
      'Brandalarm?’, zegt hij. ‘Daar weet ik niets van’.

En dan komt het.
      ‘MAAR DAT IS NIET ZO GEK, WANT DAT GEBEURT NAMELIJK HEEL VAAK!
      ‘Hoe kan dat dan?’, vraag ik enigszins onthutst. 
      ‘Tja’, zegt hij. 
      ’Ik weet ook niet precies hoe het komt. Maar als mensen in bad gaan en het duurt wat langer, stijgt er stoom op en dan gaat het alarm af'. 
      ‘Maar meneer, we zaten niet in het bad; we lagen in het nieuwe bed’. 
      ’Ach’, zegt hij.
      ‘Dan zijn het waarschijnlijk uw buren geweest’.

 

Goedemorgen!

 

 

Band plakken: drie Euro

In juni 2006 riep Montenegro de onafhankelijkheid uit, nadat ruim 55% van de bevolking zich daarvoor in een referendum had uitgesproken.
      Volgens allerlei publicaties gaat het sinds die tijd relatief goed in dat land.
Vooral het toerisme gaat hard vooruit. (Mooie stranden, prachtige bergen, oude steden, goed klimaat, lekker eten).
       De Euro is het nationale betaalmiddel. Dat is een beetje vreemd, want het land zal pas naar verwachting in 2020 of zo bij de Europese Unie komen.
Ze slaan dan ook geen eigen munten.

Begin deze maand was ik twee weken in dat land. Of het inderdaad zo goed gaat, weet ik eigenlijk niet. De mensen zijn daar nogal verdeeld over.
      Het verschil arm-rijk is nog groot en vooral in het binnenland wordt nog echte armoede geleden.
De inkomens zijn vergeleken met West-Europa erg laag. De prijzen van bijvoorbeeld levensmiddelen liggen op ongeveer twee-derde en dat is dan weer -vergeleken met die inkomens- erg hoog.
      Er wordt veel in grijze circuits gehandeld -‘ik repareer jouw dak als jij mijn tuin schoffelt’- en veel mensen zijn deels zelfvoorzienend door op kleine schaal groenten, fruit en kruiden te verbouwen en kippen of andere beesten te houden.

De onverschilligheid die je vroeger in Joegoslavië nogal eens aantrof, is volgens mij voor een belangrijk deel verdwenen.
      Het land is booming, veel jonge mensen zijn enthousiast en ondernemend en leren Engels. En de mensen zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam.

Ik had bijvoorbeeld een leeglopende achterband en bereikte een benzinestation, waarna liefst vier mensen aan de slag gingen om het wiel te verwisselen.
      Ze wilden er -ook na aandringen- niets voor hebben. Ik liet daarna bij een garage de band plakken. Ze namen het direct ter hand.

      Kosten: 3 Euro.

Goedemorgen!

 

 

Een stoere vader

Bij mij in de buurt zijn diverse zogeheten mestbassins. Met grote regelmaat verschijnen daar tankopleggers van de firma Kasteel Meeuwen, waarmee mest in die bassins wordt gepompt. Soms stinkt dat behoorlijk. Daar hoor je mij niet over klagen, want ik heb er zelf voor gekozen om op het platteland te wonen.

Op die vraag kwam ik, omdat ruim tien jaar geleden een artikel verscheen in Plattelands Post waarin iemand van Kasteel Meeuwen aan het woord komt onder de kop: ‘Wij werken met mest en niet met stront en daar zijn we trots op’.

      Ik heb het aan diverse boeren in mijn omgeving gevraagd, maar die weten toch zeker dat mest gewoon stront is. Hooguit is het stront waaraan stro is toegevoegd. Maar daar gaat het niet minder van stinken.   
      Vloeibare mest heet gier en kan ook behoorlijk onfris ruiken.

Gisteren -het is zomervakantie- zag ik het volgende ontroerende beeld.


Goedemorgen!

 


Zuiver water

Het mooiste bergmeer van Bosnië-Herzegovina is volgens kenners het Boracko-meer.
      Het ligt op 400 meter, is bijna een kilometer lang en 500 meter breed.
Je kunt er zwemmen tussen de forellen en de karpers. Meestal is het water smaragdgroen.

      ‘Dit water kun je gewoon drinken’, zegt een lokale uitbater.

      ‘Fijn’ zeg ik , ‘een soort mineraalwater dus’.

      ‘Mineraalwater!’, zegt de man verontwaardigd, ‘mineraalwater!’.

      ‘Meneer; ik zweer u dat er absoluut geen mineralen in zitten. Dit is zuiver water’.

 Goedemorgen!


Boracko Jezero

 Het meer ligt zo'n twintig hevig slingerende kilometers van de stad Konjic en dat ligt halverwege de lijn Mostar-Sarajevo.

      Je kunt er appartementen huren, maar er is ook een camping. 
Je kunt er vissen en zwemmen en er is een soort pad langs, waar je kunt wandelen.