Een radiovertelling over een eiland

Ik kreeg een enigszins geagiteerd berichtje van meneer of mevrouw T. van Gelder. Wat bleek?
     
Bijna tien jaar geleden, op 2 april 2007, plaatste ik een stukje over het gedicht Dorp aan Zee van J.J. Slauerhoff.
Dat speelt zich af op Vlieland, één van de weinige plekken op de wereld waar deze dichter-romancier en scheepsarts zich een beetje thuis voelde.
     
Ik had dit gedicht voor de VPRO-Radio regel voor regel letterlijk en figuurlijk nagelopen en er een radiovertelling van gemaakt.
En daar kwam de kritiek, want het betreffende programma was van de site van de VPRO verdwenen.
      ‘’Als u verwijst naar een radioprogramma moet dat toch ook hoorbaar zijn”.
Tja. Daar had meneer of mevrouw van Gelder wel gelijk in.

Ik ondernam wat actie en leerde dat het programma ook in het digitaal radio-archief van de VPRO was opgenomen.
     
U kunt het HIER onder de kop ''Dorp aan Zee'' beluisteren.
Maar als u dat doet, moet u er wel het gedicht bijhouden.
     
Ik volg namelijk de straat waarlangs de huizen slapen, bezoek het raadhuis, vertel wie de betreffende onderwijzer was, loop over ’t kerkhof, zie tijdens een dienst de walviskaken die inmiddels in de kerk staan, drink wat in het voormalig armhuis en loop naar de Vliehors, waar de vogels geen enkele schrik meer hebben voor de straaljagers van de Koninklijke Luchtmacht.

Het gedicht gaat zo:

 

Dorp aan zee (Waddeneilanden)     

Ik volg de straat waarlangs de huizen slapen.
Het raadhuis staat apart. Daar hangt het wapen
Dat de gemeente in oude dagen had,
't Visschersgehucht was eenmaal Hansa-stad):
Een koggeschip op blauwe golvenfranje,
Verguldsel opgelegd om de kampanje.
Het wordt tien uur, de trage tijd ontwaakt
En knarst tien slagen, 't klokkenhuisje kraakt
In zijn gebinten, het is verfloos kaal,
De cijferplaat verweerd en zonder wijzer.
Achter smal grintveld ligt het schoollokaal.
De grijze schedel van den onderwijzer
- Op 't raam, half grijsgeschilderd, gehalveerd -
Knikt naar zijn stokgestamp; de klas psalmeert
Van frissche waterstroomen, zaalge oogsten
't Veelverzig loflied tot den Allerhoogste.
Het armhuis ligt terzijde en achteraf.
Met mos begroeid als een vergeten graf
Zijn de gedeukte daken en de muren.
De eenge die daar zijn dagen uit moet duren
- Een bultenaar, een burgemeesterszoon -
Draagt steeds een groene pandjas: schaamle hoon
Aan hen die hem eens achtten, maar zijn lot
Sinds overlieten aan de almachtige God.
Slechts een wrak hek staat tusschen de armhuistuin
En 't smalle kerkhof, hellend tegen 't duin.
't Is slechts een schrede tusschen slaap en waken.
Als wegwijzers staan witte walvischkaken,
Waaraan het vee zich schuurt de zeere zijden
Op weg van stal naar schrale duingrasweiden.
'
t Verleden zelf is in verlaten kerke
Te rust gegaan onder de blauwe zerken.
De gevel draagt in roestige ijzren cijfers
Niets dan het jaartal 1607.
Alleen op de gebarsten zonnewijzer
Staat nog, half uitgewischt, een naam geschreven.
Wie het geweest is komt er niet op aan:
Bestaan is niets, er heerscht alleen vergaan.
Deze oude zomer zoo vol ondervinding
In t bloeien leidt alleen tot verdre ontbinding.
Maar in zijn nachten ruischt de zee een lied,
Een mild vermanen om het leven niet
Op zich te nemen als een zware last,
De liefde in plichten, in een diepe kast
't Zuurverdiende geld te bergen, niet te jammren
Wanneer vischvangst mislukt, hooioogst bederft,
Het schip vergaat, het vee in stuipen sterft;
Argloos te leven als zeehonden, lammren
Die op de strandwei soms elkaar ontmoeten,
Elkaar besnuffelen met arglooze snoeten.