Jongens met een straatattitude

(Door Iris Driessen, docent Nederlands)

Eén keer dacht ik dat ik een knal voor mijn kop zou krijgen. Eén keer maar, in die bijna vijftien jaar dat ik les geef. Ik voel me altijd heel veilig op school en in mijn klassen, maar ik weet dat er collega’s in het land zijn die dat heel anders ervaren.
      Twee VMBO, een zwarte school in Amsterdam. Ik werkte daar pas een aantal maanden. Ik zou de school aan het einde van het jaar overigens weer verlaten. Met gemengde gevoelens.
      De school was wat (bege)leiding betreft een zooitje. Het jaar daarop zou  verbouwd worden; niet alleen het gebouw werd anders ingedeeld, er kwam ook een andere visie en een ander beleid. Schoolleiding was alleen maar daar mee bezig en had geen oog voor de leerlingen en het team. Het was daar een wereld van verschil vergeleken met de witte school waar ik zeven jaar lang had gewerkt. Ik heb daar heel veel geleerd.

Op de school zaten heel veel kinderen met een migrantenachtergrond. Zo’n 90%. Als ik ’s ochtends over het schoolplein liep, werd ik nagesist en nageroepen. Dat vonden ze gewoon. En een compliment, toen ik ze daarop aansprak.
      Klas 2A was een drukke klas, met veel jongens die er een straatattitude op nahielden. Lieve jongens voor hun moeder, maar ongemanierd tegen veel docenten.

Eén jongen, Mo, had een vorige les afgekeken tijdens een toets. Het was overduidelijk; de toets pakte ik af en ik gaf hem een 1.
      Die bewuste les kwam hij nog even verhaal halen. Wanneer hij de toets over mocht doen. Ik zei hem dat dat niet mocht. Na wat gediscussieer, trok ik aan het langste eind. Dacht ik.

Tijdens uitleg aan een andere leerling stond ik over een tafeltje gebogen. Met mijn billen naar achteren ja. Hoe anders? Er werden proppen papier tegen mijn billen gegooid. Ik draaide me om: ‘Ik begrijp dat jullie op de prullenbak mikten, maar dat jullie niet om mijn billen heen konden gooien. Geen probleem. Volgende keer in die bak dus.’ Met als gevolg dat mijn billen het zwaar te verduren kregen; nog meer proppen.
      ‘Als dit nog een keer gebeurt, dan klaag ik jullie allemaal aan wegens seksuele intimidatie.’

Een laatste prop. Van Mo.
      Woedend werd ik. En hij ook. Ik stuurde hem de klas uit, maar hij ging niet. Voor de deur bleef ik zeggen dat hij eruit moest om zich te melden. Maar hij ging niet. Hij werd alleen maar bozer. En bozer. En hij kwam steeds dichterbij. Hij probeerde de deur open te trappen. Maar hij viel tijdens die karatetrap op zijn rug. En iedereen haalde adem en begon te lachen. En op dat moment dacht ik: ‘Hij gaat me slaan.’ En ik dacht ook: ‘Doe maar. Dit moet hij blijkbaar doen. Hij kan zich niet meer inhouden.’
      Maar hij deed het niet. Door die val had hij zichzelf zo vernederd dat hij de klas uitstormde.

Ik heb maar koffie gehaald; mijn klas werd even opgevangen door een collega die op de gang hoorde dat het uit de hand liep. De koffie was goor, maar op dat moment was het een bakkie troost.
      Mo werd amper gestraft. En ik voelde me heel erg in de steek gelaten.

In mijn huidige lokaal heb ik twee grote, knalrode prullenbakken staan. En ik ga door mijn knieën als ik uitleg geef.
      Mijn billen zijn geen kermisattractie.


Zie
 
HIER voor alle Juffen