Algemeen

 

Austins, Jeeps en Hoeren

 
Het was op de N-59 tussen Bruinisse en het stoplicht ter hoogte van Dreischor op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland.
      Daar reed een Austin A30. Een heel klein autootje, dat er zeer goed uit zag.
De eigenaar was duidelijk een liefhebber, die er plezier in had om zijn auto te vertroetelen.

Mijn oom Gerrit was vroeger ook zo iemand. Jarenlang had hij zijn Austin wekelijks gewassen en ieder vlekje keurig weggewerkt. 
       Dat kon hij goed, want ome Gerrit was huisschilder.
Begin 1967 kreeg hij het ineens in zijn hoofd om een andere wagen te kopen. Een Renault Dauphine.

Ik mocht zijn A30 overnemen voor Fl. 150,-- Het was mijn eerste eigen auto.

 
A30

  

Een maand of zes heb ik erin gereden.
      Vaak van Breda, (waar ik toen woonde) naar Amsterdam waar mijn vriendin een etage had in het centrum.
Ineens had ik een lekke koppakking en de garagist vond het niet meer de moeite waard om de wagen te repareren.
      ‘Nee jongen, er moet een nieuwe motor in en dat is die wagen echt niet meer waard’.

Ik reed een beetje raar in dat wagentje. Althans dat vonden sommige bijrijders.
     
Ik deed bij het terugschakelen aan het zogeheten dubbel clutchen, hoewel dat helemaal niet nodig was.

Dat komt zo!..

Ik had dat geleerd in het leger. Ik haalde mijn rijbewijs in een Nekaf, een Jeep waarvan de versnellingsbak niet -volledig- gesynchroniseerd was.
       Als je terugschakelde van twee naar één moest je dubbel clutchen. Daarbij trap je je koppeling in en zet je de versnelling vrij. Je geeft een dot tussengas, trapt opnieuw de koppeling en schakelt terug.
      De instructeurs in het leger benadrukten dat je ook bij het terugschakelen van drie naar twee moest clutchen, hoewel het daarbij niet nodig was. Maar het kon geen kwaad, vonden zij. (De auto had  maar drie versnellingen, maar had natuurlijk wel een hoge en een lage gearing)

 
NEKAF

                        

Ik had in dat leger zo vaak dubbelgeclutcht dat het een soort tweede natuur was geworden.
      Ik schat dat ik -ook na mijn A30- nog zo’n tien jaar deze gewoonte heb volgehouden.
En zelfs nu vind ik het nog leuk om af en toe te doen. Als de mensen dan vragen gaan stellen, kan ik namelijk verhalen kwijt.
     
Bijvoorbeeld over mijn kapitein in dat leger.
Op oefening in Duitsland moest ik hem regelmatig naar Bremen brengen. Hij ging dan naar een vaste hoer in de Helenenstrasse.
      De visites duurden nooit lang. ’Laat je motor maar draaien’, zei hij dan.
Als je de Nekaf een beetje kende wist je dat je die met een vinger in het contact kon starten. De kapitein wist dat natuurlijk ook.
      Tijdens een oefening had hij op deze manier mijn auto ‘geleend’. Ik hoorde dat de auto gestart werd en zag hem ermee wegrijden.
Op de terugweg toen hij teveel gedronken had, reed hij de auto in een sloot.

Ik heb toen de schuld op me genomen. Daar was hij erg dankbaar voor, want de man zou voor de Krijgsraad zijn gesleept en oneervol zijn ontslagen.
      Hij tekende daarna vrijwel ongezien ieder verzoekje van mij om een paar dagen vrij te krijgen. En dat deed ik nogal vaak.

 

 

 

Handleiding voor De Avonden


Guus van Bladel overleed dit jaar op 1 november in Melaka Maleisië. Hij was 85 jaar.
      Tussen 1972  en 1976 woonde hij in Weert samen met Gerard Reve. Hij vertrok in verband met zijn gezondheid naar Singapore en later naar Maleisië.
     Een paar jaar lang ontving ik van hem met enige regelmaat zijn zogehten Kladboeken. 
Persoonlijke notities, korte verhalen, invallen, emoties, dromen, verhandelingen.

En ineens was daar deze handleiding om De Avonden te lezen.   

Waarom schreef Reve eigenlijk dat boek?

En hoe zat het precies met de geheime minnares van zijn vader?

Als u vandaag (22 december) het eerste hoofdstuk leest en daarna iedere dag nog een hoofdstuk, kunt u dit monumentale sieraad uit de Nederlandse literatuur net voor de jaarwisseling weer in de kast zetten.
Als u eventueel samen bent, is het aan te bevelen om het voor te lezen.
      Ieder op zijn of haar beurt 's avonds een hoofdstuk. Het zal uw relatie ten goede komen.
 


Guus van Bladel schrijft:

HANDLEIDING VOOR HET LEZEN VAN ‘DE AVONDEN’.

Op zondag 18 mei 1947 had Gerard van het Reve jr. een manuscript van een dagboek gereed om naar Uitgeverij “De Bezige Bij” in Amsterdam te sturen. Deze uitgever besloot tot publicatie over te gaan en in november 1947 verscheen dan ook bij De Bezige Bij het boek “De Avonden” een winterverhaal, geschreven door Gerard van het Reve jr. onder de auteursnaam Simon van het Reve.

Op verzoek van zijn psychiater was de 23 jarige Reve een soort dagboek gaan bij houden om de inhoud daarvan met die arts te kunnen bespreken. “Ik heb een zieke ziel”, zei hij van zichzelf in hoofdstuk 9. Als peuter, kleuter en leerling op de Lagere School moest “Gerardje”, als zijn vader niet thuis was, bij zijn moeder in bed slapen. “Ik wil nooit meer “Gerardje” genoemd worden, vertelde hij mij.

Reeds in het eerste hoofdstuk van De Avonden wordt de lezer geconfronteerd met twee dromen (een in het begin en een aan het einde) + een anecdote over een hond in Bloemendaal die zodoende onder de aandacht van zijn arts zijn gekomen. De relatie met zijn ouders waarover Gerard op soms pikante wijze verslag doet, wordt in ieder hoofdstuk ter sprake gebracht. Gerard beschreef voor zijn psychiater op sublieme wijze de leegte van zijn leven in het na-oorlogse Amsterdam.

Toen de arts uiteindelijk de aantekeningen mocht lezen die Gerard over een periode van tien dagen had gemaakt, was hij meteen enthousiast over inhoud en taalgebruik. Hij spoorde zijn patient aan deze aantekeningen in boekvorm te publiceren. Verrassend genoeg werden die aantekeningen meteen door de eerste uitgeverij waar ze werden aangeboden, De Bezige Bij in Amsterdam, geaccepteerd en uitgegeven onder de titel “De Avonden”.

Aanvankelijk had Gerard jr. liever niet dat men wist waarom hij De Avonden had geschreven en al helemaal niet dat men wist waarom hij onder behandeling van een psychiater was. In een interview in De Groene Amsterdammer (februari 1948) ter gelegenheid van het uitkomen van de 2e druk bij De Bezige Bij, zei Gerard jr. dat hij alle opmerkingen in de pers over zijn boek De Avonden erg overdreven vond.

Pas na het uitkomen van de tweede versie van de 4e druk in 1959 kwam de verkoop van De Avonden echt goed op gang. In de periode van 20 jr. (1959 en 1979) werden maar liefst 23 drukken door De Bezige Bij uitgegeven.

In het boek worden de lezers niet alleen met de diepere zielen roersels van een jonge patient geconfronteerd, maar ook met de donkere dagen van december in het eerste volledige na-oorlogse jaar: met radioprgramma’s van slechts enige uren per dag (van 7.00 – 24.00 hr.) en gebrekkige nieuwsvoorzieningen door dag- en weekbladen. Roken was een luxe want de sigaretten waren nog steeds op de bon. (1 pakje cigaretten of 2 pakjes shag per week).

Er wordt in De Avonden ook veel aandacht geschonken aan het dagelijkse weer en aan de dagelijkse maaltijden. In Het Parool van 11 april 2006 wordt Gerard’s dood op 8 april o.a. herdacht door de culinaire columnist van Elsevier, Johannes van Dam, die over het eten uit De Avonden vermeldt: “De Avonden is een schitterende bron voor de culinaire historicus”, en hij memoreert een dagelijkse (na-oorlogse) maaltijd uit het boek: “Stokvis met aardappels, geraspte rauwe selderij wortel, andijvie en roze vla met bessensap”.

Allemaal na-oorlogse levens-omstandigheden in een TV-loos tijdperk waarvan de huidige generatie absoluut geen weet heeft. De karakters en situaties hebben in werkelijkheid bestaan en “De Avonden” is daardoor een belangrijk Document-Humain geworden in het Nederlandse taalgebied.

Bij het verschijnen van het boek als een soort familie-roman over een na-oorlogse, (1940-1945) Amsterdamse familie werd “De Avonden” bovendien meteen door deskundigen als een literair meesterwerk herkend en tot verwondering van vriend en vijand bekroond met de belangrijke literaire “Reina-Prinsen Geerlings Prijs”, een litaraire prijs voor jonge auteurs.

 “DE AVONDEN’ LEZEN IN DECEMBER.

Het boek “De Avonden”. is thans het meest verkochte en het best gelezen na-oorlogse, literaire boek van een Nederlands talige auteur. (58 drukken!).

“De Avonden” is een soort kritisch, pseudo-romantisch dagboek geworden dat de laatste tien dagen bevat van de maand december 1946. Begonnen op zondag 22 december eindigt het boek op oudejaarsdag 31 december. Er zijn in ons land mensen,voornamelijk “Revianen” en studenten die alleen, of met de hele familie, of in een literaire groep, juist in de maand december, iedere dag een hoofdstuk van het boek lezen en ze beginnen dan op 22 december. Alle tien hoofdstukken vloeien in het boek in elkaar over en vergemakkelijken het lezen

DE TIEN HOOFDSTUKKEN UIT ‘DE AVONDEN’

I De vroege ochtend van zondag 22 december 1946.Thuis.

II De volgende dag, maandag 23 december. Na kantoortijd.

III Dinsdagmiddag, 24 december om 12.00 uur. Na kantoortijd.

IV Woensdagochten 25 december (1e kerstdag) Toen hij om 8.15 wakker werd.

V Donderdagochtend 26 december (2e kerstdag) om 9 uur toen het licht werd.

VI Vrijdagmiddag 27 december op kantoor.

VII Zaterdagmiddag 28 december. Thuis.

VIII Zondagmorgen 29 december. Toen hij om 8.30 wakker werd.

IX Maandagochtend 30 december. Na kantoortijd.

X Dinsdagmiddag 31 december (oudjaars dag) 2 uur ‘s middags. Na kantoortijd.


KORTE BIOGRAFIE VOORNAAMSTE KARAKTERS “DE AVONDEN”.

Vader

Gerard Johannes Marinus van het Reve sr.,
      Geboren in Enschede op 11 april 1892. Overleden in een verpleegtehuis in Het Gooi op 18 februari 1975.
Journalist, redakteur communistisch blad “De Tribune”. Belangrijk lid van de Communistische Partij Nederland. Ging voor de oorlog al naar Moskou en sprak wat Russisch. Historicus. Auteur: o.a. biografie, geschiedenis- en kinderboeken. Hij publiceerde onder verschillende schuilnamen o.a. Gerard Vanter en Gerard Revers.
      Na de dood van zijn echtgenote Net Doornbosch is vader van het Reve voor de 2e keer gehuwd met Mevr. Jo de Jongh uit Gouda.

Moeder

Net van het Reve-Doornbosch.
      Geboren 15 april 1892 Overleden in Amsterdam op 11 september 1959.
Huisvrouw.

Broer

Prof. dr Karel van het Reve, (Joop in De Avonden).
      Geboren in Amsterdam: 19 mei 1921. Gehuwd met Tinie (Ina in De Avonden). Overleden in Amsterdam op 4 maart 1999.
Journalist, o.a. correspondent van Het Parool in Moskou. Hoogleraar universiteit Leiden.
      Auteur van verschillende boeken. Vertaler van Russische literatuur. Historicus. Winnaar P.C.Hooft Prijs.

Auteur

Gerard van het Reve jr., (Frits in De Avonden)
      Geboren in Amsterdam: 14 december 1923. Overleden op 82 jarige leeftijd in een verpleegtehuis in Zulte (Belgie) op zaterdag 8 april 2006.
Een van de belangrijkste na-oorlogse Nederlandse auteurs; publiceerde meer dan 70 romans en gedichtenbundels onder de auteursnamen Simon van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve,. G.K. van het Reve en uiteindelijk Gerard Reve. Hij ontving de belangrijkste Nederlandse literatuurprijzen: de “P.C.Hooftprijs” en de “Literaire prijs der Nederlandse Letteren”.
      Gerard Reve was sinds 1974 Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1993 werd hij bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau en in 1998 werd hij benoemd tot Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw.


DE GROTE ONBEKENDE UIT DE AVONDEN.

Jo de Jongh uit Gouda was vader Gerard’s geheime relatie tijdens “De Avonden” en werd later de stiefmoeder van Karel en Gerard jr.
      Vader Gerard moest onder Wereldoorlog II als communist onderduiken. Hij verbleef op een onderduikadres in de buurt van Gouda. Jo de Jongh, die in het begin van de oorlog tijdens een Duits bombardement haar verloofde verloor, met wie ze op het punt stond te trouwen, was aangesloten bij een ondergrondse groep die in en om Gouda actief was. Zij moest o.a. onderduikers periodiek bezoeken om ze van de nodige bonkaarten te voorzien.

Een van die onderduikers was vader Gerard, die na de oorlog een relatie met haar begon. In “De Avonden” schittert haar persoon door afwezigheid, maar zij is wel degelijk, alhoewel onzichtbaar, aanwezig en een factor in de levens van vader, moeder en zoon.

Gerard jr. en zijn moeder wisten dat vader Gerard bevriend was met “een meisje uit de oorlog” en verdachten hem van een relatie. In het 5e hoofdstuk staat b.v. de volgende dialoog: Frits hoorde hem weer de gang inkomen, de trapdeur voorzichtig openen en zacht sluiten. “Hij is weg”, zei hij. “Laat hij in Utrecht maar zijn plezier hebben”, zei zijn moeder, “het zal mij een zorg zijn”. Bij de twee laatste woorden haperde haar stem.

(Eerste pagina hoofdstuk V).

Vader Gerard zag Jo regelmatig in Utrecht.

Jo werd langzaam van een vriendin een minnares. Na de dood van zijn echtgenote Net, in 1959, werd Jo door vader Gerard officieel in zijn sociale leven opgenomen en zijn ze later gehuwd. Ze hadden een volkstuin in Amsterdam waar ze in de zomer verbleven.

Enige dagen na de begrafenis van vader Gerard sr. (februari 1975) kwam Gerard’s stiefmoeder Jo van het Reve-de Jongh bij Gerard jr. en mij in Weert logeren hetgeen zij later meerdere keren herhaalde. Gerard jr. is altijd aardig en behulpzaam geweest voor zijn stiefmoeder.

Toen ik in 1977 naar Het Verre Oosten verhuisde kwam Jo 13 keer bij mij in Singapore logeren. Ik ben door de jaren zeer goed bevriend geraakt met Jo de Jongh. Zij was een lerares Frans en Duits aan een Middelbare School in Gouda en is later naar Amsterdam verhuisd. Ze studeerde op oudere leeftijd Russisch en hielp stiefzoon Karel toen die voor Het Parool in Moskou vertoefde. Ook Karel en zijn echtgenote Tinie zijn altijd heel aardig voor Jo geweest. Ze is in 1996 in een verpleegtehuis in Amsterdam gestorven.

Tot aan haar dood kreeg ze van de Stichting “40-45” een uitkering. Ze was een van Nederland’s bekende vrouwelijke ondergrondse strijdsters en ze stond eens met wijlen Koningin Wilhelmina op het balkon van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.


EDITIO PRINCEPS VAN ‘DE AVONDEN’.

Het eerste boek van de eerste druk, de “Editio Princeps” van De Avonden is door Gerard jr. aan zijn ouders gegeven. In het boek is met zijn kroontjes pen geschreven: “Voor mijn ouders met alle goede wensen. Van de schrijver, de eerste November 1947, te Amsterdam. Gerardvanhetreve”. Bij de dood van vader Gerard, kwam de edition princeps in het bezit van Jo van het Reve-de Jongh. Op een van mijn familiebezoeken in Nederland, in de tweede helft van de tachtiger jaren, vertoefde ik voor een paar dagen bij Jo in Amsterdam. Bij dat bezoek gaf ze mij de edition princeps van “De Avonden” kado.

Dit boek werd het vlaggeschip van mijn Reve-verzameling. In de Haagse Post van 9 december 1989 werd door dit blad onthuld dat ik de hoeder was van de editio princeps van “De Avonden’ in een exclusief intervieuw door Henk Hanssen. Ik kreeg toen van Gerard het verzoek dit boek aan Joop Schafthuysen te verkopen, hetgeen ik niet deed.


VERZAMELING VAN ALLE DRUKKEN VAN “DE AVONDEN”.

Het heeft meer dan tien jaar geduurd om, t/m 1997, alle bestaande drukken van De Avonden aan te kopen. Zelf in Singapore wonend, zou ik zonder hulp van mijn vriend Theo Poelgeest in Haarlem nooit het huidige aantal verschillende uitgaven van De Avonden bij elkaar hebben gekregen. Deze “Avonden” verzameling is een significant onderdeel van de “Augustini Revianum”, de grote Reve verzameling die thans in het bezit is van de Gemeente Weert. Helaas zijn Theo en ik er in tien jaar niet in geslaagd de echte 25ste en de 28ste druk onder ogen te krijgen. Poelgeest is zelfs, om alle drukken bij elkaar te krijgen, op 23 juli 1992 voor het KRO programma “Voor wie niet kijken wil” over onze verzamel woede ondervraagd en hij heeft toen een oproep gedaan voor o.a. de 25ste en de 28ste druk van De Avonden. De drukken van De Avonden na 1997 zijn met behulp van De Bezige Bij in de biblioagrafie opgenomen.

Het is onder mijn aandacht gebracht dat er in Zuid Afrika in de negentiger jaren een uitgave van De Avonden in het Zuid Afrikaans zou zijn uitgekomen. Het is mij niet gelukt een druk in handen te krijgen.Ook is mij verteld dat iemand voor eigen plezier De Avonden in het Japans zou hebben vertaald. Ook hierover is mij helaas niets naders bekend.

 

GERARD REVE LEEST DE AVONDEN.

 

Op 28 november 1991 heeft Gerard Reve op radio 4, voor de VPRO radio zijn boek “De Avonden” gelezen. Het programma begon om 14.00 hr en duurde tot middernacht.

Volgens De Telegraaf was dit een unicum in de Nederlandse radio geschiedenis. De produktie had Wim Noordhoek en de gehele lezing staat op 9 CD’s, vervaardigd door Rubinstein Media/Uitgeverij I.C.

 

DE AVONDEN, EEN GETEKEND STRIPVERSIE VAN “DE AVONDEN”.

“De Avonden” werd door de kunstenaar/tekenaar Dick Matena (1943, Den Haag), als een stripverhaal getekend.

Het eerste deel van deze beeldroman werd in februari 2003 uitgegeven door de Bezige Bij. Er zijn in totaal nog 3 delen verschenen. Deel 2 in juni 2003, deel 3 in november 2003 en deel 4 in maart 2004. Van alle getekende uitgaven verscheen een luxe editie. Bovendien begon Het Parool in oktober 2003 met het publiceren van het beeldverhaal “De Avonden” als feuilleton. Het is uniek dat een roman verschijnt als beeldverhaal. Matena schrijft in het Dagboek van de NRC over zijn vrees dat de gemiddelde striplezer niks doet met De Avonden en dus ook niet met de stripversie. Hij zegt in Het Parool over De Avonden o.a.: “Ik had destijds alleen het eerste hoofdstuk gelezen: gezeur vond ik het. Nadat ik OP WEG NAAR HET EINDE had gelezen, dat ik geweldig vond, ben ik meteen weer aan De Avonden begonnen. En toen was ik verkocht. Gruwelijk vond ik het, aangrijpend, weerzinwekkend en ik heb ook gelachen. Het was een absolute belevenis, het veranderde mijn leven. Ik herkende veel van wat ik in mijn eigen jeugd had meegemaakt”.

 

FILM “DE AVONDEN” .

 In 1989 verscheen de 125 minuten durende film “De Avonden” onder regie van Rudolf van de Berg. Gerard Reve, de auteur van de roman, werkte zelf mee aan het scenario. De belangrijkste rollen werden vertolkt door Tom Hoffman (Fritts Egters), Rijk de Gooyer (vader Gerard) en Viviane de Muynck, de moeder van Frits. De film is ook op video verkrijgbaar.

 

 

 

Egodocumenten in de tuin

 De gemeentes Bad Berleburg en Schmallenberg liggen in het Duitse Sauerland (Westfalen) naast elkaar.
     
De verbinding is een bochtige weg door het Rothaargebergte, waar je in de winter erg moet oppassen. Je kunt er over 23 kilometer een beeldenroute volgen (Waldskulpturenweg). Leuker, want origineler en creatiever, is echter Der Wettbewerb. Een project van de kunstenaar Jochen Gerz.

Het werd in 2002 gestart.
      Bewoners van de ene gemeente werden uitgenodigd om een briefje te schrijven aan de burgemeester van de andere gemeente.
Een persoonlijke brief.
      Waarom men in dit gebied woont, waar men van houdt, wat zoal opvalt, wat de mensen bezielt en wat er verder nog over familiegeschiedenissen, vriendschappen, verdriet en vreugde te schrijven valt.

Van iedere brief uit Bad Berleburg werd een emaillen straatbordje gemaakt, dat geplaatst werd in de tuin van een briefschrijver uit Schmallenberg.
      Andersom natuurlijk ook, zodat er nu in iedere gemeente evenveel bordjes staan.
Het is waanzinnig leuk om die briefjes te lezen. Als je eenmaal begint, kun je bijna niet meer ophouden.
      Mijn god, wat een bekentenissen die mensen in het openbaar afleggen.

 

Katharina Dickel

 

 

Neem dit briefje van Katharina Dickel uit Bad Berleburg, dat dus in een tuin staat in Bad Fredeburg (Gemeente Schmallenberg).
      Als je een praatje maakt met de inwoners, begrijp je het allemaal veel beter.

--------Der Müsse is de naam van de straat in Bad Berleburg waar Katharina woont.

--------Fleckenberg en Fredeburg zijn plaatsjes in de gemeente Schmallenberg.

--------Zum Schäferhof is een soort jachthuis in diezelfde gemeente. Je kunt daar eten & drinken

--------Laasphe, Erndtebrück en Siegen zijn plaatsen, die een stuk verderop liggen in geen van beide gemeentes..

--------Im Kelschen is plaatselijk dialect! Je kunt dat het best vertalen met Paap of Paaps.


Nicht erwünscht

En….
     
Het zou dus kunnen dat de man van Katharina een zoon is van één van die Roomse Maria's van haar vader.
Want als haar vader wel daarmee getrouwd zou zijn had Katharina met haar stiefbroer moeten trouwen.
      En dat is ook in ‘t Sauerland nicht erwünscht.

 

Gemeentehuis Bad Berleburg

 

 

 

 

In herinnering: Achttien jaar en tien dagen later

 

De zelfmoord van Hans                                                                                                                                                                                      

HAARLEM 1998 (De reconstructie)

Hij zit rechtop in het bed en neemt alles nog eens door. Voor hem ligt een grote grijze plastic zak. Op zo’n vijftien centimeter van de opening een dik elastiek. Dat sluit straks stevig om zijn nek, want hij heeft geoefend en gemerkt dat de zak beslaat, maar ook dat er frisse lucht naar binnen komt als hij zijn duim tussen hals en elastiek legt. Op het tafeltje naast hem een papieren stofmasker. Dertig Nemtubal-slaappillen, vergruisd. Een doosje Seresta kalmeringspillen en Dramamine, een anti-braakmiddel, dat hij al drie dagen slikt. Er staat een fles single malt Macallen whisky en een glas sodawater.

      Hij haalt nog eens diep adem, gaat zo gemakkelijk mogelijk zitten en plaatst de plastic zak als een soort muts op zijn hoofd. De kalmeringsmiddelen, die hij ook al eerder heeft ingenomen werken. Hij pakt licht trillend het bordje met alle slaapmiddelen, giet ze naar binnen, neemt een flinke slok whisky, spoelt na met het water en laat dat volgen door nog meer sterke drank. Hij zet het maskertje voor zijn mond, raakt in een roes, trekt de zak over zijn hoofd en probeert het koord stevig om zijn hals te doen. Hij valt bijna weg. Zijn lippen, neus en mond worden langzaam blauw. Hij stuipt. Onwillekeurige bewegingen volgen elkaar op.

      Zelfbenoemd suicide-counselor J. staat op vanuit zijn leunstoel en loopt naar het bed. Hij probeert krampachtig de man in bedwang te houden. Maar de kracht ontbreekt hem. Hij valt om en slaat met zijn arm alles van tafel. De fles breekt. De man glijdt van het bed en blijft stuiptrekkingen maken.

Dan wordt het rustig. De man is in coma geraakt. 

      J. wacht ongeveer een half uur. Controleert of de man echt dood is. Daarna ruimt hij alles keurig op. De zak en alle middelen gaan in zijn eigen koffer. Hij legt de man op bed, trekt twee lakens over hem heen en verlaat kamer 211 van het hotel in het Haarlemse Schalkwijk. Het is de nacht van 6 op 7 december 1998.


Het vervolg

      ‘Kent u Hans C.?’ De politieman aan de telefoon vraagt het met een zeker ongeduld in zijn stem.

       ‘Ja’, zeg ik. ’Hoezo?’

       ‘We hebben hem vanochtend dood in een hotelkamer aangetroffen. Hij had vrijwel niets bij zich. Een toilettasje, een portefeuille met een paar munten erin, een rijbewijs, de hotelrekening die hij van tevoren betaald had en een briefje in zijn zak. Een briefje met uw naam en telefoonnummer’.

      Hans, mijn vriend. Mijn God. Hans, de kunsthistoricus, de cellist, vioolbouwer, bijzonder hoogleraar filologie, dan wel artistiek leider van een vermaard orkest. Hans, de gokverslaafde met zijn fluwelen stem, elegante kleding, charme, erudiete en innemende manier van optreden; zijn verhalen en anekdotes.

      Hans, die er altijd in slaagde om rijke dames voor zich te winnen. En ze daarna geld aftroggelde. Veel geld, want het waren altijd grootse projecten, waar hij zich in zijn ongebreidelde fantasie mee bezig hield. Soms kon hij een unieke kunstverzameling kopen of wilde hij investeren in een opvallend nieuwbouwproject; dan weer was het een bijzonder exportplan. Hij leefde van dat geld op goede stand. Soms trok hij tijdelijk bij één van die dames in.

       Het ging meestal redelijk goed, tot hij weer ging gokken. Dan maakte hij in korte tijd alles op en was onvindbaar. Hij belandde in de goot, woonde op straat of in een bos, trok zich terug in een klooster, leefde in een tehuis voor daklozen of ging belangeloos werken bij de Emmaüsgangers. Zijn belangrijkste spullen stopte hij dan altijd in een kluis op Schiphol.

Ik had een sleutel van die kluis. Hij had mij die gegeven, nadat we samen een bijzondere reis naar Indonesië gemaakt hadden.

‘Als er wat met mij gebeurt, weet je waar je moet zijn’, zei hij ooit.

Nu was het zo ver.

‘Kunt u zo spoedig mogelijk hiernaar toe komen’, zegt de politieman nadat ik hem een paar vragen heb gesteld. ‘Dan leg ik het u allemaal uit’.

Twee uur later zit ik op het bureau

      ‘We weten niet veel’, zegt de hoofdagent. ‘Vanochtend is hij op die hotelkamer door een schoonmaakster aangetroffen. Het is een natuurlijke dood. Geconstateerd door de politiearts. Een misdrijf achten wij uitgesloten. Veel weten we niet van hem. Alleen zijn naam. U bent een kennis hè. Geen familie. Jammer, want dat maakt het er niet eenvoudiger op. Weet u waar hij woont? Kent u verwanten? Er moet een begrafenis komen enzo. Kunt u daar voor zorgen? Hij ligt opgebaard hier in Haarlem; mortuarium Zijlweg’.

Ik besluit er direct naar toe te gaan. Ken de weg, want mijn vader lag daar in 1973 ook al opgebaard. Hallelujah!
     
     
‘Meneer heeft zijn onderbroekje nog aan’, zegt de man in het zwart. Hij tilt het zeil op. Daar ligt Hans. Mijn vriend. Vredig en kwetsbaar. Striemen in zijn hals. Grove blauwe en paarse vlekken.
      Hoezo natuurlijke dood?!
‘Dat Is toch niet normaal’, zeg ik en wijs naar die vlekken. De man kijkt mij berustend aan. ‘Daar doe ik geen uitspraak over. Ik ben geen arts’.
      En dan begint ook hij over eventuele familieleden en nog meer praktische zaken, die opgelost moeten worden. ‘Een begrafenis is duur hoor tegenwoordig. Ik hoop dat u zich dat wel realiseert’.

Op weg naar Schiphol bedenk ik dat zowel de hoofdagent als de man in het mortuarium nu niet bepaald fijnzinnig in hun optreden waren. ‘Wij zitten in ons maag met een lijk. Verlos ons daar maar van’. Dat is ongeveer de strekking.
     
In de grote kluis bevinden zich twee koffers. En er ligt een kaartje met daarop in sierlijke letters mijn naam.
      Er staat ondermeer:

 

 ‘Met een kort berichtje (helaas) en 'n groet het volgende: mijn zwerfleven, ten volle geleefd, is morgen voldoende uit om begraven te kunnen worden.
      Eindelijk vrij!!
Een koerswijziging is 'n besluit, waarom ikzelf geen kracht genoeg meer had om verder te gaan’.

                                                                                                            

TANGERANG JAVA 1986 (De Opmaat)

Tangerang Java. Een stadje even ten westen van Jakarta. Juni 1986. Hans en ik zijn in de jeugdgevangenis.
      Hij rolt zijn mouw op en laat het nummer zien dat op zijn bovenarm getatoeëerd is: 1554. Hij herkent alles nog, want er is vrijwel niets veranderd.
      Hij zat hier na de tweede wereldoorlog 25 maanden in celletje 6. Twee bij twee meter en niet meer dan anderhalve meter hoog. Een zandvloer. Kale afgebladderde muren. Tralies.

‘Hier’, fluistert Hans, ‘hier heb ik nauwelijks momenten van genade gekend’.

Vrijwel zwijgend gaan we door het complex. Een gebedsruimte, de eetzaal, isoleercellen en een schoolklas waar zo’n 25 jongetjes zitten. Twaalf, dertien jaar oud. Ze zien er slecht uit. Ondervoed. Ruim vallende overalls met vlekken en scheuren. Er hangt misère. Wanhoop, uitzichtloosheid, verstild verlangen. Wij zwijgen, de jongens zwijgen, de onderwijzer zwijgt. ‘Wat moeten jullie hier?’ Ik hoor het ze bijna denken. Voel de onversneden haat.

       ’s Avonds in de bar van hotel Borobudur in het nieuwe centrum van Jakarta komt Hans een beetje los. ’Ik wil het wel vertellen. Maar in vertrouwen. Geen bandrecorder; geen microfoon‘.

      Ik aarzel. We zijn naar Indonesië gegaan om een documentaire over zijn jeugd te maken. Over zijn ervaringen in het weeshuis ; de periode in het Jappenkamp; over zijn invloedrijke pleegfamilie en natuurlijk de gebeurtenissen in celletje zes van die jeugdgevangenis.

      ‘Er zijn grenzen’, zegt hij. ‘Niet alles kan voor een open microfoon verteld worden’.

Dan praat hij. Eerst aarzelend; mij aankijkend en inschattend. Daarna sneller. In trance. Meestal begon het aan het eind van de middag. Even voor het eten uitgedeeld werd. ’Zing Belanda, zing!’ riepen de andere jongens vanuit hun celletjes. Krontjong, altijd Krontjong. Muziekfusion.. Nederlands, Portugees, Indonesisch.
      ‘Hoerenmuziek’, zegt Hans en doet het voor. Hij zingt. Daar in die bar, waar een zeer gemèleerd internationaal gezelschap zich naar hem wendt. Want hij kan prachtig zingen. Zuiver en met emotie. Rollers en een snik in zijn stem. Als hij stopt klinkt er applaus. Hans lijkt het niet te horen. Hij kijkt me weer doordringend aan.

Ik stel me voor hoe dat daar in celletje 6 geklonken moet hebben. Met die lichte stem. Maar terwijl hij doorpraat, is het niet meer nodig me iets voor te stellen. Al bij het eerste lied kwam hij binnen. De oppercipier. Een kleine kalende man met een stokje onder zijn linkerarm. ’Zing Belanda zing’, herhaalde hij zacht.’Zing’.

En Hans zong. Hopend dat het ditmaal mee zou vallen. Maar nooit viel het mee. De cipier begon altijd voorzichtig. Teder bijna. Hij legde zijn stokje neer en trok Hans’ korte broekje uit. Het truitje en de rest. Al zingend werd hij opgetild, waarna de cipier zijn harde pik in zijn kleine anus propte. Het deed pijn. Heel erg. Als hij stopte met zingen werd hij op de grond gezet en kreeg een harde klap in zijn gezicht.
      ’Zing Belanda zing”. En dan zong Hans weer en werd opnieuw verkracht. Daarna mochten twee andere jongens naar zijn cel komen. Ze werden door de cipier aangewezen. Wie die dag het meest zijn best had gedaan kreeg voorrang. Hans moest ze pijpen. Altijd weer pijpen. En als hij het sperma had ingeslikt, moest hij weer zingen.

      Dan kwam de cipier terug. Hij ging op een stoeltje zitten, legde Hans over zijn bovenbenen en ranselde hem af met zijn stok. Altijd weer; iedere dag. Tot slot klonk het dan nog eens: ‘Zing Belanda , zing’.


Het doodsbericht

 

 

     

 

 

       


Eerder geplaatst in december 2007, 2010 en 2013

 

 

 

Een paar opmerkelijke presidenten

De machtigste persoon op aarde is na dinsdag waarschijnlijk voor ’t eerst een vrouw. Hillary Clinton wordt dan de 45ste president van de Verenigde Staten. Als Trump overigens president wordt is hij niet de eerste malloot.
       De geschiedschrijving zal oordelen over Barack Obama. Ik denk dat hij redelijk hoog zal eindigen (Obamacare) op de lijst van de best presterende presidenten. Dat zijn volgens nogal wat onderzoeken Abraham Lincoln, Teddy Roosevelt, George Washington en Franklin D. Roosevelt.

In zijn boekje ‘Alle 42 presidenten’ uit 2.000 haalt publicist en Amerika-deskundige Frans Verhagen een onderzoek aan, dat in 1999 door een aantal Amerikaanse historici op verzoek van het politieke televisienetwerk C-Span werd gehouden.

Presidenten van Amerika 1: James Buchanan

Beste president was volgens deze historici Abraham Lincoln; de slechtste was zijn voorganger James Buchanan, die van 1857 tot 1861 in het zadel zat.
      Een naïeve, plooibare man.
Een incompetente aarzelaar, die volgens deze historici jammerlijk faalde en een erbarmelijke erfenis naliet.

 

Presidenten van Amerika 2: Teddy Roosevelt

Hij riep bijzondere gebieden uit tot vogelreservaten, verklaarde miljoenen hectaren bos tot beschermd gebied en richtte zestien nationale monumenten op.
Volgens sommige bronnen ging hij eens mee op de jacht.
      Hij kreeg een klein beertje voor de loop van zijn geweer en had zo’n medelijden met het beestje, dat hij niet schoot maar zijn geweer neergooide.
      En dat zou de verklaring zijn voor het woord teddybeer.


Presidenten van Amerika 3: William Taft

 

 

 

 

Presidenten van Amerika 4: William Harrison

Het meest opmerkelijke politieke wapenfeit van Harrison is zijn inaugurale rede, die hij uiteraard niet zelf geschreven had. Tijdens het uitspreken van deze rede begin maart 1841 vatte hij kou.. Hij herstelde daar niet van en overleed exact een maand later. De regeringsperiode van slechts één maand is de kortste van allemaal.


Presidenten van Amerika 5: William McKinley

William McKinley was president van 1897 tot 1901.

      Hij was een populair man.

 

 

 

Presidenten van Amerika 6: Franklin D. Roosevelt

 

Presidenten van Amerika 7: Warren Harding

Bill Clinton was volgens Frans Verhagen een briljant politicus. Maar dat alleen als hij zich inspande en vooral als hij onder druk stond. Hij was ook ongedisciplineerd en slordig en wilde graag door iedereen aardig gevonden worden.
      Volgens mij zal hij toch vooral bekend worden door zijn seksuele escapades.
Dit in tegenstelling tot John F. Kennedy, die het niet met stagiaires deed maar met Marilyn Monroe..


 Presidenten van Amerika 8: Martin van Buren

Hij was een zeer getalenteerd politicus, maar kon dat tijdens zijn presidentschap (1837-1841) niet waarmaken. Het land verkeerde in een ernstige economische crisis en Van Buren had daar geen antwoord op.
      Hij was een ijdele kleine gedrongen man.
Little Van werd hij ook wel genoemd.